Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1640

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
19/03875
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:5721
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992; art. 110 VWEU; registratie van een personenauto waarmee nauwelijks is gereden; transportschade; nieuw of gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-10-2020
V-N Vandaag 2020/2460
FutD 2020-2995 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2934 met annotatie van mr. H.A. Elbert
V-N 2020/53.28.3
NLF 2020/2323 met annotatie van Sacha Bothof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03875

Datum 16 oktober 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2019, nr. 18/00281, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/4997) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 februari 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

Deze zaak betreft de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) die in 2016 werd verschuldigd ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto die eerder vanuit Oostenrijk werd getransporteerd naar Nederland (hierna: de auto). Op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister bedroeg de kilometerstand van de auto minder dan 22.
De auto is op 29 juli 2016 in Oostenrijk voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. Tijdens het hiervoor bedoelde transport naar Nederland heeft de auto schade opgelopen (hierna: de transportschade).

2.2.1

Voor het Hof was in geschil of de auto vanwege de transportschade een gebruikte personenauto is in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet).

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat de auto vanwege de lage kilometerstand moet worden aangemerkt als een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest en daarom niet kan worden aangemerkt als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet. De omstandigheid dat de auto niet als gebruikte personenauto kan worden aangemerkt, houdt in dat een vermindering van de bpm op de voet van artikel 10 van de Wet niet aan de orde is. Anders dan belanghebbende betoogt, leidt dat oordeel niet tot schending van artikel 110 VWEU aangezien een aan de auto soortgelijke personenauto op de binnenlandse markt bij registratie in het Nederlandse kentekenregister evenmin voor een vermindering op de voet van artikel 10 van de Wet in aanmerking komt, aldus het Hof.

2.3

De klachten, die zich richten tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, falen op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.3 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/03720, ECLI:NL:HR:2020:1528, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2020:177.