Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1411

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
18/03850
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:707
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:2025
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 16, lid 1, AWR; ambtelijk verzuim; is de inspecteur gehouden het dossier van de (fiscaal) partner te raadplegen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2020
V-N Vandaag 2020/2132
V-N 2020/44.13 met annotatie van Redactie
FutD 2020-2559 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/2035 met annotatie van Ivo Krukkert
BNB 2020/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/03850

Datum 11 september 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z], (hierna: belanghebbenden)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2018, nr. BK-18/00502, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/7040) betreffende de ten name van [A] (hierna: erflater) over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 26 juni 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.1

Erflater is in december 2010 overleden. Hij was met zijn echtgenote (hierna: de echtgenote) in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.1.2

Ten tijde van het overlijden van erflater was de echtgenote enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: de BV). Op dat moment bestond het hele vermogen van de BV uit beleggingen.

2.1.3

Op 5 december 2011 is de aangifte voor de erfbelasting ter zake van het overlijden van erflater bij de Belastingdienst binnengekomen.

2.1.4

Omstreeks 15 december 2011 zijn de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van erflater en van de echtgenote voor het jaar 2010 ingediend. In de aangifte van erflater is een aanmerkelijk belang in de BV vermeld (hierna: het aanmerkelijk belang). In die aangifte is niet een vervreemdingsvoordeel aangegeven ter zake van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren. De aangifte van erflater werd gedaan op een F-biljet, het aangifteformulier voor het jaar van overlijden.

2.1.5

De aangiften van erflater en van de echtgenote zijn door de Belastingdienst gelijktijdig en door middel van het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst afgedaan. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 ten name van erflater is met dagtekening 19 januari 2012 in overeenstemming met de ingediende aangifte vastgesteld.

2.1.6

Met dagtekening 12 maart 2016 heeft de Inspecteur een navorderingaanslag IB/PVV over het jaar 2010 ten name van erflater opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur nagevorderd over een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 197.434. Volgens de Inspecteur heeft erflater tot dit bedrag op grond van artikel 4.16, lid 1, aanhef en letter e, Wet IB 2001 als gevolg van zijn overlijden een (fictief) vervreemdingsvoordeel behaald.

2.2

Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur op grond van artikel 16, lid 1, AWR bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen.

2.3.1

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan en daarom niet gerechtigd was om de navorderingsaanslag op te leggen. Het Hof is ervan uitgegaan dat bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur gehouden was tot een nader onderzoek naar aanleiding van – uitsluitend – het (digitale) dossier van erflater, acht dient te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Aangezien de aangifte een F-biljet betrof, erflater voor het gehele jaar opteerde voor partnerschap met zijn echtgenote, en in het biljet melding werd gemaakt van een aanmerkelijk belang, bestond naar het oordeel van het Hof de aanmerkelijke kans dat bij de erflater een voordeel uit de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in aanmerking zou moeten worden genomen. Volgens het Hof had het onderzoek van de Inspecteur daarom verder moeten reiken dan slechts het raadplegen van het (digitale) dossier van erflater.

2.3.2

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geschil over de hoogte van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang niet behoeft te worden behandeld omdat is komen vast te staan dat de Inspecteur de navorderingsaanslag niet had mogen opleggen.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordelen van het Hof.

3.2

De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.2 Dit een en ander brengt mee dat de inspecteur niet steeds is gehouden het dossier van de (fiscale) partner van de belastingplichtige te raadplegen.

3.3

Het Hof heeft aan zijn oordeel dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan ten grondslag gelegd de omstandigheid dat de aanmerkelijke kans bestond dat een voordeel uit de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in aanmerking zou moeten worden genomen. De aanwezigheid van die aanmerkelijke kans sluit echter niet uit dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is. Met zijn oordeel heeft het Hof een onderzoeksplicht van de Inspecteur aangenomen die verder gaat dan voortvloeit uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen. Het Hof heeft dus een onjuiste maatstaf gehanteerd. Het middel slaagt.

3.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak in volle omvang.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, en

- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2019:707.

2 Vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, rechtsoverweging 3.3.2.