Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1435

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
20/00366
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/00366

Datum 18 september 2020

ARREST

in de zaak van

[X 1] en [X 2] te [Z] (hierna: belanghebbenden)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCI√čN

op het verzoek van belanghebbenden tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 januari 2020, nr. 19/04478, ECLI:NL:HR:2020:103.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

Belanghebbenden hebben ter zake van betaling van het voor het herzieningsverzoek verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij aangetekende brief van 3 maart 2020 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbenden opgegeven adres. Belanghebbenden hebben de hiervoor vermelde verklaring niet aan de Hoge Raad geretourneerd.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij aangetekende brief van 18 april 2020 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbenden opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij brief van 22 mei 2020 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbenden in hun brief van 23 mei 2020 aanvoeren, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbenden niet in verzuim zijn geweest.

Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020.