Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1606

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
19/00490
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:734
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Enschedese voogdijmoord. Medeplegen moord door samen met haar nieuwe vriend (A), die bij uitvoering is geholpen door een derde (B), haar ex-man (C) meermalen met mes in lichaam te steken, omdat C via rechter heeft afgedwongen dat verdachte met hun dochtertje moet terugverhuizen naar Enschede, art. 289 Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen. Kan verdachte worden veroordeeld voor medeplegen van moord met A, terwijl het mogelijk B is geweest die dodelijke messteken heeft toegediend? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. vereisten voor kwalificatie medeplegen. In bewezenverklaring n.a.v. op medeplegen toegespitste tll. hoeft niet te worden vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen verdachte zelf dan wel zijn mededader(s) hebben verricht (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO9905). Aan bewezenverklaring van medeplegen staat niet in de weg enkele omstandigheid dat naast de in tll. en bewezenverklaring genoemde persoon of personen ook nog andere persoon of andere personen betrokken zijn geweest bij strafbaar feit. Hof heeft in bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel tlgd. medeplegen door verdachte bewezen is. ’s Hofs oordeel dat door hem in aanmerking genomen f&o in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking door verdachte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt o.m. in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat verdachte initiërende rol heeft gehad en tegen diverse personen heeft gezegd dat C maar beter dood kon zijn, uit sms-contacten tussen verdachte en A blijkt dat er iets met C moest gebeuren, verdachte samen met o.a. A goederen heeft aangeschaft waarvan gedeelte bestemd was voor uitvoering van het tegen C te gebruiken geweld en verdachte A bij woning van C heeft uitgelegd hoe hij binnen kon komen. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte wist dat A en B op avond van moord samen naar Enschede gingen, zij na uitvoering van moord onderdak heeft geboden aan A en B en zij heeft ingestemd met betaling aan B. Hieraan doet gelet op wat hiervoor is vooropgesteld niet af enkele omstandigheid dat blijkens bewezenverklaring verdachte moord tezamen en in vereniging “met een ander” heeft begaan, terwijl uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat bij uitvoering van die moord niet alleen A maar ook B betrokken was, zonder dat hof heeft vastgesteld wie van hen dodelijke messteek heeft toegebracht. Uit ‘s hofs bewijsvoering volgt immers dat, ongeacht wie van hen dodelijke messteek heeft toegebracht, verdachte met haar hiervoor genoemde gedragingen bijdrage van voldoende gewicht aan moord op C heeft geleverd.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0324
NJB 2020/2519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00490

Datum 13 oktober 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 januari 2019, nummer 21/003852-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben K. Canatan en M. Berndsen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel

2.1

Het derde en het vierde cassatiemiddel klagen over de bewezenverklaring door het hof van het medeplegen. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op of omstreeks 27 september 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken.”

2.2.2

Het arrest van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van de cassatiemiddelen van belang, het volgende in:

“De feiten en omstandigheden

[slachtoffer] en verdachte hebben een relatie gehad waaruit op 1 mei 2013 een dochtertje genaamd [betrokkene 2] is geboren. [slachtoffer] en verdachte woonden samen aan de [a-straat 1] te Enschede. Op enig moment - in april 2014 - is de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte geëindigd. Begin juli 2014 is verdachte met [betrokkene 2] bij haar moeder - [betrokkene 3] - aan de [b-straat] in [plaats] gaan wonen. Omdat [slachtoffer] het niet eens was met een permanent verblijf van [betrokkene 2] buiten Enschede, heeft hij in augustus 2014 een kort geding aangespannen tegen verdachte.

Medio augustus 2014 hebben verdachte en [betrokkene 1] voor het eerst contact met elkaar en spreken zij samen af. Uit dit contact komt een liefdesrelatie voort.

Op 4 september 2014 is in de Rechtbank te Breda het door [slachtoffer] aangespannen kort geding behandeld. Bij vonnis van 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter in kort geding bepaald dat verdachte met [betrokkene 2] binnen een week na betekening van het vonnis diende terug te keren naar Enschede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij daarin in gebreke zou blijven.

Verdachte heeft in de week na dat vonnis meermalen gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was. Van dergelijke uitlatingen is ook de nieuwe vriend van verdachte, [betrokkene 1], getuige geweest.

[betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) - een vriendin van verdachte - heeft verklaard dat zij heeft gehoord dat verdachte zei dat “ze wilde dat [slachtoffer] dood was” en [betrokkene 1] hier aanvankelijk eigenlijk niets op zei, maar [betrokkene 1] toen verdachte dit voor de derde of vierde keer zei zelf zei dat “het inderdaad wel het beste zou zijn, dat [verdachte] dan overal van af zou zijn”. Voorts heeft [betrokkene 4] verklaard dat verdachte op dinsdagavond opnieuw zei dat ze vond dat [slachtoffer] “gewoon dood moest”. Nadat [betrokkene 4] had gezegd dat verdachte haar dochter daarmee haar vader zou afnemen en zij vroeg wat verdachte zou doen als zij door de politie zou worden aangehouden, zei verdachte dat het dan “janken, janken, janken zou worden of gewoon haar hoofd koel houden”.

[betrokkene 1] heeft in de week na het kort geding vonnis diverse personen benaderd met het verzoek een wapen te leveren of een “gevaarlijke man”. Daarbij wordt onder andere gesproken over “een blaffer met een demper”, “pangpang” en “valse nummerplaten”. Voorts maakt [betrokkene 1] op 19 september 2014 een notitie in de mobiele telefoon die op dat moment bij hem in gebruik is met de inhoud: “[a-straat 1], Enschede [slachtoffer] Turk”.

Op 21 september 2014 wordt in de avond op de mobiele telefoon die op dat moment in gebruik is bij [betrokkene 1] op Google gezocht naar “vermommings masker te koop”.

Op 22 september 2014 tussen 11.00 uur en 15.45 uur heeft [betrokkene 1] de volgende sms’jes naar verdachte gestuurd:

- “stuur eens het nummer van die kutturk ” en

- “in welk casino zit hij schatke als ik het regel is er geen weg trg en moet je beseffen dat als [betrokkene 2] vraagt later achter haar echte vader hoop ik dat je ermee kunt leven eh” en

- “wat ga je haar dan wijsmaken” en

- “wat ga je haar dan wijsmaken” en

- “en we zullen er 9 van de 10 900 euro voor moeten neerleggen heb ik al bij een paar mensen gehoord” en

- “je wilt dan dat ik het regel”

.

Diezelfde dag stuurt verdachte een sms-bericht aan [betrokkene 1] met de inhoud: “Daar weetje zelf het antwoord op maar sms en is niet zo handig nu schat”. Waarop [betrokkene 1] reageert met het bericht: “Oke en dan verwijder je die berichten maar ”.

Op 23 september 2014 zijn [betrokkene 1] en verdachte samen met [betrokkene 4] naar Rotterdam en [plaats] gegaan. In Rotterdam zijn diverse kledingstukken (een donker blauwe trui met lichte letters erop en een lichtgrijze joggingbroek), een zwart petje en donkere schoenen gekocht voor [betrokkene 1]. Verdachte en/of [betrokkene 1] hebben aan [betrokkene 4] laten weten dat zij over de aankoop van deze goederen niet mocht praten met haar vriend [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]). In [plaats] is diezelfde dag een messenset bij de [A] gekocht. Verdachte heeft deze messen contant betaald. In een carnavalswinkel in [plaats] heeft [betrokkene 1] een masker uitgezocht, dat vervolgens door verdachte is afgerekend.

Op 24 september 2014 zijn [betrokkene 1] en verdachte samen naar Enschede gereden in de auto van een vriendin van verdachte - [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) - omdat de auto die in gebruik was bij [betrokkene 1] te veel op zou vallen in verband met de Belgische kentekenplaten. In het Diabelli II-onderzoek is nader onderzoek verricht naar wat er die dag precies is gebeurd in Enschede. Uit het onderzoek naar het navigatiesysteem waar die dag gebruik van werd gemaakt door verdachte en [betrokkene 1] blijkt dat zij niet alleen twee keer langs de voorzijde van de woning van [slachtoffer] zijn gereden, maar dat zij ook langs de achterzijde zijn gereden en daar mogelijk zeer langzaam hebben gereden of kort hebben stilgestaan. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat verdachte en [betrokkene 1] in totaal iets meer dan een uur in Enschede zijn geweest. In die tijd is er een bezoek gebracht aan een telefoonwinkel gevestigd aan de [a-straat] te Enschede en aan de Praxis (van 15.15.48 uur tot en met 15.31.21 uur). In de telefoonwinkel zijn twee Lebara simkaarten gekocht. Bij de Praxis zijn een schroevendraaier, montagetape, een schroefverwijderaar en een liter terpentine gekocht.

Op 25 september 2014 heeft er in de avonduren sms-contact plaatsgevonden tussen de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 1] en de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 7]. Met de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 1] is naar de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 7] ge-sms’t: “kun jij aan een pang pang geraken of gevaarlijke mannen”. Vervolgens is er op de telefoon van [betrokkene 1] een sms-bericht binnengekomen met de tekst: “ja bel is man” en “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik en ken er veel dus bel is makker wat is er aan de hand”. Hierna heeft er tussen deze toestellen een belcontact van 228 seconden plaatsgevonden.

Op 26 september 2014 heeft [betrokkene 1] ’s ochtends bij de [A] onder andere een mes met/in een foedraal gekocht. Uit diverse verklaringen volgt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 7] een groot deel van die dag samen hebben doorgebracht. Verdachte heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 7] omstreeks 13.00 uur/13.30 uur samen in de woning van haar moeder - [betrokkene 3] - in [plaats] gezien. Rond 16.00 uur zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 7] bij [betrokkene 8] geweest. Rond 19.00 uur zijn zij vervolgens samen vertrokken vanaf de woning van verdachte en [betrokkene 3] in [plaats] in de zwarte Volkswagen Golf van de moeder van [betrokkene 1].

Uit onderzoek van de laptop die is aangetroffen in de woning van [betrokkene 3] in [plaats] blijkt dat er op 26 september 2014 omstreeks 13.32 uur via Google Maps is gezocht op “[plaats]” en “Enschede”.

Op 27 september 2016 omstreeks 01.20 uur is [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9]), die woonachtig in dezelfde flat als [slachtoffer], wakker geworden van autoportieren die meerdere keren hard werden dichtgeslagen. [betrokkene 9] heeft aan de achterzijde van de flat, ter hoogte van haar balkon, een zwarte of donkerkleurige Volkswagen Golf hatchback of daarop lijkende auto met haaientand-/haaienvinantenne op het dak en sportvelgen gezien. Er stonden twee jongens of mannen bij de auto die bij de achterbank van de auto bezig waren alsof ze de achterbank opklapten of wat met de voorstoel deden. De mannen waren opvallend nerveus, aldus [betrokkene 9]. Ze keken steeds schichtig om zich heen en keken voorts omhoog naar de flatwoningen. Ze praatten niet met elkaar, maar maakten elkaar dingen duidelijk met hun handen. Op een gegeven moment liepen zij om de flat heen. De ene man was ongeveer 20 jaar oud. Hij droeg donkere kleding, een donker shirt met glitters er op en een zwarte baseballpet. De andere man had een blanke huidskleur. Hij droeg een lichtgekleurde joggingbroek en een lichtgekleurd shirt met lange mouwen. Ook hij droeg een zwarte baseballpet.

Omstreeks 01.15/01.20 uur heeft [betrokkene 10] - die op dat moment zijn hond uitliet - gezien dat er bij de achterzijde van de flat twee, hem onbekende personen, naast een donkerkleurige auto stonden, waarvan het portier aan de passagierszijde openstond. Kort daarop heeft hij de mannen voor de flat aan de [a-straat] in Enschede zien staan, nabij de flat van de hem bekende [slachtoffer]. Hij heeft gehoord dat beide mannen fluisterden. Na ongeveer vijf à zes minuten na terugkomst in zijn woning hoorde hij geschreeuw uit de richting van de voorzijde van de flat. Vanuit zijn slaapkamerraam heeft hij gezien dat de door hem genoemde auto met hoge snelheid en gierende banden vanaf de oprit wegreed in de richting van de [c-straat].

Op 27 september 2014 om 01.44 uur heeft getuige [betrokkene 11] een laatste bericht van [slachtoffer] ontvangen via Facebook. Daarna heeft zij geen bericht meer van hem ontvangen.

In de nacht van 26 op 27 september 2014 heeft [betrokkene 12] - de zus van [slachtoffer] - heel vaak de deurbel horen gaan en heeft zij gehoord dat [slachtoffer] via de intercom sprak met iemand die vroeg wie daar was. Vervolgens heeft zij hem naar zijn slaapkamer horen gaan, waarna de deurbel opnieuw ging en zij hem via de intercom heeft horen praten. [slachtoffer] zei: “Ik ken je niet, ik kom naar beneden”. Ze heeft gehoord dat [slachtoffer] naar beneden liep. Ze is na ongeveer vijf minuten naar beneden gelopen. Toen zij de trap afkwam en richting de toegangsdeur van het portiek keek, zag zij [slachtoffer] met zijn rug rechts tegen de muur. Zij heeft een persoon die zij herkende als de nieuwe vriend van verdachte heel dicht voor [slachtoffer] zien staan. Zij heeft gezien dat die nieuwe vriend breed stond, alsof hij [slachtoffer] wat aan wilde doen. Zij zag aan het gezicht van [slachtoffer] dat hij angstig was. [betrokkene 12] vond de situatie dreigend en was bang. Zij heeft gezien dat een andere man die zij niet kende, de deur openhield. Hij stond half in de deuropening en half in de hal. Deze man stond heel dicht bij de vriend van verdachte. [slachtoffer] heeft naar haar toe bevestigd dat één van die mannen de nieuwe vriend van verdachte was en heeft haar in het Turks gevraagd of zij de politie wilde bellen. Toen zij de trap op rende om de politie te bellen, hoorde zij haar broer schreeuwen en meermalen “au” roepen. Zij is daarop direct naar beneden gerend en zag dat [slachtoffer] buiten op straat in elkaar zakte. Tijdens het verhoor van [betrokkene 12] is aan haar een foto getoond van [betrokkene 1]. Zij heeft de persoon op deze foto herkend als de nieuwe vriend van verdachte, één van de mannen die zij had gezien in het portiek. Tijdens de Foslo-confrontatie bij de politie heeft [betrokkene 12] [betrokkene 7] niet herkend, echter na afloop van deze confrontatie heeft zij verklaard dat de persoon op foto 4 (op deze foto was [betrokkene 7] te zien) veel leek op de persoon die zij in de nacht van 26 op 27 september 2014 in de hal van haar flatwoning heeft gezien en waarover zij heeft verklaard. Tijdens de pro forma behandeling op 25 maart 2015 bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo heeft [betrokkene 12] gezegd [betrokkene 7] te herkennen als de man die zij samen met de nieuwe vriend van verdachte in de nacht van 26 op 27 september 2014 in de hal van haar flatwoning heeft gezien.

[betrokkene 1] heeft bekend dat hij één van de mannen was in de nacht van 26 op 27 september 2014 in het portiek bij de woning van [slachtoffer] in Enschede. [betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] op enig moment heeft vastgepakt.

[betrokkene 13] heeft om 01.51 uur het alarmnummer gebeld, nadat [betrokkene 12] voor zijn auto was gesprongen en hem toeschreeuwde de hulpdiensten te waarschuwen.

Om 01.53 uur heeft de politiemeldkamer aan de politie-eenheid de opdracht gegeven om te rijden naar de [a-straat] in Enschede, omdat zich daar een steekpartij had voorgedaan.

Omstreeks 01.57 uur zijn de eerste hulpdiensten ter plaatse gearriveerd. Door hen werd een hevig bloedende man (het hof begrijpt: [slachtoffer]), deels liggend op een parkeervak en deels op de rijbaan van de [a-straat], ter hoogte van de portiekingang van het flatgebouw [a-straat 1] te Enschede aangetroffen. Omstreeks 02.10 uur werd door een van de medewerkers van de ambulancedienst vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden.

Bij de sectie op het levenloze lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat er sprake was van twee steekwonden: een steekwond links voor aan de borst met daarmee samenhangend een steekkanaal waarin de linkerlong en het hart waren geperforeerd en een steekwond links aan de buik met oppervlakkige perforatie van de buikwand zonder perforatie van de inwendige organen. Arts en patholoog A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekwond links aan de borst. Het steekkanaal van deze verwonding links aan de borst loopt van links naar rechts en iets voetwaarts (bezien vanuit de rugligging van het slachtoffer) en voorwaarts.

[betrokkene 1] en [betrokkene 7] zijn op 27 september 2014 omstreeks 04.00/04.30 uur weer in de woning in [plaats] teruggekeerd. [betrokkene 1] heeft aan verdachte gevraagd of het goed was dat [betrokkene 7] zou blijven slapen. Verdachte heeft hiermee ingestemd, waarna er voor [betrokkene 7] een slaapplek is ingericht op zolder.

Op 27 september 2014 vertrokken [betrokkene 1] en [betrokkene 7] naar België. Om 11.19 uur stuurde [betrokkene 1] een sms-bericht naar verdachte met de tekst: “Schat zijn er al lichtjes gepasseerd daar?”. Diezelfde dag omstreeks 14.20/14.22 uur heeft [betrokkene 1] sms-berichten aan verdachte gestuurd met de tekst: “Schatje kunnen we 250 euro regelen voor [betrokkene 7]” en “Want die vraagt da”. Hierop heeft verdachte om 14.23 uur een sms aan [betrokkene 1] gestuurd met de tekst: “Is goed schatje waar ben jenu?”.

Diezelfde dag omstreeks 17.00 uur zijn [betrokkene 1], verdachte en [betrokkene 7] in [plaats] aangehouden door de politie. Zij zaten alle drie in de hiervoor genoemde zwarte Volkswagen Golf. Deze auto had wielen die voorzien waren van sportvelgen. Op het dak van de auto was een antenne aangebracht in de vorm van een haaientand/haaienvin. Ten tijde van de aanhouding droeg [betrokkene 7] een zwart T-shirt met daarop glinsterende chroomkleurige punten die tezamen een afbeelding vormden.

Door de politie is nader onderzoek verricht naar voornoemde zwarte Volkswagen Golf. In de auto werd onder andere een handschreven briefje aangetroffen met de tekst: “rondhoren voor een blaffer” en “vingerafdrukken vijlen”. In de kofferbak werd in de ruimte voor het reservewiel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.

Op aanwijzen van [betrokkene 1] zijn er diverse goederen aangetroffen. Bij de Parkeerplaats Struik aan de Al zijn twee zwarte baseballpetjes, waarvan één petje met het opschrift ‘Special Forces’, één gele huishoudhandschoen en twee messen in een sloot en in een weiland aangetroffen. Bij de parkeerplaats Varakker aan de A15 zijn in een vuilniszak - die in de boom hing in de bosjes - een mes, een wit masker, een valse Belgische kentekenplaat, een handdoek, een blauwe hoodie met het opschrift ‘Red bridge NYC’, een zwart/wit gebreide (kol)trui, een fles met terpentine en een plastic tas van de Praxis aangetroffen. Bij de Carwash in de gemeente Schelle (in België) zijn in een afvalcontainer in een zwarte vuilniszak onder andere een zwarte joggingbroek met witte strepen op de zijkant, een grijze joggingbroek, een grijs T-shirt, een paar schoenen en sokken, een paar grijze sokken en een verpakking van een Lebara-simkaart aangetroffen. In diezelfde afvalcontainer werd in een stoffen tas een gas-alarmpistool aangetroffen.

Voornoemde goederen zijn door het team Forensische Opsporing onderzocht op onder meer biologische sporen. Deze sporen en sporendragers zijn voor nader onderzoek overgedragen aan het NFI. Door middel van vergelijkend DNA-onderzoek is op de binnenrand van de zwarte baseballpet met het opschrift ‘Special Forces’ (AAHJ4745NL#01) een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene 1] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Op de binnenrand van de andere zwarte baseballpet (AAHF9240NL) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, waar het DNA-profiel van [betrokkene 7] in past, maar waarvan de matchkans niet is berekend. Op de binnenzijde van de zwarte leren handschoenen (AAHJ4744NL#01 en #02) zijn DNA-sporen aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van [betrokkene 1] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Ook de buitenzijde van deze zwarte leren handschoenen is bemonsterd (AAHJ4744N1 #03 tot en met #09). Deze bemonstering bevat celmateriaal van drie personen. De deskundige van het NFI heeft gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en [betrokkene 1] en een willekeurig persoon, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van [betrokkene 1] en twee willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat op de buitenzijde van de zwarte leren handschoenen celmateriaal is aangetroffen van zowel [slachtoffer] als van [betrokkene 1].

Aan de binnenzijde van de aangetroffen gele huishoudhandschoen (AAHJ4748NL#01) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen. De deskundige van het NFI heeft gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en twee onbekende personen, dan wanneer de monstering celmateriaal bevat van drie willekeurige onbekende personen.

Voorts heeft de deskundige gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van de [betrokkene 7] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van drie willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat aan de binnenzijde van de gele huishoudhandschoen celmateriaal is aangetroffen van zowel [betrokkene 7] als van verdachte. Op het lemmet van een van de messen die is aangetroffen op de parkeerplaats Stuik langs de A1 (AABW5351NL#01) is bloed aangetroffen, waaruit een DNA-mengprofiel is verkregen. De deskundige van het NFI heeft hierover gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en een onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van twee willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat het bloed dat is aangetroffen op het lemmet van dit mes DNA-materiaal bevat van zowel [slachtoffer] als minimaal een andere persoon. Op de blauwe hoodie die is aangetroffen in de groenstrook van de parkeerplaats Varakker langs de Al5 is aan de achterzijde bloed aangetroffen. Vanuit de bloedbemonstering (AAHJ4738NU01) is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer], met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Daarnaast is deze blauwe hoodie onderzocht op dragersporen. Zowel vanuit de binnenzijde van de kraag (AAHJ4738NL#02) als vanuit de binnenzijde van het linker manchet (AAHJ4738NL#03) van deze trui is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van [betrokkene 1], met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Op de zwart/wit gebreide trui zijn twee DNA-mengprofielen aangetroffen. De eerste bemonstering (AAHJ4736NL#01) bevat celmateriaal waaruit een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is verkregen dat overeenkomt met de DNA-profielen van [betrokkene 1] en verdachte. De tweede bemonstering (AAHJ4736NL#02) bevat celmateriaal waaruit een DNA-mengprofiel is verkregen van minimaal drie personen dat overeenkomt met de DNA-profielen van [betrokkene 7], [betrokkene 1] en minimaal één onbekende persoon. De matchkansen hiervan zijn niet berekend.

Op de grijze joggingbroek die is aangetroffen bij de Carwash in België is op de tailleband (AAHP5127NL#01) een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomst met dat van [betrokkene 1], met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Op deze broek werden ook diverse bloedgelijkende sporen waargenomen. Vanuit de bloedbemonstering aan de voorzijde van deze broek is ter hoogte van de linker broekzak (AAHP5127NL#02 en AAHP5129NL#01) een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Vanuit de bloedbemonstering in de linker broekzak van deze grijze joggingbroek (AAHP5130#01 en AAHP5131#01) is een DNA-mengprofiel verkregen. Zowel het DNA-profiel van [betrokkene 1] als dat van [slachtoffer] past binnen dit mengprofiel. De matchkans hiervan is niet berekend. Vanuit de tailleband (AAHP5130NU01) van de zwarte joggingbroek die eveneens aldaar is aangetroffen is een DNA-mengprofiel verkregen. De DNA-profielen van [betrokkene 7] en [betrokkene 1] passen binnen dit mengprofiel. De matchkans is hiervan niet berekend.

Daarnaast is bij het onderzoek door de politie in de omgeving van de [a-straat] aan de achterzijde van de flat van [slachtoffer] ter hoogte van de achteruitgang van het portiek een foedraal (van een mes) aangetroffen. Van de randen van dit foedraal (AAGV6560NL#01) werd een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [betrokkene 1], met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

Twee van de aangetroffen messen zijn soortgelijk aan de drie messen die in de keukenla van [betrokkene 3] zijn aangetroffen, terwijl soortgelijke messen in sets van vijf stuks worden verkocht bij de hiervoor genoemde [A]. De [A] verkoopt ook messen in foedraal die soortgelijk zijn aan het bebloede mes dat bij de parkeerplaats Struik langs de A1 is aangetroffen en de foedraal die is aangetroffen achter de flat waar [slachtoffer] woonde.

(...)

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Vaststaat dat in de nacht van 26 op 27 september 2014 [slachtoffer] om het leven is gebracht door hem in de buik en de borst te steken met een mes en dat verdachte niet bij de uitvoering van deze handelingen aanwezig was.

In de week voorafgaand aan het misdrijf en na het bekend worden met de beslissing van de voorzieningenrechter van 18 september 2014 heeft verdachte meermalen en tegen diverse personen gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was, terwijl [betrokkene 1] van dergelijke uitlatingen getuige is geweest en ook heeft bevestigd dat dat beter zou zijn.

Daarnaast blijkt uit sms-contacten tussen verdachte en [betrokkene 1] (in het bijzonder het hiervoor genoemde contact op 22 september 2014) dat er iets met [slachtoffer] moest gebeuren. In dat kader wijst het hof erop dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft horen zeggen “dat het voor het weekend moest gebeuren”.

Vervolgens heeft [betrokkene 1] bij diverse personen gevraagd om wapen(s) en/of “gevaarlijke mannen”. Zo heeft op 25 september 2014 er in de avonduren sms-contact plaatsgevonden tussen de telefoon die in gebruik was bij hem en de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 7]. Met de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 1] is naar de telefoon die in gebruik was bij [betrokkene 7] ge-sms’t: “kun jij aan een pang pang geraken of gevaarlijke mannen”. Vervolgens is er op de telefoon van [betrokkene 1] een sms-bericht binnengekomen van het door [betrokkene 7] gebruikte toestel met de tekst: “ja bel is man ” en “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik en ken er veel dus bel is makker wat is er aan de hand”. Hierna heeft er tussen deze toestellen een belcontact van 228 seconden plaatsgevonden.

Op 23 september 2014 heeft verdachte tezamen met [betrokkene 1] (en [betrokkene 4]) in Rotterdam en [plaats] goederen aangeschaft zoals hiervoor onder feiten en omstandigheden is vermeld, terwijl vast is komen te staan dat die goederen (of een deel ervan) bestemd waren voor de uitvoering van het tegen [slachtoffer] te gebruiken geweld en ook is gebruikt of meegenomen met dat doel. Tegen [betrokkene 4] is gezegd dat zij niet met haar vriend [betrokkene 5] mocht praten over de aanschaf van deze goederen. Verdachte is bevraagd tijdens het onderzoek naar de reden voor de aanschaf van deze goederen. De door de verdachte gegeven verklaring waarom de kledingstukken zijn aangeschaft (namelijk in verband met sportactiviteiten met [betrokkene 5]) vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier en is dan ook niet geloofwaardig. Ook de door verdachte gegeven (wisselende) verklaringen voor de aankoop van de messenset bij de [A] vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier, nu zich in het dossier verklaringen bevinden die de door verdachte gegeven verklaringen op dit punt tegenspreken. De door verdachte gegeven verklaring voor de aanschaf van het masker (namelijk dat zij dit masker had gekocht omdat zij ter gelegenheid van haar verjaardag naar Halloween Frightnight zou gaan in Walibi) is naar het oordeel van het hof eveneens niet aannemelijk geworden.

Op 24 september 2014 is verdachte tezamen met [betrokkene 1] in een onopvallende auto naar Enschede afgereisd, waarbij de (omgeving van de) woning van [slachtoffer] is bekeken. Het hof wijst in dat verband op de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende dat verdachte de woning van [slachtoffer] aanwees en dat zij vertelde hoe je daar binnen kon komen. Deze verklaring vindt steun in de uitkomsten van het Diabelli II-onderzoek met betrekking tot het gebruikte navigatiesysteem en de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij het hof op 26 november 2018 inhoudende dat zij inderdaad op die datum met [betrokkene 1] in Enschede is geweest en dat zij zowel langs de voor- als de achterzijde van de woning van [slachtoffer] zijn gereden en die woning ook daadwerkelijk hebben bekeken. De eveneens ter terechtzitting bij het hof van 26 november 2018 gegeven verklaring door verdachte dat zij op 24 september 2014 naar Enschede gingen om naar huizen te kijken, doet naar het oordeel van het hof - wat er ook zij van (de aannemelijkheid van) die verklaring - niet af aan het hiervoor genoemde.

Op 26 september 2014 is verdachte in de woning van [betrokkene 3] aanwezig als [betrokkene 1] en [betrokkene 7] tezamen vertrekken naar Enschede. Verdachte heeft tijdens de verhoren bij de politie in eerste instantie verklaard dat [betrokkene 1] die hele avond en nacht bij haar was en heeft [betrokkene 1] daarmee een vals alibi verschaft. Pas in een latere fase van het onderzoek heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 1] en [betrokkene 7] rond 04.00 uur weer in de woning van [betrokkene 3] aanwezig waren en er - nadat [betrokkene 1] had gevraagd of [betrokkene 7] mocht blijven slapen - mede met haar hulp een slaapplek voor [betrokkene 7] is ingericht op zolder.

Op 27 september 2014 heeft [betrokkene 1] de sms-berichten “Schatje kunnen we 250 euro regelen voor [betrokkene 7]” en “Want die vraagt da” aan de verdachte gestuurd, waarop laatgenoemde heeft gereageerd met het bericht “Is goed schatje waar ben je nu?” Naar het oordeel van het hof kunnen deze berichten bij het ontbreken van enige andere aannemelijke verklaring voor deze betaling niet anders worden uitgelegd dan verband houdend met het tenlastegelegde.

Op grond van het voorgaande - in het bijzonder ook de wijze waarop de handelingen elkaar hebben opgevolgd en/of met elkaar in verband staan - is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de uiteindelijke levensberoving, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het zwaartepunt van de door de verdachte geleverde bijdrage ligt naar het oordeel van het hof in haar initiërende rol, haar intellectuele bijdrage, die als wezenlijk dient te worden aangemerkt. Zij is degene die [slachtoffer] dood wilde hebben. Zij heeft meermalen hardop en in het bijzijn van onder meer [betrokkene 1] [slachtoffer] dood gewenst. Uiteindelijk heeft zij [betrokkene 1] daarvoor ingeschakeld. Dat blijkt onder meer uit de sms-wisselingen tussen verdachte en [betrokkene 1] van 22 september 2014. Zij is bij de voorbereiding van de dood van [slachtoffer] nauw betrokken geweest: zij was (op 23 september 2014) aanwezig bij het aanschaffen van kleding die [betrokkene 1] tijdens het delict moest dragen en zij heeft toen zelf een masker en een messenset gekocht. Dat niet alle goederen die zijn aangeschaft ook daadwerkelijk zijn gebruikt bij de uitvoering, doet aan dit onderdeel niet af, te meer niet nu gebleken is dat een deel van de niet gebruikte goederen wel is meegenomen naar Enschede en op de terugweg naar [plaats] (of later in België) is weggegooid. Zij is een dag na het aanschaffen van de spullen samen met [betrokkene 1] naar Enschede gereden en heeft hem toen de woning van [slachtoffer] getoond en uitgelegd hoe hij binnen kon komen. Na terugkeer van [betrokkene 1] en [betrokkene 7] heeft zij hen onderdak geboden en later aanvankelijk gelogen om [betrokkene 1] en [betrokkene 7] een alibi te geven. Zij heeft later ingestemd met een betaling aan [betrokkene 7], naar moet worden aangenomen, bij gebreke van enige aannemelijke andere verklaring, voor verleende diensten. Nadat [betrokkene 1] en [betrokkene 7] naar Enschede waren vertrokken, heeft zij zich niet van het plan gedistantieerd: zij heeft ervan af gezien [slachtoffer] (of de politie) telefonisch te waarschuwen voor wat stond te gebeuren, terwijl zij dat wel had kunnen doen. Zij was ook degene die - in haar eigen beleving - van zijn dood zou profiteren, doordat haar verhuisplicht op grond van het kortgedingvonnis dan zou komen te vervallen. Dit alles overziend is het hof van oordeel dat verdachte met haar handelen een aanzienlijke intellectuele rol als medepleger heeft vervuld, naast een niet onaanzienlijke rol als feitelijk uitvoerder van voorbereidingshandelingen, en dat daarom heeft te gelden dat sprake is van zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen haar en [betrokkene 1] dat sprake is van medeplegen.”

2.3

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.)

In de bewezenverklaring naar aanleiding van een op medeplegen toegespitste tenlastelegging hoeft niet te worden vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader of mededaders hebben verricht (vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). Aan de bewezenverklaring van het medeplegen staat niet in de weg de enkele omstandigheid dat naast de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde persoon of personen, ook nog een andere persoon of andere personen betrokken zijn geweest bij het strafbare feit.

2.4

Het hof heeft in de bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen door de verdachte bewezen is. Het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking door de verdachte, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een initiërende rol heeft gehad en tegen diverse personen heeft gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn, uit sms-contacten tussen de verdachte en [betrokkene 1] blijkt dat er iets met [slachtoffer] moest gebeuren, de verdachte samen met onder andere [betrokkene 1] goederen heeft aangeschaft waarvan een gedeelte bestemd was voor de uitvoering van het tegen [slachtoffer] te gebruiken geweld, en de verdachte [betrokkene 1] bij de woning van [slachtoffer] heeft uitgelegd hoe hij binnen kon komen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] en [betrokkene 7] op de avond van de moord samen naar Enschede gingen, zij na de uitvoering van de moord onderdak heeft geboden aan [betrokkene 1] en [betrokkene 7] en zij heeft ingestemd met een betaling aan [betrokkene 7]. Het derde cassatiemiddel faalt daarom.

2.5

Aan het vorenstaande doet, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld en anders dan het vierde cassatiemiddel betoogt, niet af de enkele omstandigheid dat blijkens de bewezenverklaring de verdachte de moord tezamen en in vereniging “met een ander” heeft begaan, terwijl uit de bewijsvoering van het hof volgt dat bij de uitvoering van die moord niet alleen [betrokkene 1] maar ook [betrokkene 7] betrokken was, zonder dat het hof heeft vastgesteld wie van hen de dodelijke messteek heeft toegebracht. Uit de bewijsvoering van het hof volgt immers dat, ongeacht wie van hen de dodelijke messteek heeft toegebracht, de verdachte met haar onder 2.4 genoemde gedragingen een bijdrage van voldoende gewicht aan de moord op [slachtoffer] heeft geleverd. Ook het vierde cassatiemiddel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het eerste, het tweede en het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren.

5 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

5.1

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.

5.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- vermindert de duur van de gevangenisstraf in die zin dat deze twaalf jaren en tien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2020.