Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1401

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
19/03359
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:525
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 98 Sv op documenten en gegevensdragers in kantoren van 3 klagers (2 rechtspersonen en 1 natuurlijke persoon) t.z.v. verdenking van overtreding van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet n.a.v. arbeidsongeval waarbij werknemer van onderaannemer van klagers is overleden. Beroep op verschoningsrecht, geheimhouderstukken. Absolute competentie, bevoegdheid economische raadkamer. Was gewone raadkamer bevoegd kennis te nemen van klaagschrift, nu klagers verdacht worden van economisch delict? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Zaak heeft betrekking op verdenking van overtreding van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet, terwijl in art. 1.1 WED overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens art. 32 Arbeidsomstandighedenwet, zijn aangewezen als economische delicten. Gelet op ECLI:NL:HR:2007:BB8752 diende daarom economische kamer als raadkamer op te treden. Beschikkingen Rb houden echter niet in dat zij zijn gegeven door economische raadkamer en uit p-v’s van behandeling van klaagschrift in raadkamer kan evenmin worden afgeleid dat klaagschrift is behandeld door economische raadkamer. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat klaagschrift ten onrechte niet is behandeld door economische raadkamer. Volgt partiële vernietiging (beroep is niet gericht tegen beschikking v.zv. klaagschrift daarin gegrond is verklaard) en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0295
RvdW 2020/1012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03359 Bv

Datum 15 september 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2019, nummer RK 17/2412, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager 3],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

[klager 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

[klager 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de klagers.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers.

Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen de beschikking voor zover het klaagschrift daarin gegrond is verklaard.

Namens de klagers heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld door de economische raadkamer van de rechtbank en dat de beschikking ten onrechte niet is gewezen door de economische raadkamer van de rechtbank.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2020.