Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
18/05382
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:610
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal met geweld op station in Den Haag door lopend en per tram aangeefster te volgen en te proberen haar tas te stelen en daarbij in haar billen te knijpen en haar kruis te betasten, art. 312.1 Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in aanwezigheid van verdachte op of nabij plaats delict? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft naast verklaringen van aangeefster over o.m. uiterlijk, kleding en rugzak van degene die (kort nadat zij uit tram was gestapt) achter haar liep en haar heeft geprobeerd te beroven, o.m. voor bewijs gebruikt camerabeelden waarop te zien is dat man, die aan door aangeefster opgegeven signalement voldeed en nadien door haar is herkend als degene die haar heeft geprobeerd te beroven, zich op station in nabijheid van aangeefster bevond, dezelfde route als aangeefster heeft gelopen en dezelfde tram heeft genomen; verklaring van verdachte dat hij zichzelf op deze camerabeelden heeft herkend en dat hij op betreffende dag donkere rugzak droeg; en resultaten van onderzoek van OV-kaart van verdachte waaruit blijkt dat hij bij dezelfde halte als aangeefster is uitgestapt. Gelet op één en ander kan niet worden gezegd dat voor bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in overig bewijsmateriaal. Van schending van art. 342.2 Sv is daarom geen sprake. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05382

Datum 15 september 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2018, nummer 22-005043-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te

’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 04 januari 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een handtas, toebehorende aan [slachtoffer] , tegen die [slachtoffer] , welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

- die [slachtoffer] achterna is gelopen en

- die [slachtoffer] (vervolgens) onverhoeds in de billen heeft geknepen en

- die [slachtoffer] (vervolgens) onverhoeds heeft betast (onder haar rok) in haar kruis en

- (vervolgens) onverhoeds de handtas van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen en

- (vervolgens) die handtas van die [slachtoffer] heeft vastgehouden,

terwijl die uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat de aangifte geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ook zijn er volgens de raadsvrouw vraagtekens te stellen bij de betrouwbaarheid van het door aangeefster opgegeven signalement van de dader.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien stelt het hof het navolgende vast.

Op 4 januari 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en een poging tot diefstal met geweld op 4 januari 2016.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op de bewuste avond om 19:15 uur naar haar huis liep. In de [a-straat] te Den Haag, vlakbij haar woning, hoorde zij dat iemand achter haar liep.

Vervolgens voelde [slachtoffer] dat iemand in haar billen kneep en dat een hand onder haar rok naar voren gleed in haar kruis. Vanwege de schrik draaide zij zich om en zag een onbekende man tegenover zich staan. De man greep toen naar haar handtas. Daarop heeft [slachtoffer] de man tegen het bovenbeen geschopt en heeft de man de handtas los gelaten. Kort na het incident heeft zij hiervan melding gemaakt via het noodnummer 112. In de 112 melding heeft zij de man omschreven als: een donkere man, ongeveer 28-30 jaar oud, met kaal geschoren haar, een halflange donkere jas en een donkerblauwe of zwarte rugzak. In haar aangifte heeft zij het volgende signalement van de man gegeven: 1.70 meter lang, ongeveer 28 jaar oud, getint uiterlijk, half lange jas, donker van kleur en een donkere rugzak.

Op 5 januari 2016 heeft [slachtoffer] aanvullend verklaard dat zij op 4 januari 2016 met de Sprinter vanuit Delft naar Den Haag Centraal Station is gereisd en dat zij om 18:45 uur op het station arriveerde. Vervolgens is zij met tram 6 verder gereisd en uitgestapt bij de halte [b-straat] . Zij heeft in die verklaring verder aangegeven dat zij dacht dat de man een Pakistaans uiterlijk had.

HTM en Pro Rail hebben beelden ter beschikking gesteld van de bewuste locaties op station Den Haag Centraal. Op deze beelden is [slachtoffer] te zien en in haar nabijheid is een man te zien die voldoet aan het door haar opgegeven signalement. Uit deze beelden is ook op te maken dat de verdachte, nadat hij op het station dezelfde route had gelopen als [slachtoffer] , aldaar dezelfde tram 6 heeft genomen. Uit onderzoek van de OV-kaart van de verdachte blijkt daarbij dat de verdachte vervolgens ook op dezelfde halte als [slachtoffer] is uitgestapt.

Van voormelde beelden zijn printscreens gemaakt en getoond aan [slachtoffer] . Zij heeft de man op de beelden voor 100% herkend als degene door wie zij volgens haar verklaring is aangerand en die heeft geprobeerd haar te beroven. [slachtoffer] heeft daarover verklaard de verdachte vooral te herkennen aan de huidskleur, het kale hoofd, de kleding, de donkere jas en de grote donkere rugzak.

De hiervoor vermelde beelden zijn vervolgens getoond in een aflevering van Team West, een lokale televisiezender, en in een uitzending van een nationale tv-zender met als titel Opsporing Verzocht.

De verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf op die beelden heeft herkend en ook dat hij die dag een donkere rugzak droeg.

Uit de hierboven uiteengezette feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte die dag vanaf het Centraal Station te Den Haag bewust dezelfde weg (lopend en per tram) heeft afgelegd als aangeefster [slachtoffer] en dat hij degene is geweest die vervolgens geprobeerd heeft haar van haar tas te beroven, waartoe hij haar in haar billen heeft geknepen en haar kruis heeft betast.

Het hof acht hiertoe redengevend dat het door [slachtoffer] kort na het voorval per 112 opgegeven signalement van de verdachte - kaalhoofdig, ongeveer 1.70 meter lang, getinte huidskleur, een halflange donkere jas en een zwarte rugzak - overeenkomen met zowel het door haar in de aangifte opgegeven signalement als de door haar een maand later aangegeven punten van herkenning van de verdachte op de screenshots. Dit in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte dat hij zichzelf op de beelden heeft herkend als ook dat hij die dag een zwarte rugzak droeg.

Het hof acht gelet op het voorgaande de door de aangeefster afgelegde verklaringen en herkenning consistent en voldoende betrouwbaar.

Dit geldt temeer nu de verdachte hiertegenover slechts als verklaring heeft ingebracht - kort gezegd - dat hij op de bewuste dag in zijn eentje met de trein vanuit Delft naar Den Haag Centraal Station is gereisd, omdat hij in alle rust wilde nadenken over een probleem. Vanaf het station is hij naar zijn zeggen in een willekeurige tram gestapt om enkele haltes later uit te stappen. Vervolgens is ter hoogte van de [b-straat] een rustige woonwijk ingelopen. Even later, nadat hij één of twee sigaretten had gerookt en een oplossing voor zijn probleem had bedacht, is hij weer in de tram gestapt in de richting van Den Haag Centraal Station, aldus de verdachte.

Het hof acht deze verklaring in het licht van het bovenstaande en gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen ongeloofwaardig.

Het verweer faalt derhalve.”

3 Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster.

3.2

Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452).

3.3

Het hof heeft naast de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] over onder meer het uiterlijk, de kleding en de rugzak van degene die – kort nadat zij uit de tram was gestapt – achter haar liep en haar heeft geprobeerd te beroven, onder meer voor het bewijs gebruikt camerabeelden van HTM en Pro Rail waarop te zien is dat een man, die aan het door de aangeefster opgegeven signalement voldeed en nadien door haar is herkend als degene die haar heeft geprobeerd te beroven, zich op het station Den Haag Centraal in de nabijheid van de aangeefster bevond, dezelfde route als de aangeefster heeft gelopen en dezelfde tram heeft genomen; de verklaring van de verdachte dat hij zichzelf op deze camerabeelden heeft herkend en dat hij op de betreffende dag een donkere rugzak droeg; en de resultaten van het onderzoek van de OV-kaart van de verdachte waaruit blijkt dat hij bij dezelfde halte als de aangeefster is uitgestapt. Gelet op één en ander kan niet worden gezegd dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Van schending van artikel 342 lid 2 Sv is daarom geen sprake. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

3.4

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2020.