Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1609

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
18/04282
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. OM n-o in vervolging t.z.v. overtreding van art. 7 Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (feit 2) wegens verjaring. 1. Omvang h.b. na partiële vernietiging door HR t.a.v. feit 2 (1 van de 3 feiten) en terugwijzing, terwijl HR ’s hofs uitspraak niet ook t.a.v. strafoplegging heeft vernietigd. Misslag in dictum eerder arrest HR. 2. Heeft hof ten onrechte geen beslissing genomen over strafoplegging t.z.v. eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten?

Ad 1. HR Ambtshalve: HR constateert dat in zijn arrest van 5-7-2016 abusievelijk niet is vermeld dat ’s hofs uitspraak van 29-9-2014 behalve wat betreft onder 2 tlgd. ook wat betreft strafoplegging wordt vernietigd. Nu in aldus hersteld arrest van HR van 5-7-2016 niet anders is vermeld, geldt dat in ‘vernietiging wat betreft strafoplegging’ alle in ‘s hof uitspraak van 29-9-2014 genomen beslissingen a.b.i. art. 351 Sv m.b.t. oplegging van straf en/of maatregel zijn begrepen, waaronder beslissingen t.z.v. opleggen van schadevergoedingsmaatregel a.b.i. art. 36f Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2020:232). Hof heeft in bestreden arrest terecht als uitgangspunt genomen dat het, na terugwijzing van zaak door HR, gebonden was aan de door HR gegeven terugwijzingsopdracht (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1416). Gelet op wat hiervoor is overwogen moet echter worden aangenomen dat hof (achteraf gezien) a.g.v. hiervoor bedoelde omissie in dictum van HR, ten onrechte niet is toegekomen aan strafoplegging t.z.v. eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. Vanwege de in CAG vermelde redenen, waaronder ouderdom van zaak en feit dat zaak al eerder is teruggewezen - en rekening houdend met geringe betekenis van wegvallen van veroordeling t.z.v. onder 2 tlgd. voor strafoplegging - zal HR zaak zelf afdoen. HR bepaalt dat verdachte t.z.v. bij ’s hofs uitspraak van 29-9-2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden (i.p.v. 5 maanden). Daarnaast legt HR aan verdachte schadevergoedingsmaatregelen a.b.i. art. 36f Sr op overeenkomstig bedragen waarvoor daarmee verband houdende vorderingen b.p.’s zijn toegewezen volgens dictum van ’s hofs (in zoverre onherroepelijke) arrest van 29-9-2014. HR bepaalt daarbij, overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914 en rekening houdend met wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal 1 jaar, dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast.

Ad 2. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft middel geen bespreking.

Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:1391.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0329
NJB 2020/2521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04282 E

Datum 13 oktober 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 26 september 2018, nummer 23/002841-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarbij geen beslissing is genomen over de strafoplegging voor de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 september 2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten, tot het wegens deze feiten opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregelen die het hof in genoemd arrest heeft opgelegd, tot het bij elk van deze maatregelen bepalen van de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat de gezamenlijke duur ten hoogste één jaar beloopt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Ambtshalve overwegingen

2.1

De Hoge Raad heeft op 5 juli 2016 arrest gewezen in een eerdere cassatieprocedure in deze zaak. Naar aanleiding van de onderhavige cassatieprocedure heeft de Hoge Raad geconstateerd dat zijn arrest van 5 juli 2016 een misslag bevat en dat na te noemen herstel nodig is. De Hoge Raad overweegt in verband daarmee het volgende.

2.2

Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4. In het bijzonder is het volgende van belang.
(i) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 29 september 2014 ter zake van de daarbij onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde misdrijven veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van achttien benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en ten behoeve van deze benadeelde partijen telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
(ii) De verdachte heeft tegen dit arrest onbeperkt beroep in cassatie ingesteld.
(iii) De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 juli 2016 de uitspraak van het hof van 29 september 2014 uitsluitend wat betreft het onder 2 tenlastegelegde vernietigd en heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw werd berecht en afgedaan. De Hoge Raad heeft het beroep voor het overige verworpen.
(iv) Het hof heeft na terugwijzing door de Hoge Raad bij het nu bestreden arrest van 26 september 2018 het vonnis van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. In het arrest van 26 september 2018 heeft het hof overwogen dat, gelet op de door de Hoge Raad gegeven terugwijzingsopdracht, alleen de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof zijn onderworpen en dat het hof daarom niet toekomt aan de strafoplegging ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.

2.3

De Hoge Raad constateert dat in zijn arrest van 5 juli 2016 abusievelijk niet is vermeld dat de uitspraak van het hof van 29 september 2014 behalve wat betreft het onder 2 tenlastegelegde ook wat betreft “de strafoplegging” wordt vernietigd.
De Hoge Raad is van oordeel dat hij deze misslag behoort te herstellen. Daarom dient het arrest van 5 juli 2016 na herstel als volgt te worden gelezen:

“6. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.”

2.4

Nu in het aldus herstelde arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 niet anders is vermeld, geldt dat in de ‘vernietiging wat betreft de strafoplegging’ alle in de uitspraak van het hof van 29 september 2014 genomen beslissingen als bedoeld in artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met betrekking tot de oplegging van een straf en/of maatregel zijn begrepen, waaronder de beslissingen ter zake van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). (Vgl. HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:232.)

2.5

Het hof heeft in het bestreden arrest terecht als uitgangspunt genomen dat het, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, gebonden was aan de door de Hoge Raad gegeven terugwijzingsopdracht (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1416, rechtsoverweging 2.3). Gelet op wat hiervoor onder 2.3 is overwogen, moet echter worden aangenomen dat het hof - achteraf gezien - als gevolg van de hiervoor bedoelde omissie in het dictum van de Hoge Raad, ten onrechte niet is toegekomen aan de strafoplegging ter zake van de eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten.

2.6

Vanwege de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 17 vermelde redenen, waaronder de ouderdom van de zaak en het feit dat de zaak al eerder is teruggewezen en rekening houdend met de geringe betekenis van het wegvallen van de veroordeling ter zake van het onder 2 tenlastegelegde voor de strafoplegging - zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen op de volgende wijze. De Hoge Raad zal bepalen dat de verdachte ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 september 2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Daarnaast zal de Hoge Raad aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen overeenkomstig de bedragen waarvoor de daarmee verband houdende vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen volgens het dictum van het - in zoverre onherroepelijke - arrest van het hof van 29 september 2014. De Hoge Raad zal daarbij, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en rekening houdend met de wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal één jaar, bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast.

3 Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de strafoplegging ter zake van de eerder onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten.

3.2

Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het cassatiemiddel geen bespreking.

4 Ambtshalve overwegingen over de redelijke termijn

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de op te leggen gevangenisstraf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- bepaalt dat zijn in deze zaak op 5 juli 2016 uitgesproken arrest moet worden verstaan met inachtneming van de hiervoor onder 2.3 vermelde verbetering;

- vernietigt de uitspraak van het hof van 26 september 2018, maar uitsluitend voor zover daarbij ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 september 2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten geen straf is opgelegd en voor zover daarbij niet opnieuw de verplichting is opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in de uitspraak van 29 september 2014 genoemde slachtoffers de in die uitspraak vermelde bedragen te betalen;

- veroordeelt de verdachte ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 september 2014 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de na te noemen slachtoffers de navolgende bedragen te betalen en bepaalt overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast;.

Slachtoffer

Bedrag

Dagen gijzeling

[slachtoffer 1]

€ 32.578,97

15

[slachtoffer 2]

€ 63.615,45

29

[slachtoffer 3]

€ 17.879,87

8

[slachtoffer 4]

€ 19.000

9

[slachtoffer 5]

€ 100.000

46

[slachtoffer 6]

€ 117.900

55

[slachtoffer 7]

€ 24.640

11

[slachtoffer 8]

€ 13.613,31

6

[slachtoffer 9]

€ 65.600

30

[slachtoffer 10]

€ 78.660

36

[slachtoffer 11]

€ 17.107,46

8

[slachtoffer 12]

€ 23.405,55

11

[slachtoffer 13]

€ 86.793,25

40

[slachtoffer 14]

€ 23.500

11

[slachtoffer 15]

€ 30.000

14

[slachtoffer 16]

€ 11.949,17

6

[slachtoffer 17]

€ 32.900

15

[slachtoffer 18]

€ 30.100

14

- bepaalt dat de toepassing van de gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers niet opheft;

- bepaalt dat ten aanzien van de aldus opgelegde schadevergoedingsmaatregelen telkens geldt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de desbetreffende benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de desbetreffende benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2020.