Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1316

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
19/04195
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:636
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Bedreiging winkelmedewerker, verschillende agenten en hulpverleners, art. 285.1 Sr. 1. Geweldsmisdrijf bij verlenging van maatregel tot plaatsing van verdachte in inrichting voor jeugdigen a.b.i. art. 77t.3 Sr. Is PIJ-maatregel opgelegd t.z.v. misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor onaantastbaarheid van lichaam van één of meer personen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. In gevallen waarin misdrijf waarvoor PIJ-maatregel wordt opgelegd niet z.m. kan worden gekarakteriseerd als misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van lichaam van één of meer personen a.b.i. art. 77t.3 Sr - bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr) - zal rechter zich oordeel dienen te vormen of, gelet op alle f&o, dat feit een dergelijk ‘geweldsmisdrijf’ oplevert. Daarbij zal hij o.m. kunnen betrekken of misdrijf (i.c. bedreiging) werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag t.o.v. bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund alsmede of aannemelijk is dat bedreiging zou worden uitgevoerd (zie ECLI:NL:HR:2013:BY8434 voor vergelijkbare situatie van verlenging van maatregel van TBS a.b.i. art. 38.e.1 Sr). Uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte bewezenverklaarde bedreigingen niet alleen verbaal heeft geuit maar dat bedreigingen zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door zijn niet-verbaal agressief gedrag en geweld tegen goederen en personen, waarbij sommige aangevers ermee rekening hielden dat verdachte bedreiging zou uitvoeren. Dit in aanmerking genomen, geeft ‘s hofs oordeel dat PIJ-maatregel wordt opgelegd t.z.v. misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor onaantastbaarheid van lichaam van één of meer personen niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0272
NJB 2020/2023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04195 J

Datum 25 augustus 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, nummer 21/001068-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.A.A. Postma, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

3.2.1

Het hof heeft bij het bestreden arrest de verdachte in de zaak met parketnummer 16‑652164-18 onder meer veroordeeld ter zake van 1. “bedreiging met zware mishandeling” en 5. en 6. “(telkens) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, in de zaak met parketnummer 16-131408-18 ter zake van 1. en 2. “telkens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en in de zaak met parketnummer 16-652610-18 ter zake van “(...) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”. Het hof heeft onder meer de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen gelast (PIJ‑maatregel).

3.2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

- in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder meer, dat:

“1. hij op 04 februari 2018 te Amersfoort, [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik pak je nog wel, ik wacht buiten op je”.

5. hij op 24 november 2017 te Amersfoort, [verbalisant 6] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 6] dreigend de woorden toegevoegd: “Wacht tot jij zo gaat zitten en dat uniformpje niet meer aan hebt. Met je pistool van 500 euro. Wie denk je wel niet dat je bent. Ik heb een veel groter netwerk dan jij denkt. Jij wordt buiten geliquideerd.

6. hij op 21 maart 2018 te Amersfoort [verbalisant 4] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 4] (meerdere malen) dreigend de woorden toegevoegd: “ [verbalisant 4] , ik maak je dood en/of ik maak je kapot”.”

- in de zaak met parketnummer 05/131408-18, dat:

"1. hij op 1 mei 2018 te Harreveldgemeente Oost Gelre [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die voornoemde [betrokkene 3] en [betrokkene 3] dreigend de woorden toe te voegen:

- "Ik maak je dood, Ik stuur iemand op je af, Je zult wel zien, wacht maar af" en

- "Dit zijn geen dreigementen, dit zijn beloftes" en

- "Ik maak je dood, Ik ken wel mensen die je pakken, je zult wel zien." en

- "Ik maak je dood, je bent nog niet van me af" en

- "Ik maak je dood, buiten word je gepakt" en

- "Ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken".

2. hij op 17 mei 2018 te Harreveld, gemeente Oost Gelre, ten overstaan van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van [betrokkene 5] dreigend de woorden geuit: " [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood", van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde [betrokkene 6] kennis heeft genomen."

- in de zaak met parketnummer 16-652610-18, dat:

"hij op 12 juli 2018 te Harreveld, gemeente Oost Gelre [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte (meermalen) opzettelijk voornoemde [betrokkene 6] en voornoemde [betrokkene 7] dreigend de woorden toegevoegd:

- "Ik maak je kapot" en

- "Ik maak je dood" en

- "Ik ga je echt vermoorden" en

- "Ik begin bij je voeten, dan je benen en ik snij je helemaal kapot" en

- "ik ga je vrouw opzoeken en vermoorden" en

- "Ik neuk je moeder en ik neuk je vrouw" en

- "Ik snij je keel door" en

- "Ik snij je hoofd eraf" en

- "Ik maak je moeder en je vrouw dood".”

3.2.3

In de zaak met parketnummer 16-652164-18 steunt de bewezenverklaring van feit 1 op de bewijsvoering weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 en 3.4. Tot de onder 3.3 weergegeven bewijsmiddelen behoort:

“6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage op pagina 27-28 van het proces-verbaal genummerd PL0900-201803576-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van bedreiging. Op 4 februari 2018 bevond ik mij in mijn winkel, supermarkt [A] in Amersfoort. Ik zag een persoon de winkel binnenlopen.

(...)

Ik herkende deze jongen meteen. Op 1 januari 2018 is namelijk ook mijn IPhone uit de winkel gestolen. Ik heb van deze diefstal aangifte gedaan. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat deze jongen mogelijk de dader is van de diefstal van mijn telefoon. De jongen is ook een van de jongeren die vervelend doen in de winkel. Sinds de diefstal word ik, persoonlijk, en in de winkel gebeld met de mededeling of ik mijn telefoon wil terugkopen. Ook is telefonisch een keer tegen mij gezegd: “Ik heb een mes. Geen politie, anders steek ik je neer.” Of woorden van gelijke strekking. Ik weet dat deze jongen voor de diefstal is aangehouden. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij een winkelverbod kreeg van mij.

Ik zag dat de jongen een kaasbroodje pakte en een pakje noodles. Omdat ik hem niet in de winkel wilde hebben, zei ik meteen tegen de jongen dat hij een winkelverbod had en hij weg moest gaan.

Ik hoorde hem iets zeggen, maar ik kon het niet helemaal verstaan, dus ik vroeg de jongen wat hij zei. Ik hoorde de jongen vervolgens zeggen: Ik pakje nog wel. Ik wacht buiten op je.

Ik ben niet alleen bang voor mijzelf, maar ook voor mijn personeel.”

In de zaak met voormeld parketnummer steunen de bewezenverklaringen van de feiten 5 en 6 op de navolgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen, bewijsmiddelen:

“Feit 5:


13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 15‑16 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2017356782-1), voor zo ver inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant 6] :

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben werkzaam als politieagent bij de politie Eenheid Midden-Nederland. Op 24 november 2017 bevond ik mij in de ophoudruimten van het politiebureau gelegen te Amersfoort. Ik hoorde dat verdachte het volgende tegen mij zei: “Wacht tot jij zo gaat zitten en dat uniformpje niet meer aan hebt. Met je pistool van 500 euro. Wie denk je wel niet datje bent. Ik heb een veel groter netwerk buiten dan jij denkt. Jij wordt buiten geliquideerd”. Ik voel mij door deze woorden beledigd en bedreigd.

14. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 5 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2017356782-3), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 9] :

Op 24 november 2017 bevond ik mij in het politiebureau te Amersfoort. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] was aangehouden. Ik zag dat collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 7] met de verdachte naar de ID-zuil liepen. Ik hoorde de verdachte meerdere malen tegen collega [verbalisant 6] zeggen: “Wacht maar tot jij zo gaat zitten en dat uniformpje niet meer aan hebt. Met je pistool van 500 euro. Wie denk je wel niet dat je bent. Ik heb een veel groter netwerk buiten dan jij denk: Jij wordt buiten geliquideerd.” Ik zag dat hij hierbij collega [verbalisant 6] aankeek.

Feit 6:


15. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 88 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018079116-1), voor zover inhoudende : zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant 4] :

Bij deze doe ik aangifte van bedreiging door [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2002, gepleegd op 21 maart 2018 te Amersfoort.

16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 90-91 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 21 maart 2018 zag ik [verdachte] op het platte dak staan aan de achterzijde van de woning [b-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat hij steeds heen en weer liep en dat hij naar beneden keek richting de steeg achter zijn woning. Ik ben toen uit de steeg gerend naar de [c-straat] en ik heb hem op straat aangeroepen dat hij was aangehouden en dat hij moest gaan liggen. Ik hoorde dat hij naar mij riep “ [verbalisant 4] vuile teringlijer, ik maak je dood jongen, ik maak je dood”. Ik zag dat hij naar mij keek en ik hoorde dat hij riep “Jij bent nog niet klaar met mij jongen, ik maak je dood”. Ik ben wijkagent van [verdachte] en het is een jongen met een beperking en zonder geweten. Ik ben bang dat hij de dreigementen ten uitvoer wil gaan brengen als hij weer vrijkomt.

17. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 94 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018079097-3), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “ [verbalisant 4] , ik maak je dood”. “ [verbalisant 4] ik maak je kapot! Ik maak je dood!”.”

In de zaak met parketnummer 16-131408-18 steunen de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 op de volgende bewijsmiddelen:

“Feit 1


20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 6-7 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018220974-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood gepleegd op 1 mei 2018 te Harreveld. Op 1 mei 2018 was ik op mijn werk. Ik werk als pedagogisch medewerker op de afdeling [...] . Bij het verlaten van de kamer reageerde [verdachte] verbaal erg agressief. Ik hoorde hem zeggen: “Ik maak je dood, ik stuur iemand op je af. Je zult wel zien, wacht maar af.” Ik zag dat [verdachte] mij aankeek terwijl hij deze woorden uitsprak. Ik hoorde toen hij mij nogmaals aankeek: “Dit zijn geen dreigementen, dit zijn beloftes.” Tijdens het plaatsen in de afzonderingsruimte wilde [verdachte] niet meewerken. Hij moest door ons fysiek onder controle gebracht worden om te zorgen dat hij zichzelf en ons geen schade kon toebrengen. Nadat wij [verdachte] liggend op de grond hadden gebracht, bleef [verdachte] gericht naar mij en [betrokkene 3] : “Wacht maar af, je wordt buiten opgezocht en ik pak je nog wel”. Na ongeveer een half uur ben ik naar de afzonderingsruimte gegaan om te kijken hoe het met [verdachte] ging. Nadat ik het luikje geopend heb kon hij mij alleen maar zien. Ik hoorde dat hij zei: “Ik maak je dood, ik ken wel mensen die je pakken, je zult wel zien.” Later op de avond wilde ik hem dekens brengen. Nadat ik de deur openende keek hij mij en [betrokkene 3] aan en bleef zijn dreigementen herhalen: “Ik maak je dood, je bent nog niet van me af’. Ik ben na deze bedreigingen van [verdachte] erg op mijn hoede.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 9-11 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018223004-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Ik doe aangifte van bedreiging tegen het leven gepleegd op 1 mei 2018 te Harreveld. Op 1 mei 2018 was ik werkzaam op de groep. [verdachte] was zo onrustig dat wij besloten dat hij met de armen achter zijn rug naar de afzondering moest worden gebracht. Ik hoorde dat hij herhaaldelijk riep: “Ik maak jullie dood.” Hij bleef herhalen: “Ik maak je dood, buiten word je gepakt.” Vanaf het moment dat [verdachte] op zijn kamer was tot op het moment dat [verdachte] gefouilleerd werd heeft hij herhaaldelijk naar mij geroepen en geschreeuwd: “ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken.”

Ik weet niet of [verdachte] zijn bedreigingen tegen mij gaat uitvoeren, maar ik voelde mij op dat moment wel bedreigd door [verdachte] .

Feit 2


22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 3-5 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018213318-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :

Ik doe aangifte van bedreiging tegen het leven gepleegd te Harreveld. Op 17 mei 2018 wilden we [verdachte] begeleiden naar de afzondering, waarbij het weer tot een fysiek conflict kwam. Dit werd worstelen op de grond. [verdachte] schreeuwde gericht naar mij: “ [betrokkene 6] , ik maak je kapot”. [betrokkene 5] hoorde dat [verdachte] via de intercom schreeuwde: “ [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en maak je helemaal dood”. [betrokkene 5] heeft mij dit later verteld. Ik ben bang dat [verdachte] deze bedreiging daadwerkelijk gaat waarmaken.

23. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 12-14 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018213318- 4), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5] :

Op 17 mei 2018 hoorde ik [verdachte] naar [betrokkene 6] schreeuwen: “Jij hebt dit allemaal veroorzaakt en ik maak je kapot: . Wij hebben op dat moment besloten om uit de afzondering te gaan. Wij werden door [verdachte] via de intercom opgepiept. Bij het beantwoorden hiervan begon [verdachte] meteen te schreeuwen. [verdachte] schreeuwde: “ [betrokkene 6] ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood”.

In de zaak met parketnummer 16-652610-18 steunt het bewezenverklaarde op de bewijsvoering weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.6. en 4.8. De vermelde bewijsmiddelen houden het volgende in:

“18. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018310878-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood gepleegd te Harreveld op 12 juli 2018. Kort nadat [verdachte] de spullen toch had afgegeven begon hij tegen mijn collega [betrokkene 6] te schreeuwen en de eerste bedreigingen te uiten Ik hoorde dat [verdachte] tegen mijn collega zei: “Ik snij je keel door. Ik maak je dood”. Als [verdachte] op zijn kamer zit horen wij dat [verdachte] spullen aan het vernielen is. Wij zien dat hij met een ijzeren voorwerp tegen zijn kledingkast slaat en dat hij goederen vernielt in zijn kamer. Dit heeft ons doen besluiten om [verdachte] uit zijn kamer te halen en hem te verplaatsen naar de separeercel. Wij hebben [verdachte] met een schildprocedure uit zijn kamer gehaald. [verdachte] was ons aan het opwachten. Toen wij zijn kamer binnen kwamen met het schild gooide [verdachte] een zakje heet water naar ons. Nadat wij [verdachte] onder controle hadden en hem naar de separeercel brachten bedreigde [verdachte] mij en mijn collega meerdere malen met de woorden: ‘ik snij je hoofd eraf, ik maak je dood, ik maak je moeder en vrouw dood.” Ik zag dat [verdachte] tijdens de bedreigingen mij aankeek'. Ik voelde mij bedreigd en angstig. Ik ben er van overtuigd dat [verdachte] zijn woorden omzet in daden.

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte(als bijlage op van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018310796-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 6] :

Ik doe aangifte van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd te Harreveld op 12 juli 2018. [verdachte] is op zijn kamer met behulp van het schild klem gezet en onder controle gebracht. Uiteindelijk heeft het ongeveer 15 minuten geduurd om hem vanaf zijn kamer in de separeerruimte te krijgen. [verdachte] heeft nagenoeg continu bedreigingen geuit. Deze waren echt tegen mij gericht. Dit weet ik omdat hij zelfs mijn voornaam hierbij noemde, maar ook de naam van mijn collega [betrokkene 7] . Ik hoorde dat [verdachte] onder andere tegen mij zei:

- “Ik maak je kapot”

- “Ik maak je dood”

- “Ik ga je echt vermoorden”

- “Ik begin bij je voeten, dan je benen en snij je helemaal kapot”

- “Ik ga je vrouw opzoeken en vermoorden”

- “Ik neuk je moeder en ik neuk je vrouw

Ik ben ervan overtuigd dat [verdachte] zijn bedreigingen waar zal maken. Hij heeft al bewezen wapens te maken van allerlei zaken.”

3.3

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verlenging van de PIJ‑maatregel in dit geval niet mogelijk is. Het hof heeft geoordeeld dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en dat dit ingevolge artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) met zich brengt dat de maatregel telkens met twee jaren kan worden verlengd tot een maximale duur van zeven jaren.

3.4

Artikel 77t Sr luidde ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, als bedoeld in artikel 77s, zevende lid, eerste volzin, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 509oa en 509q van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 77s, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.

(...)”

3.5

In gevallen waarin het misdrijf waarvoor de PIJ-maatregel wordt opgelegd niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen als bedoeld in het derde lid van artikel 77t Sr - bijvoorbeeld in geval van bedreiging (artikel 285 Sr) of belaging (artikel 285b Sr) - zal de rechter zich een oordeel dienen te vormen of, gelet op alle feiten en omstandigheden, dat feit een dergelijk ‘geweldsmisdrijf’ oplevert. Daarbij zal hij onder meer kunnen betrekken of het misdrijf - in deze zaak: de bedreiging - werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. (Zie HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434 rov. 4.3 en 4.4 voor de vergelijkbare situatie van verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 38e, lid 1, Sr).

3.6

Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte de bewezenverklaarde bedreigingen niet alleen verbaal heeft geuit, maar dat de bedreigingen zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door zijn niet-verbaal agressief gedrag en geweld tegen goederen en personen, waarbij sommige aangevers ermee rekening hielden dat de verdachte de bedreiging zou uitvoeren. Dit in aanmerking genomen, geeft het oordeel van het hof dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

3.7

Het middel faalt.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.

4.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;

- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2020.