Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1503

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
19/03616
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1367
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2254
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; Art. 13, lid 1 en 6, Wet Vpb 1969; Deelnemingsvrijstelling; Rente over een earn-outvergoeding en een antispeculatievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2020
V-N Vandaag 2020/2265
FutD 2020-2731 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/47.11 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2779 met annotatie van
NLF 2020/2119 met annotatie van Isabella de Groot
BNB 2020/169 met annotatie van P.G.H. ALBERT
FED 2020/150 met annotatie van M. Knops
Belastingadvies 2021/5.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03616

Datum 25 september 2020

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2019, nrs. 18/00358 en 18/00359, op de hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/500 en BRE 17/501) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2013 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2014 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 21a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 december 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende en een derde (hierna: de koper) hielden, ieder voor de helft, alle aandelen in een besloten vennootschap (hierna: de vennootschap).

2.1.2

Op 22 juni 2006 heeft belanghebbende haar aandelen in de vennootschap aan de koper verkocht voor een vast bedrag van € 2.500.000 vermeerderd met een variabel bedrag dat afhankelijk is van de winst van de vennootschap over de boekjaren 2006 en 2007 (hierna: de earn-outvergoeding). De verkoop is schriftelijk vastgelegd in de “Overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen”. In die overeenkomst is bepaald dat over een niet-betaald deel van de koopprijs rente is verschuldigd.

2.1.3

Belanghebbende en de koper waren op grond van de aandeelhoudersovereenkomst die zij in 2004 met elkaar hadden gesloten, gebonden aan een anti-speculatiebeding voor het geval een van beide aandeelhouders aandelen in de vennootschap zou verwerven van de andere aandeelhouder, en hij deze aandelen binnen vijf jaren zou vervreemden aan een derde (hierna: het anti-speculatiebeding). Op grond van het anti-speculatiebeding diende de eerstbedoelde aandeelhouder een deel van de bij vervreemding van de aandelen behaalde winst aan de andere aandeelhouder te vergoeden.

2.1.4

De koper heeft op 16 januari 2008 alle aandelen in de vennootschap aan een derde verkocht voor € 8.500.000.

2.1.5

Tussen belanghebbende en de koper is een civiele procedure gevoerd over de hoogte van de earn-outvergoeding voor het jaar 2007 en over de vergoeding op grond van het anti-speculatiebeding (hierna: de anti-speculatievergoeding). De civiele rechter heeft beslist dat belanghebbende recht had op betaling door de koper van een earn-outvergoeding voor 2007 van € 852.640, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 10 juli 2008 tot aan de dag van betaling, en dat de koper aan belanghebbende een anti-speculatievergoeding van € 465.809,20 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 januari 2008 tot aan de dag van betaling.

2.1.6

Belanghebbende heeft in 2013 over de earn-outvergoeding van de koper een bedrag aan rente ontvangen (hierna: de contractuele rente). De contractuele rente heeft betrekking op de periode 10 juli 2008 tot de dag van betaling. Dit een en ander is in overeenstemming met de hiervoor in 2.1.2 vermelde overeenkomst.

2.1.7

Belanghebbende heeft in 2014 over de anti-speculatievergoeding van de koper een bedrag aan wettelijke rente ontvangen. Die wettelijke rente is in overeenstemming met de beslissing van de civiele rechter berekend.

2.2.1

Voor het Hof was in geschil of de deelnemingsvrijstelling zoals geregeld in artikel 13, lid 1 en lid 6, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst sinds 1 januari 2007; hierna: de Wet) van toepassing is op de contractuele rente en de wettelijke rente. Niet in geschil is dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de earn-outvergoeding en de anti-speculatievergoeding.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat zowel de contractuele rente als de wettelijke rente het karakter heeft van rentevergoeding vanwege te late betaling door de koper, en dat deze rentevergoedingen geen deel uitmaken van de prijs van de aandelen. Volgens het Hof kunnen die rentevergoedingen dan niet worden aangemerkt als voordelen uit hoofde van een deelneming. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat de rentevergoedingen geen relatie hebben met de winst van de vennootschap anders dan dat de prijs die voor haar aandelen is verschuldigd voor de berekening van de rentevergoedingen een grondslag vormt naast de na de uiterste betaaldatum verstreken tijd.

2.3

De klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Zij betogen onder meer dat het Hof heeft miskend dat voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling zowel de earn-outvergoeding en de contractuele rente daarover, als de anti-speculatievergoeding en de wettelijke rente daarover elk één geheel vormen en dat de deelnemingsvrijstelling daarom van toepassing is op zowel de contractuele rente als de wettelijke rente. De klachten betogen verder dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom belanghebbende vanaf 10 juli 2008 respectievelijk 30 januari 2008 rentedragende vorderingen had op de koper.

2.4

Bij de behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

2.4.1

Indien een (gedeelte van een) deelneming is vervreemd of verkregen tegen een prijs die geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, behoren volgens artikel 13, lid 6, eerste volzin, van de Wet bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting, tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wijst uit dat de wetgever met de regeling heeft beoogd de waardeontwikkeling van het als tegenprestatie verkregen recht onder de deelnemingsvrijstelling te brengen teneinde te voorkomen dat koper en verkoper bij de waardering van dat recht van een verschillende schatting uitgaan, met langdurige discussies met de inspecteur tot gevolg.2

2.4.2

Uit de bewoordingen van artikel 13, lid 6, van de Wet en uit de hiervoor in 2.4.1 bedoelde totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling volgt dat het daarin gehanteerde begrip ‘prijs’ moet worden opgevat als: hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt. Deze uitleg strookt met de doelstelling van de wetgever om waarderingsverschillen te voorkomen in gevallen waarin de totale omvang van de tegenprestatie op voorhand onzeker is.3Tot die tegenprestatie behoren alle ter zake van de vervreemding overeengekomen vergoedingen, met inbegrip van een eventueel daarin begrepen bedrag dat als rente zou kunnen worden aangemerkt.4

2.5.1

Het oordeel van het Hof dat de contractuele rente over de earn-outvergoeding niet deel uitmaakt van de prijs van de aandelen in de vennootschap omdat deze rente het gevolg is van de te late betaling door de koper, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dit oordeel van het Hof, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De klachten falen daarom voor zover zij zich richten tegen dit oordeel.

2.5.2

Voor de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding geldt het volgende. Door de werking van het anti-speculatiebeding is het belang bij de door de koper van belanghebbende verworven aandelen in de vennootschap opgesplitst.5 De anti-speculatievergoeding valt niet onder de reikwijdte van artikel 13, lid 6, van de Wet; zij valt rechtstreeks onder de reikwijdte van artikel 13, lid 1. Voor de vraag of de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding onder de deelnemingsvrijstelling valt, is daarom beslissend of ook deze rente kan worden aangemerkt als een voordeel uit een (opgesplitst belang bij een) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet.6

2.5.3

In het oordeel van het Hof dat de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding niet deel uitmaakt van de prijs van de aandelen in de vennootschap omdat deze rente het gevolg is van de te late betaling door de koper, ligt als zijn oordeel besloten dat de wettelijke rente niet is aan te merken als voordeel uit hoofde van een (opgesplitst belang bij een) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dit oordeel van het Hof, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De klachten falen daarom ook voor zover zij zich richten tegen dit oordeel.

2.5.4

De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2019:1367.

2 Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, blz. 12.

3 Zie HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1019, rechtsoverweging 2.4.2.

4 Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0731.

5 Vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0841, rechtsoverweging 3.4.2.

6 Vgl. HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8488.