Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1420

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
20/01293
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Mishandeling vriendin, art. 300.1 Sr. Aangevoerd wordt dat zaak niet zou hebben geleid tot veroordeling als rechter bekend zou zijn geweest met bij aanvraag gevoegde handgeschreven verklaring van getuige A, inhoudende dat aangeefster tegen A heeft verteld dat ze valse aangifte had gedaan. Art. 457.1.c Sv. Bewijsmateriaal waarover hof bij doen van zijn uitspraak beschikte omvat o.m. verklaringen van aangeefster over door aanvrager gepleegde mishandeling. Die verklaringen vinden steun in 3 p-v’s van bevindingen, verklaring van getuige B en geneeskundige verklaring van arts. Tegenover dat bewijsmateriaal is bij aanvraag overgelegde verklaring van getuige A van onvoldoende gewicht om te kunnen gelden als gegeven in de zin van art. 457.1.c Sv. Dat wordt niet anders door eveneens bij aanvraag gevoegde verklaring van aangeefster, die inhoudt dat aanvrager haar niet heeft mishandeld en dat zij zwaar onder invloed van alcohol en drugs handgeschreven briefje van politie moest ondertekenen. Deze verklaring geeft immers geen steun aan de in verklaring van getuige A geschetste gang van zaken. Een en ander betekent dat niet sprake is van ernstig vermoeden dat hof aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met wat in aanvraag is aangevoerd. Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2019:1760 (eerdere herziening) en 17/05570 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0286
RvdW 2020/1018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01293 H

Datum 15 september 2020

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 november 2017, nummer 22/004984-16, ingediend door J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort,

namens

[aanvrager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de aanvrager.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2016 bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan. Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor mishandeling tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1

Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:

“hij op 16 december 2015 te Rotterdam [aangeefster] heeft mishandeld door haar meermalen (met kracht) te slaan en te trappen tegen het lichaam.”

3.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2015442482-1, met bijlagen, opgemaakt en op 17 december 2015 te 03:30 uur ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [aangeefster] :

Mijn vriend is genaamd: [aanvrager] . Vandaag, 16 december 2015, was ik bij mijn vriend op bezoek op de [a-straat 1] te [plaats] .

Hij heeft mij echt helemaal in elkaar getrapt en geslagen. Hij heeft vooral getrapt. Hij heeft mij de hele woonkamer doorgeslagen. Ik probeerde weg te kruipen om de klappen te ontwijken. Ik heb op de grond gestampt om de aandacht te trekken van de buren. Ik heb ontzettend veel pijn aan mijn rechterarm, mijn gezicht en eigenlijk mijn hele lichaam. Op een gegeven moment ging de deurbel en werd er geklopt op de deur. Toen heb ik hard om hulp geroepen en kwam de politie binnen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2015442482-13, met bijlagen, opgemaakt en op 18 december 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als de bevindingen verbalisant:

Op 18 december 2915 omstreeks 08:15 uur sprak ik telefonisch met de aangeefster [aangeefster] . In dit telefoongesprek verklaarde zij mij onder andere het volgende in woorden van gelijke strekking:

“Ik ben bont en blauw geslagen. Ik was in het IJsselland ziekenhuis geweest en daar mocht ik gauw weer weg. Ik had gisteren alleen nog zo'n pijn, dus ik ben naar het ziekenhuis Westeinde in Den Haag gegaan. Daar werden foto's gemaakt van mijn hand en uit die foto’s bleek dat mijn linkerhand is gebroken. Ik zit nu in het gips met mijn linkerarm. Ik kan niet slapen omdat alles pijn doet. Ik kan moeilijk ademen door de zwellingen in mijn neus en mond. Ik ben overal geslagen en geschopt. Op mijn armen, mijn schouders, mijn bovenbenen mijn heupen. Mijn lippen zijn gezwollen en blauw. Al het letsel is nu nog beter zichtbaar dan die avond dat ik in elkaar werd geslagen.”

3. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2015442482-3, met bijlagen, opgemaakt en op 17 december 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voor zover inhoudende als de bevindingen verbalisanten of een van hen:

Op woensdag 16 december 2015, kregen wij verbalisanten de opdracht van het personeel van het operationeel commandocentrum van de politie-eenheid Rotterdam, te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . In de woning zou gegil en “gestommel” worden gehoord. (...) Wij zagen dat de woning die meldster aanwees als de woning waar het gegil uit kwam, gelegen was op de tweede etage. Wij zagen dat deze woning het huisnummer [1] had. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , aangebeld en aangeklopt. Hierop kwam geen reactie.

Kort hierop hoorde ik, verbalisant [verbalisant 3] , vanuit deze woning een vrouwenstem “Help mij” roepen. Hierop hebben wij verbalisanten hard tegen de deur van de woning getrapt.

(...)

[aangeefster] verklaarde zojuist door [aanvrager] , die een geoefend kickbokser is, compleet in elkaar te zijn geslagen. Dit, omdat hij boos was geweest omdat zij voor haar verjaardag met een vriendin wat had gedronken in de stad. [aanvrager] zou zeker een half uur op haar hebben ingeslagen en geschopt. Zij was hierbij geraakt op alle plekken van haar lichaam. In de woning zagen wij op de bank, grond en matras grote hoeveelheden bloed liggen.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1700- 2015442482-7, met bijlagen, opgemaakt en op 17 december 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende als de bevindingen verbalisanten of een van hen:

Wij, zagen dat op de broek van [aanvrager] rood kleurige vlekken zaten. De vlekken zijn vermoedelijk bloed. Op de schoenen van [aanvrager] zaten eveneens rood kleurige vlekken.

Wij, zagen dat de knokkels van de rechter hand van [aanvrager] kapot waren en er opgedroogd bloed op zat.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Eenheid Rotterdam, nummer PL1700- 2015442482-2, met bijlagen, opgemaakt en op 17 december 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [getuige 1] :

Wij zijn de onderburen. Ik lag te slapen met mijn man. Boven was het de hele avond al bezig. (...) Ik hoorde ineens herrie en gegil. Alsof er van alles door de kamer rolde. Ik hoorde ook een tweede stem. Het ging er zo hard aan toe dat wij besloten de politie te bellen.

5. De geneeskundige verklaring van de Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR), d.d. 15 februari 2016, betreffende [aangeefster] , opgemaakt door de arts M.M. Mulders, voor zover inhoudende:

S Informatie ontvangen van orthopedisch chirurg Bronovoziekenhuis over behandeling aldaar op 17-12-2015.

O Bloeduitstorting over de handwortelbeentjes links. Op röntgenonderzoek geen aanwijzingen voor breuken en/of standsafwijkingen.

E Ter pijnstilling werd gedurende 1 week een onderarmsgips gegeven.

P Bij ongecompliceerd beloop +/- 3 weken.”

3.3

Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter houdt ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende in:

“ [aangeefster] verklaart door de verdachte te zijn mishandeld 1) op 16 december 2015 op het moment dat de politie ter plaatse komt nadat zij een melding hebben gekregen 2) op 17 december 2015 rond 3:30 uur als zij wordt verhoord in het ziekenhuis en 3) op 18 december 2015 om 8.15 uur als zij door de politie wordt verhoord. In haar aangifte geeft [aangeefster] aan dat zij om hulp heeft geroepen en dat toen de politie binnenkwam. Dit blijkt ook uit het proces verbaal van bevindingen volgnummer 3 van de politie die ter plaatse is geweest. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat aangeefster onder het bloed zat en dat in de woning op diverse plekken bloed lag. Uit het proces-verbaal met volgnummer 7 blijkt dat op de broek en schoenen van de verdachte vermoedelijk bloed zat en dat zijn rechterhand kapot was en dat daar opgedroogd bloed op zat. De onderbuurvrouw heeft verklaard dat zij herrie en gegil heeft gehoord en dat het er zo hard aan toe ging dat zij en haar man de politie de politie hebben gebeld.

Bezien in het licht van al het voorgaande acht de politierechter de verklaring van de verdachte dat hij alleen heeft geprobeerd om [aangeefster] te helpen niet aannemelijk. Het gegeven dat [aangeefster] ter zitting eerst (op 6 april 2016) verklaart dat zij niet is mishandeld en vandaag (24 oktober 2016) dat zij er helemaal niets meer van weet, maakt dit oordeel niet anders. Op basis van het voorgaande acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 16 december 2015 [aangeefster] heeft mishandeld.”

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2

In de aanvraag wordt gesteld dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv, omdat zijn zaak niet zou hebben geleid tot een veroordeling als de rechter bekend zou zijn geweest met de bij de aanvraag gevoegde handgeschreven verklaring van [betrokkene 1] . Deze verklaring, die is gedateerd op 14 januari 2020, houdt – voor zover van belang voor de beoordeling van de aanvraag – in:

“Ik heb met [aangeefster] in een opvanghuis aan de [b-straat] in [plaats] gewoond Ik heb daar van 2013 tot 2016. Ik ben destijds veel met haar opgetrokken en al snel was mij duidelijk dat ze veel loog en vooral anderen de schuld gaf. In de eerste maanden van 2016 heb ik wederom langere tijd met haar door gebracht in de opvanghuis in [plaats] aan de [b-straat] . Ik kan me nog goed herinneren dat ze mij heeft verteld dat ze pas daar voor een valse aangifte van mishandeling had gedaan bij de politie tegen haar vriend uit [plaats] . Ze had hem vals beschuldigd omdat ze van hem af wilde. Ze begon toen te lachen en zij “De politie trapte er gewoon in”. Veel later eind 2019 kwam ik toevalige wijze in contact met [aanvrager] . Door onze gezamelijke gespreken kom ik erachter omdat de naam [aangeefster] valt dat hij de jongen is tegen wie ze in december 2015 valse aangifte heeft gedaan.”

4.3

Het bewijsmateriaal waarover het hof bij het doen van zijn uitspraak beschikte, zoals onder 3.2 is weergegeven, omvat onder meer de verklaringen van [aangeefster] van 17 en 18 december 2015 over de door de aanvrager gepleegde mishandeling. Die verklaringen vinden steun in drie processen-verbaal van bevindingen, een verklaring van de getuige [getuige 1] en een geneeskundige verklaring van de arts M.M. Mulders. Tegenover dat bewijsmateriaal is de bij de aanvraag overgelegde verklaring van [betrokkene 1] van 14 januari 2020 van onvoldoende gewicht om te kunnen gelden als een gegeven in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv.
Dat wordt niet anders door de eveneens bij de aanvraag gevoegde verklaring van [aangeefster] van 12 november 2018, die inhoudt dat de aanvrager haar niet heeft mishandeld en dat zij zwaar onder invloed van alcohol en drugs een handgeschreven briefje van de politie moest ondertekenen. Deze verklaring geeft immers geen steun aan de in de verklaring van [betrokkene 1] van 14 januari 2020 geschetste gang van zaken.
Een en ander betekent dat niet sprake is van het ernstig vermoeden dat het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met wat in de aanvraag is aangevoerd.

4.4

De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2020.