Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1344

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
19/00778
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1379
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1415
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:5296
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kansspelbelasting. Artikel 2, leden 2 en 3, Wet KSB, artikel 56 VWEU, wie is houder van een kansspel, in beginsel rust de bewijslast dat aanspraak kan worden gemaakt op het recht van vrij dienstenverkeer op degene die zich op deze vrijheid beroept.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2020
V-N Vandaag 2020/2135
V-N 2020/44.12 met annotatie van Redactie
FutD 2020-2561 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2746 met annotatie van mr. M.M.Q. Wiezer
BNB 2020/172 met annotatie van J.P. BOER
NLF 2020/2114 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/00778

Datum 11 september 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2018, nrs. 17/00335 tot en met 17/00350, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/2929, 16/2930, 16/2938, 16/2973, 16/3331, 16/3373, 16/3374, 16/5219 tot en met 16/5223, 16/7302 en 16/8351 tot en met 16/8353) betreffende de door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan kansspelbelasting over de tijdvakken mei 2013, juni 2013, januari 2014 tot en met mei 2014, juli 2014 tot en met december 2014 en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de kansspelbelasting over de tijdvakken maart 2015 tot en met december 2015. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.

De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 december 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van beide beroepen in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1379, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2019:1415).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende woont in Nederland en heeft in de periodes mei 2013, juni 2013, januari 2014 tot en met mei 2014, juli 2014 tot en met december 2014 en maart 2015 tot en met december 2015 deelgenomen aan online pokerspelen via de websites PokerStars.eu en Fulltilt.eu (hierna: de spelen). Over de in die tijdvakken behaalde resultaten is kansspelbelasting op aangifte voldaan of van belanghebbende nageheven.

2.1.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de spelen als een buitenlands kansspel in de zin van artikel 2, lid 3, Wet op de kansspelbelasting (hierna: Wet KSB) moeten worden beschouwd.

2.1.3

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende kansspelbelasting is verschuldigd en meer in het bijzonder of de (naheffings)aanslagen in strijd zijn met artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de houder van de spelen is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie. Als het antwoord op die vraag bevestigend luidt, is niet in geschil (i) dat het vrije verkeer van diensten binnen de Unie in dit geval van toepassing is, en (ii) dat dit verkeer wordt belemmerd door toepassing van het Nederlandse regime voor buitenlandse kansspelen in de Wet KSB.

2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat Rational Gaming Europe Limited (RGEL), een op Malta gevestigde vennootschap, de houder is van de spelen die belanghebbende heeft gespeeld via de website PokerStars.eu. In zoverre heeft het Hof belanghebbende in het gelijk gesteld.

2.3

Het hiertegen gerichte middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/00769 (ECLI:NL:HR:2020:1343), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel

3.1

Met betrekking tot de spelen die belanghebbende heeft gespeeld via de website Fulltilt.eu heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat een binnen de Europese Unie gevestigde vennootschap de houder van het kansspel is. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat de bewijslast op dit punt bij belanghebbende rust.

3.2

Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op belanghebbende de bewijslast rust dat een binnen de Europese Unie gevestigde vennootschap de houder van het kansspel is. Met dit oordeel heeft het Hof de bepalingen inzake het vrije verkeer van diensten binnen de Europese Unie, het beginsel van loyale samenwerking en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, aldus het middel. De door belanghebbende aangevoerde feiten geven aanleiding tot een vermoeden waarvan het Hof had moeten uitgaan zolang dat niet door de Inspecteur is ontzenuwd. De door het Hof toegepaste bewijslastverdeling is niet redelijk, en in ieder geval heeft het Hof niet gemotiveerd waarom deze bewijslastverdeling redelijk is, aldus het middel.

3.3.1

Belanghebbende betoogt in deze procedure dat bepalingen uit de Wet KSB voor buitenlandse kansspelen die via het internet worden gespeeld, in zijn geval buiten toepassing moeten blijven omdat daardoor het vrije verkeer van diensten van artikel 56 VWEU wordt belemmerd, aangezien de houder van kansspelen waaraan hij heeft deelgenomen is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie. Hij beroept zich daarmee op een uitzondering ten opzichte van de uit de Wet KSB voortvloeiende belastingschuld. Daarom rust naar Nederlands fiscaal procesrecht op hem de bewijslast dat een binnen de Europese Unie gevestigde vennootschap als houder van deze kansspelen is aan te merken.

3.3.2

Deze uit het nationale recht voortvloeiende bewijslastverdeling is niet in strijd met het recht van de Europese Unie. De procedurevoorschriften ter verzekering van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het recht van de Unie zijn volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van het beginsel van procedurele autonomie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat, met dien verstande dat deze procedurevoorschriften moeten voldoen aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.1 Van een belanghebbende die ervoor kiest aan een kansspel via internet deel te nemen, moet worden aangenomen dat hij niet in een onmogelijke of onredelijk bezwarende bewijspositie wordt geplaatst indien hij in een fiscaal geschil in het licht van alle omstandigheden van het geval aannemelijk zal moeten maken wie de organisator van dat kansspel is. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat aan het bewijs van die feiten geen zware eisen mogen worden gesteld.

3.3.3

Het eerste onderdeel van het middel faalt daarom voor zover het betoogt dat de bewijslast niet bij belanghebbende mag worden gelegd.

3.3.4

Het eerste middelonderdeel faalt ook voor het overige. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.4

Het tweede onderdeel van het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat de houder van de spelen die belanghebbende via de website Fulltilt.eu heeft gespeeld, binnen de EU is gevestigd. Klaarblijkelijk is het Hof bij dit oordeel van hetzelfde begrip houder uitgegaan als ten aanzien van de spelen die belanghebbende heeft gespeeld via de website PokerStars.eu. Uit hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen volgt dat het Hof daarmee geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is zijn oordeel zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat de juistheid daarvan in de cassatieprocedure niet kan worden onderzocht. Dit oordeel is naar behoren gemotiveerd. Ook het tweede onderdeel van het middel faalt daarom.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 19/00769, 19/00771, 19/00772 en 19/00773 met deze zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 5.316, derhalve € 1.063,20 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president G. de Groot en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.

1 Vgl. HvJ 5 maart 2020, OPR-Finance, C-679/18, ECLI:EU:C:2020:167, punt 32; zie HvJ 2 april 2020, PrivatBank, C-480/18, ECLI:EU:C:2020:274, punt 76 en HvJ 23 oktober 2014, Unitrading, C-437/13, ECLI:EU:C:2014:2318, punt 33.