Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1448

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
19/03974
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:438
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:2424
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 3.111, lid 1 en lid 7, art. 3.113 Wet IB 2001. Eigenwoningregeling. Tijdelijke verhuur van aanhorigheid bij eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-09-2020
V-N Vandaag 2020/2200
FutD 2020-2650 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/45.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2733 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
NLF 2020/2059 met annotatie van Jelle van den Berg
NJB 2020/2320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03974

Datum 18 september 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 juli 2019, nr. 18/00398, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/4535) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 1 mei 2020 geconcludeerd tot onder meer gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:438).

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende is, samen met haar echtgenoot, eigenaar en bewoner van een woning in [Z]. De woning is een eigen woning als bedoeld in Afdeling 3.6 van de Wet IB 2001. De woning bestaat uit het woonpand en een schuur annex tuinhuis (hierna: tuinhuis). Het tuinhuis is in 2015 gedurende 21 dagen verhuurd. De huuropbrengst was € 3.564.

2.1.2

In de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van belanghebbende en haar echtgenoot voor het jaar 2015 zijn de inkomsten uit eigen woning volledig aan belanghebbende toegerekend. Tot die inkomsten is niet gerekend de huuropbrengst van het tuinhuis. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV de aangiften gevolgd.
Bij de navorderingsaanslag is het inkomen uit werk en woning verhoogd met 70 procent van de huuropbrengst.

2.2.1

Voor het Hof was in geschil of de huuropbrengst belast kan worden op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat het tuinhuis, hoewel het een aanhorigheid is van de eigen woning, niet tot die eigen woning kan worden gerekend omdat het door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf (tezamen met de woning) aan belanghebbende ter beschikking staat. Afdeling 3.6 Wet IB 2001 is daarom niet op het tuinhuis van toepassing en dus evenmin artikel 3.113 Wet IB 2001. Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen, aldus het Hof.

2.3

De middelen zijn gericht tegen de in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Betoogd wordt dat het tuinhuis moet worden aangemerkt als deel van de eigen woning en dat de huurinkomsten in de navorderingsaanslag terecht zijn belast op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001.

2.4.1

In artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 is – voor zover van belang – bepaald dat onder eigen woning wordt verstaan een gebouw, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.
In deze zaak is niet in geschil dat het tuinhuis een aanhorigheid is bij de woning. Dat behoort dus tot de eigen woning als bedoeld in deze bepaling.

2.4.2

Artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 bepaalt dat het tijdelijk ter beschikking stellen van de woning aan derden daaraan niet het karakter van hoofdverblijf ontneemt. Omtrent die bepaling is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt:

Het vierde lid regelt dat een woning die door de belastingplichtige tijdelijk aan derden ter beschikking is gesteld, bijvoorbeeld tijdens een vakantie, toch als eigen woning voor de belastingplichtige wordt aangemerkt door aan die woning het karakter van hoofdverblijf gedurende die periode niet te ontnemen.1

2.4.3

Aan die intentie van de wetgever om geen gevolgen voor de toepassing van de eigenwoningregeling te verbinden aan de tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning aan derden, zou onvoldoende recht worden gedaan indien zou worden aanvaard dat de tijdelijke terbeschikkingstelling van een gedeelte van of aanhorigheid bij een eigen woning aan derden tot een ander gevolg zou leiden dan de tijdelijke terbeschikkingstelling van de gehele woning. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning of een gedeelte van, dan wel aanhorigheid bij, een eigen woning aan die woning niet het karakter van eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 ontneemt. Voor die gehele woning blijft in die perioden gelden dat zij geacht wordt anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan aan de belastingplichtige of aan tot diens huishouding behorende personen. Het oordeel van het Hof dat het tuinhuis door de tijdelijke verhuur slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan belanghebbende ter beschikking stond en dat Afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 niet op dat tuinhuis van toepassing is, berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting.

2.4.4

Artikel 3.113 Wet IB 2001 bepaalt dat met betrekking tot de eigen woning die tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden, het ingevolge artikel 3.112 Wet IB 2001 als voordelen uit eigen woning in aanmerking te nemen bedrag wordt vermeerderd met 70 procent van de voordelen ter zake van het ter beschikking stellen. Omtrent deze bepaling is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt:

Dit artikel bevat de regeling voor tijdelijke verhuur van de eigen woning van artikel 42a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De regeling is van belang voor woningen die normaliter hoofdverblijf zijn maar bijvoorbeeld door verblijf in het buitenland dan wel tijdens de vakantie tijdelijk aan derden, zijn verhuurd.2

2.4.5

Zowel artikel 3.113 Wet IB 2001 als artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 betreft volgens de tekst expliciet en uitsluitend de gevolgen van het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning aan derden. De bewoordingen van beide bepalingen en de toelichtingen daarop in de parlementaire geschiedenis komen grotendeels overeen. Op grond van een en ander moet worden aangenomen dat de wetgever heeft beoogd dat zij beide zoveel mogelijk in dezelfde gevallen van toepassing zijn. Hetgeen in rechtsoverweging 2.4.3 is geoordeeld omtrent de gevolgen van tijdelijke verhuur van het tuinhuis brengt dan mee dat ook artikel 3.113 Wet IB 2001 op die verhuur van toepassing is zodat terecht 70 procent van de huurinkomsten tot het inkomen uit werk en woning is gerekend. De middelen slagen.

2.5.1

Belanghebbende heeft bij het Hof nog een beroep gedaan op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur (vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel) doordat (a) de website van de Belastingdienst omtrent verhuur van een gedeelte van een eigen woning niet wijst op de bepaling van artikel 3.113 Wet IB 2001 maar uitsluitend op de kamerverhuurvrijstelling (artikel 3.114 Wet IB 2001) en (b) de Staatssecretaris zich heeft neergelegd bij een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2016 omtrent de gevolgen van verhuur van een gedeelte van een woning als bed & breakfast3.

2.5.2

Het Hof is aan die stellingen niet toegekomen. De Hoge Raad ziet geen reden om de zaak voor behandeling van deze stellingen te verwijzen. Die stellingen kunnen namelijk in geen geval slagen op grond van het volgende. De bedoelde informatie van de website van de Belastingdienst noch de omstandigheid dat de Staatssecretaris zich heeft neergelegd bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch kan het oordeel dragen dat de Staatssecretaris als uitvoerder van de belastingwet een toezegging heeft gedaan waaraan belanghebbende enig vertrouwen zou kunnen ontlenen omtrent de behandeling van de tijdelijke verhuur van het tuinhuis. Evenmin kan die informatie of die omstandigheid het oordeel dragen dat sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen vanuit een oogmerk van begunstiging, begunstigend beleid of schending van de zogenoemde meerderheidsregel. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

2.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank moeten worden vernietigd en dat de uitspraak op bezwaar moet worden bevestigd.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020.

1 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 146.

2 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 147.

3 ECLI:NL:GHSHE:2016:4603.