Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1601

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
20/01970
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:782, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet zorg en dwang (Wzd). Machtiging tot voortgezet verblijf (art. 24 Wzd). Verzoek ingediend na verstrijken geldigheidsduur voorafgaande machtiging. Gevolgen voor geldigheidsduur machtiging. Ziekte van Huntington; anticipatie op vermelding als gelijkgestelde aandoening (art. 1 lid 4 Wzd) in Besluit zorg en dwang; vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1289 en ECLI:NL:HR:2020:1309 (Korsakov).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2423
RvdW 2020/1080
NJ 2020/400 met annotatie van J. Legemaate
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01970

Datum 9 oktober 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
verblijvende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: G.E.M. Later,

tegen

CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: het CIZ,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/300736/FA RK 20-1376 van de rechtbank Noord-Holland van 1 april 2020.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin een machtiging tot opname en verblijf is verleend tot en met 1 oktober 2020 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad door de machtiging te verlenen tot en met 17 augustus 2020.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak is aan de orde of een verzoek tot het verlenen van een machtiging als bedoeld in art. 24 Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd) kan worden toegewezen indien dat verzoek is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging en, indien dit het geval is, of dat gevolgen heeft voor de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging.

Daarnaast is aan de orde of de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek mocht anticiperen op de (toen nog) voorgenomen vermelding van de ziekte van Huntington als gelijkgestelde aandoening als bedoeld in art. 1 lid 4 Wzd, in het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Bzd).

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 6 januari 2020 heeft de rechtbank op de voet van art. 37 Wzd een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene tot en met 17 februari 2020.

(ii) Betrokkene lijdt aan de ziekte van Huntington.

2.3.1

Op 12 maart 2020 heeft het CIZ op de voet van art. 24 lid 1 Wzd verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een geregistreerde accommodatie.

2.3.2

Op 1 april 2020 is het verzoek mondeling behandeld. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt – voor zover in cassatie van belang – het volgende:

“[Advocaat betrokkene]: Primair stel ik mij op het standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het gaat om een zorgmachtiging na voortzetting inbewaringstelling. Deze liep op 17 februari af, terwijl het verzoek om een rechterlijke machtiging is ingediend na afloop van die termijn. Het verzoek is derhalve te laat ingediend, het had voor 3 februari moeten worden ingediend. (…)”

2.3.3

Bij mondelinge beschikking van 1 april 2020 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van zes maanden, tot en met uiterlijk 1 oktober 2020.

2.3.4

De rechtbank heeft in de schriftelijke uitwerking van de beschikking, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.1. De stellingen van de advocaat dat – wegens termijnoverschrijding – het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard (…) worden gepasseerd. Redengevend daartoe is dat uit het verzoek en het behandelde ter zitting is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 24 Wzd. De omstandigheid dat het CIZ het verzoek te laat ter hand heeft genomen en daardoor te laat bij de rechtbank heeft ingediend, waardoor er geen sprake meer is van aansluiting op de machtiging voortzetting inbewaringstelling, doet hier niet aan af, nu ook dan is voldaan aan de criteria voor opname en verblijf zoals opgenomen in de Wet zorg en dwang. (…).”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel II van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend tot en met 1 oktober 2020. Het onderdeel voert aan dat het CIZ te laat om een machtiging heeft verzocht en dat betrokkene in de periode 18 februari 2020 tot 1 april 2020 tegen haar wil en onrechtmatig van haar vrijheid beroofd is geweest. Volgens het onderdeel had de rechtbank de geldigheidsduur van de machtiging moeten bekorten met de periode waarin betrokkene onrechtmatig van haar vrijheid was beroofd.

3.1.2

Op grond van art. 24 lid 1 Wzd is onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van de betrokkene alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging. De in art. 25 lid 1 Wzd genoemde personen kunnen het CIZ vragen een verzoek om een rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 24 lid 1 Wzd in te dienen.

3.1.3

Indien de betrokkene al op grond van een machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling in een accommodatie verblijft, zoals in dit geval, wordt de aanvraag bij het CIZ gedaan in de vierde week voor het einde van de geldigheidsduur van deze machtiging (art. 25 lid 3, tweede volzin, Wzd). Binnen één week na de dag van verzending van de aanvraag bedoeld in art. 25 lid 1 Wzd, doet het CIZ het verzoek tot het verlenen van een machtiging bij de rechter (art. 26 lid 1, tweede volzin, Wzd). De rechter beslist in elk geval binnen drie weken na de datum van de indiening van het verzoekschrift (art. 39 lid 1, tweede volzin, Wzd).

3.1.4

Op grond van art. 48 lid 1, aanhef en onder b, Wzd verleent de zorgaanbieder ambtshalve of op verzoek van of namens de betrokkene ontslag uit de accommodatie, indien de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging, dan wel van de beschikking tot inbewaringstelling is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende machtiging. In dat geval verleent de zorgaanbieder ontslag zodra op het verzoek afwijzend is beslist, of de termijn voor het geven van een beslissing is verstreken.

3.1.5

Art. 48 lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz (oud) bevatte een vergelijkbare bepaling. De Hoge Raad heeft ten aanzien van deze bepaling in verbinding met art. 31 lid 2 Wet Bopz (oud) geoordeeld dat, indien het verzoek tot het verlenen van een machtiging is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging, de termijnoverschrijding niet eraan in de weg staat dat de machtiging alsnog wordt verleend, mits aan de voor verlening van de machtiging geldende voorwaarden wordt voldaan. In dat geval dient de rechter, gelet op het door de wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene, de termijnoverschrijding in mindering te brengen op de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging.1

De wetgever heeft met art. 48 lid 1 Wzd willen aansluiten bij de regeling van art. 48 lid 1 Wet Bopz (oud).2 De zojuist genoemde rechtspraak heeft dan ook haar gelding behouden.

3.1.6

In dit geval was de geldigheidsduur van de machtiging tot verlenging van de inbewaringstelling verstreken op 18 februari 2020 (zie hiervoor in 2.2 onder (i)). Het verzoekschrift tot het verlenen van de machtiging tot voortgezet verblijf is op 12 maart 2020 en aldus buiten de daarvoor geldende termijn ingediend (zie hiervoor in 2.3.1 en 3.1.3). Dit betekent dat betrokkene in de periode van 18 februari 2020 tot 12 maart 2020 zonder de vereiste rechterlijke machtiging in de accommodatie opgenomen is geweest.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.5 is overwogen, stond de termijnoverschrijding niet aan verlening van de verzochte machtiging in de weg, maar diende de rechtbank wel de duur van de periode dat betrokkene zonder rechterlijke machtiging in de accommodatie verbleef op de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf in mindering te brengen.

De klacht is derhalve gegrond.

3.2.1

Onderdeel III stelt aan de orde of de rechtbank bij het verlenen van de machtiging mocht anticiperen op de (toen nog) voorgenomen vermelding in het Bzd van de ziekte van Huntington als gelijkgestelde aandoening als bedoeld in art. 1 lid 4 Wzd. Volgens het onderdeel had de rechtbank geen machtiging op grond van de Wzd mogen verlenen nu daarvoor (nog) geen wettelijke grondslag bestond.

3.2.2

Het onderdeel faalt. In cassatie is niet bestreden dat betrokkene lijdt aan de ziekte van Huntington. Deze ziekte is met ingang van 1 mei 2020 aangemerkt als gelijkgestelde aandoening als bedoeld in art. 1 lid 4 Wzd.3 In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat de ziekte zich bij betrokkene zodanig presenteert dat is voldaan aan de voorwaarden van art. 1 lid 4 Wzd. Het stond de rechtbank daarom vrij te anticiperen op de aangekondigde gelijkstelling van de ziekte van Huntington in het Bzd en de verzochte machtiging te verlenen.4

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.4

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen op de wijze als hierna is vermeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 1 april 2020,

maar alleen wat betreft de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf;

- bepaalt dat de door de rechtbank verleende machtiging tot voortgezet verblijf heeft gegolden tot en met 17 augustus 2020.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.H. Sieburgh op 9 oktober 2020.

1 Vgl. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, met verwijzing naar eerdere rechtspraak.

2 Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 73

3 Besluit van 20 april 2020, Stb. 2020, 129, houdende wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het aanwijzen van ziekten en aandoeningen die gelijkgesteld worden met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

4 Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1289 en HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1309.