Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1413

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
19/02396
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:283, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, verjaring. Aanvang verjaringstermijn (art. 3:310 lid 1 BW). Geldt wetenschap van bestuurder van benadeelde rechtspersoon ten aanzien van de onrechtmatige daad van een derde als wetenschap van de rechtspersoon? Belangenverstrengeling van bestuurder. Verlengingsgrond voor verjaring tussen rechtspersonen en hun bestuurders (art. 3:320 en 3:321 lid 1, onder d, BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2173
RvdW 2020/974
V-N Vandaag 2020/2557
AA20201056 met annotatie van Bartman S.M. Steef
RN 2020/99
JOR 2020/250 met annotatie van Stokkermans, Chr.M.
INS-Updates.nl 2020-0301
OR-Updates.nl 2020-0335
JIN 2020/155 met annotatie van Mengelberg, R.J.G.
RAV 2020/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/02396

Datum 11 september 2020

ARREST

In de zaak van

TRESTON INSURANCE COMPANY (ARUBA) N.V.,
gevestigd te Oranjestad, Aruba,

EISERES tot cassatie,

hierna: Treston,

advocaten: A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,

tegen

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: HDI,

advocaat: F.E. Vermeulen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C10/460479/HA ZA 14-995 van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2015, 25 mei 2016 en 22 februari 2017;

  2. het arrest in de zaak 200.221.026/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 februari 2019.

Treston heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

HDI heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor HDI mede door P.E. Emste.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van Treston hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) HDI is een verzekeraar die zich specialiseert in het aanbieden van schadeverzekeringen voor bedrijven.

(ii) Ten tijde van de gebeurtenissen in 2007 en 2008 waarom het in deze procedure gaat, was [voormalig commissaris] commissaris bij HDI, was zijn zoon [voormalig bestuurder 2] lid van de raad van bestuur van HDI (alleen/zelfstandig bevoegd), en was [voormalig bestuurder 1] (hierna: [voormalig bestuurder 1]) voorzitter van de raad van bestuur van HDI.

(iii) Tot 7 april 2008 bood HDI via de gevolmachtigd agent ‘[A] N.V.’ brand- en bedrijfsschadeverzekeringen en motorrijtuigverzekeringen aan in Aruba. [A] N.V. werd bestuurd door [bestuurder van gevolmachtigd agent] (hierna: [bestuurder van gevolmachtigd agent]).

(iv) Na voorbereidende handelingen in 2007 van onder meer [voormalig commissaris] , [voormalig bestuurder 1] en [voormalig bestuurder 2] is op 5 december 2007 Treston opgericht; een rechtspersoon naar Arubaans recht. Vanaf de oprichting van Treston was [bestuurder van gevolmachtigd agent] bestuurder (managing director) en was [voormalig commissaris] supervisory director. [voormalig commissaris] , [voormalig bestuurder 2] en [bestuurder van gevolmachtigd agent] hielden significante belangen in Treston.

(v) Op 7 april 2008 heeft HDI haar zogenoemde Arubaanse portefeuille, die beheerd werd door [A] N.V., tegen een koopsom van 1 AWG overgedragen aan Treston. De Centrale Bank van Aruba heeft deze overdracht goedgekeurd. Gevolg van de overdracht was dat Treston verzekeraar werd ter zake van de Arubaanse portefeuille en recht kreeg op de premiebetalingen; tussen Treston en HDI zijn herverzekeringscontracten gesloten. De nieuwe constructie wordt in de processtukken en hierna ook aangeduid als de herverzekeringsconstructie.

2.2

In dit geding heeft HDI, voor zover in cassatie van belang, op onrechtmatige daad en onbehoorlijk bestuur gebaseerde vorderingen ingesteld tegen haar voormalig bestuurders en commissaris [voormalig bestuurder 2] , [voormalig bestuurder 1] en [voormalig commissaris] , alsmede op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen tegen Treston.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de zojuist genoemde (rechts)personen jegens HDI hoofdelijk aansprakelijk zijn uit hoofde van onbehoorlijk bestuur ([voormalig bestuurder 1] en [voormalig bestuurder 2] ), onbehoorlijk toezicht ( [voormalig commissaris] ) en onrechtmatige daad (Treston), en hen veroordeeld tot vergoeding van de daardoor door HDI geleden schade.

In reconventie heeft Treston gevorderd voor recht te verklaren dat HDI onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van beslagen, en HDI te veroordelen tot schadevergoeding. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartegen komt (alleen) Treston in cassatie op.

2.3

Het hof heeft zijn oordeel, voor zover in cassatie van belang, op de volgende overwegingen gebaseerd.1

Herverzekeringsconstructie

Door de in het leven geroepen herverzekeringsconstructie werd de rol van HDI veranderd van verzekeraar in herverzekeraar ter zake van de bij Treston ondergebrachte Arubaanse portefeuille. [voormalig commissaris] en [voormalig bestuurder 2] (hierna tezamen ook: [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2]) en [voormalig bestuurder 1] hadden bij die constructie een eigen financieel belang en ontvingen provisies. Zij hebben niet gezorgd dat HDI van deze belangen op de hoogte raakte door (de niet geconflicteerde leden van) de raad van bestuur of raad van commissarissen en/of aandeelhouders van HDI op de hoogte te stellen. De eigen wetenschap van [voormalig bestuurder 1] en [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2] is in dit verband niet voldoende om te concluderen dat HDI op de hoogte was. (rov. 3.6)

De op 7 april 2008 overeengekomen overdracht van de Arubaanse portefeuille bracht een juridische overgang van HDI aan Treston mee, voor een bedrag van 1 AWG, van alle tot de portefeuille behorende verzekeringsovereenkomsten met alle daaruit voortvloeiende verplichtingen en met alle daaraan verbonden rechten op premiebetaling. (rov. 3.7)

Het verweer dat de Arubaanse portefeuille geen vermogenswaarde voor HDI zou vertegenwoordigen omdat tussenpersoon [bestuurder van gevolmachtigd agent] van de aanvang af in juridisch of economisch opzicht rechthebbende zou zijn, wordt verworpen. Ook het verweer dat HDI van de indirecte belangen van [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2] en [voormalig bestuurder 1] op de hoogte was of had moeten zijn, wordt verworpen. (rov. 3.8)

HDI had geen zakelijke reden voor de opgezette constructie. HDI heeft gemotiveerd betwist dat er voor haar verzekeringsactiviteiten relevante wijzigingen speelden in de Landsverordening en zij heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij (door middel van haar aandeelhouder Talanx) zonder meer aan de door Treston genoemde vereisten voor haar activiteiten op Aruba, zoals die betreffende haar credit rating en balanstotaal, kon voldoen. Treston, die als lokale verzekeraar op de hoogte was of diende te zijn van relevante regelgeving, kon niet louter afgaan op mededelingen van de betrokken bestuurders en commissaris van HDI, mede in verband met de wetenschap bij Treston van de belangenverstrengeling. (rov. 3.10)

Dat de herverzekeringsconstructie noodzakelijk was omdat [bestuurder van gevolmachtigd agent] daadwerkelijk van plan was alle tot de Arubaanse portefeuille behorende verzekeringscontracten te beëindigen en de klanten bij een andere verzekeraar onder te brengen, is onvoldoende onderbouwd. Ook is onvoldoende toegelicht dat de herverzekeringsconstructie noodzakelijk was omdat [bestuurder van gevolmachtigd agent] zelf een verzekeringsmaatschappij wilde oprichten en HDI haar verzekeringen aan een andere verzekeraar zou zijn kwijtgeraakt als zij niet zou meewerken. (rov. 3.11)

Het opzetten van een herverzekeringsconstructie als de onderhavige met daarin (aanzienlijke) eigen belangen van de betrokken functionarissen die niet aan HDI zijn gemeld, is verregaand onzorgvuldig en [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2] en [voormalig bestuurder 1] kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt. Het onbehoorlijke karakter is met name gelegen in de (verheimelijkte) belangenverstrengeling van de betrokken bestuurders en commissaris. (rov. 3.12)

Dat de ontwerpers van de constructie beoogden zichzelf te bevoordelen en dit voor HDI verborgen hebben willen houden, blijkt genoegzaam uit de door het hof weergegeven correspondentie. (rov. 3.13)

Het betoog dat de herverzekeringsconstructie uiteindelijk slechts voordeel voor HDI en geen schade heeft opgeleverd, slaagt niet. (rov. 3.15)

Treston

Ten tijde van het opzetten van de constructie wist Treston, althans moest zij begrijpen, dat de voorgestelde herverzekeringsconstructie was gericht op de bevoordeling van de betrokken functionarissen van HDI. Bestuurder [bestuurder van gevolmachtigd agent] en commissaris [betrokkene 1] van Treston waren bij de opzet van de constructie betrokken en geheel op de hoogte van de belangenverstrengeling van [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2] en [voormalig bestuurder 1]. De wetenschap van de belangenverstrengeling van commissaris [betrokkene 3] van Treston blijkt uit de stukken. Het primaire doel van de constructie waarvoor Treston werd opgericht, was gelegen in de bevoordeling van de betrokken drie HDI-functionarissen. Desondanks heeft Treston, zonder zich bij (niet geconflicteerde bestuurders van) HDI ervan te vergewissen of HDI hiermee instemde, meegewerkt aan deze constructie, waarin de Arubaanse portefeuille voor 1 AWG aan Treston werd overgedragen en de rol van HDI veranderde van verzekeraar in herverzekeraar, met tussenschakeling van Treston, waarin [voormalig commissaris en voormalig bestuurder 2] en [voormalig bestuurder 1] persoonlijke financiële belangen hadden. Aldus heeft Treston meegewerkt aan en vervolgens geprofiteerd van het onbehoorlijk bestuur van de drie HDI-functionarissen. Het hof is van oordeel dat Treston onrechtmatig heeft gehandeld jegens HDI. (rov. 3.17)

Verjaring

Schadevorderingen verjaren ingevolge art. 3:310 lid 1 BW vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Voor HDI bestond pas wetenschap van een mogelijke aanspraak op de desbetreffende bestuurders en commissaris, toen zij op de hoogte raakte van hun achterliggende belangen bij de door hen opgezette herverzekeringsconstructie. Toen pas bestond aanleiding voor HDI om tot aansprakelijkstelling van de betrokken personen over te gaan. (rov. 3.21-3.22)

In dit kader is geen plaats voor toerekening van de kennis van de betrokken functionarissen over hun (verborgen gehouden) tegenstrijdige belangen aan HDI. Als aanvangsmoment van de verjaring geldt derhalve niet het moment waarop de herverzekeringsconstructie door de overdracht van de Arubaanse portefeuille een feit werd. Pas na het ontslag van [voormalig bestuurder 1] in 2013 is de belangenverstrengeling binnen HDI aan het licht gekomen. Op dat moment is de verjaringstermijn gaan lopen zodat de vorderingen ten tijde van de inleidende dagvaarding in 2014 niet waren verjaard. Anders dan Treston heeft betoogd, doet de verlengingsmogelijkheid van art. 3:321 lid 1, onder d, BW in verbinding met art. 3:320 BW aan de voorgaande toepassing van de verjaringsregels niet af, nu in het onderhavige geval de geconflicteerde bestuurders binnen de relevante bestuursorganen geen openheid hebben gegeven over hun tegenstrijdige belangen. (rov. 3.23)

Het beroep op verjaring moet dan ook worden verworpen. (rov. 3.24)

Vorderingen in reconventie

Voor zover Treston betoogt dat de vordering waarvoor HDI beslag heeft gelegd ongegrond is omdat Treston jegens HDI niet onrechtmatig heeft gehandeld, faalt dat betoog op de in rov. 3.17 vermelde gronden. Niet kan worden vastgesteld dat het beslag voor een te hoog bedrag is gelegd of dat HDI misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid beslag te leggen. (rov. 3.48-3.49)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof in de rov. 3.22-3.24 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW pas in 2013 is gaan lopen. Volgens het onderdeel is de verjaring (uiterlijk) gaan lopen in 2008, omdat HDI toen rechtens – want door middel van haar vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders [voormalig bestuurder 1] en [voormalig bestuurder 2] – op de hoogte was van het feit dat (ook) Treston onrechtmatig jegens HDI had gehandeld en schade aan HDI had veroorzaakt. Het is voor risico van HDI dat haar bestuurders, niettegenstaande hun kennis van de schade en de voor de schade aansprakelijke persoon, niet namens HDI rechtsmaatregelen tegen Treston hebben getroffen.

3.2.1

Deze klacht treft geen doel op grond van het volgende.

3.2.2

In beginsel brengt de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon mee dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Dit kan echter onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Dat laatste wordt in het hiervoor in 3.1 weergegeven betoog miskend. Het oordeel van het hof komt erop neer dat van de hier bedoelde bijzondere omstandigheden in de verhouding tussen HDI en Treston sprake is en dat daarom in die verhouding de wetenschap van [voormalig bestuurder 1] en [voormalig bestuurder 2] niet heeft te gelden als wetenschap van HDI. Over dit oordeel wordt als volgt overwogen.

3.2.3

In de verhouding tussen HDI en Treston moet uitgegaan worden van de volgende – in cassatie niet bestreden – vaststellingen:

- dat de bestuurders [voormalig bestuurder 1] en [voormalig bestuurder 2] en commissaris [voormalig commissaris] eigen financiële belangen hadden bij de herverzekeringsconstructie;

- dat deze drie functionarissen niet hebben gezorgd dat HDI van die belangen op de hoogte raakte door deze te melden aan (de niet geconflicteerde leden van) de raad van bestuur van HDI;

- dat de drie functionarissen deze belangen evenmin hebben gemeld aan (de niet geconflicteerde leden van) de raad van commissarissen of de aandeelhouder van HDI;

- dat Treston op de hoogte was van de lokale regelgeving en niet louter kon afgaan op de mededelingen van de betrokken functionarissen;

- dat Treston wetenschap had van de belangenverstrengeling bij de drie functionarissen;

- dat Treston wist, althans moest begrijpen, dat de constructie was gericht op de bevoordeling van de drie functionarissen;

- dat Treston aan die constructie heeft meegewerkt zonder zich ervan te vergewissen of de niet geconflicteerde bestuurders van HDI daarmee instemden;

- dat Treston aldus heeft meegewerkt aan en geprofiteerd van het onbehoorlijk bestuur van de betrokken functionarissen, en onrechtmatig heeft gehandeld jegens HDI.

3.2.4

In het licht van deze omstandigheden geeft het oordeel van het hof, dat erop neerkomt dat in de verhouding tussen HDI en Treston de wetenschap van de betrokken functionarissen van hun eigen, met de belangen van de vennootschap strijdige belangen en van het onrechtmatig handelen van Treston niet kan gelden als wetenschap van HDI, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

In de door het hof vastgestelde omstandigheden ligt immers besloten dat Treston met het oog op eigen financieel voordeel eraan heeft meegewerkt dat (de niet geconflicteerde leden van) de raad van bestuur en de raad van commissarissen van HDI onkundig werden gehouden van de belangenverstrengeling van de drie betrokken functionarissen en hun persoonlijke financiële belangen bij de herverzekeringsconstructie, en dat het handelen van Treston aldus erop gericht was te voorkomen dat HDI rechtsmaatregelen tegen haar (en de drie betrokken functionarissen) zou treffen. Dat kan de conclusie dragen dat in de verhouding tussen HDI en Treston de wetenschap van de drie betrokken functionarissen in het maatschappelijk verkeer niet heeft te gelden als wetenschap van HDI en daarmee ook het oordeel dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tegen Treston niet is aangevangen.

3.3

Treston heeft geen baat bij haar beroep op de strekking van de in art. 3:321 lid 1, aanhef en onder d, BW in verbinding met art. 3:320 BW neergelegde verlengingsgrond voor de verjaring tussen rechtspersonen en hun bestuurders. Dat een eenmaal aangevangen verjaringstermijn van een rechtsvordering van een rechtspersoon tegen zijn bestuurder(s) ingevolge deze bepalingen in ieder geval voortloopt totdat zes maanden na het defungeren van de betrokken bestuurder(s) zijn verstreken, hangt onder meer samen met de collegiale verhoudingen binnen het bestuur, die het treffen van rechtsmaatregelen tegen een collega-bestuurder kunnen bemoeilijken. Die bepalingen behelzen niet dat wetenschap van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als wetenschap van de rechtspersoon. Zij brengen dus niet mee dat in een geval als het onderhavige de verjaringstermijn is gaan lopen enkel wegens de wetenschap van de drie betrokken functionarissen van het (voor de raad van bestuur en de raad van commissarissen van HDI verborgen gehouden) onbehoorlijk handelen van henzelf en Treston.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO)

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Treston in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HDI begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 11 september 2020.

1 Gerechtshof Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:682.