Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1313

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
19/04159
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:2744, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:241, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Procesrecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding. Vergoedingsrecht. Passeren bewijsaanbod. Nevenvoorziening; art. 827 lid 1, onder f, Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2019
JIN 2020/122 met annotatie van Janssen, M.A.J.G.
NJ 2020/310
RvdW 2020/932
JPF 2020/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/04159

Datum 17 juli 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[de vrouw] ,
thans verblijvende in de Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de vrouw,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaken C/09/552577 en C/09/545874 van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2018;

  2. de beschikking in de zaak 200.250.323/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2019.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van 3 juli 2019 en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

(ii) Bij beschikking van 29 augustus 2018 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

(iii) Het huwelijk is op 22 oktober 2018 ontbonden door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.1

In dit geding heeft de vrouw verzocht, voor zover in cassatie van belang, de man te veroordelen tot betaling van € 130.000,-- in verband met de aanschaf van een personenauto (merk Range Rover). Zij stelt dat zij op grond van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van dit bedrag. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot betaling van genoemd bedrag.

2.2.2

De man heeft verzocht, voor zover in cassatie van belang, de vrouw te veroordelen tot betaling van € 138.030,35 in verband met door de man betaalde kosten van de huishouding. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.1 Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“7. Tussen partijen is niet in geschil dat ten laste van het privé-vermogen van de vrouw een Range Rover voor een bedrag van € 130.000,- is gekocht. Uit de aan het hof overgelegde en ter zitting besproken stukken is gebleken dat de Range Rover door de man is gekocht en aan hem is geleverd. De factuur staat op zijn naam en de man heeft, zoals door hem ter zitting in hoger beroep gesteld, de auto ook verzekerd. De man is derhalve eigenaar geworden van deze auto. Aanvankelijk stelde de man dat de auto zelf aan hem is geschonken. Ter zitting blijkt dat de man stelt dat het aankoopbedrag van de auto aan hem is geschonken door de vrouw. De vrouw betwist gemotiveerd dat zij het bedrag van € 130.000,- aan de man heeft geschonken.

Uit de huwelijkse voorwaarden blijkt van een totale vermogensscheiding. Blijkens voormeld artikel 3 zijn partijen expliciet een vergoedingsrecht met elkaar overeengekomen. Naar het oordeel van het hof kunnen geen van de door de man naar voren gebrachte getuigen iets verklaren met betrekking tot het tot stand komen van de gestelde gift van € 130.000,-, zodat het hof het bewijsaanbod van de man, in het bijzonder door het horen van getuigen, passeert. De door de man aangeboden getuigen kunnen immers enkel verklaren over de aflevering van de auto aan de man, maar niet over.de thans gestelde gift van de vrouw aan de man van het bedrag van € 130.000,-. (…)

9. (…)

Zoals ter zitting van het hof reeds aan partijen is medegedeeld beschikt het hof over onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen of de man ter zake de kosten van de huishouding teveel heeft voldaan en of de vrouw uit dien hoofde het door hem verzochte bedrag aan hem dient te vergoeden.

Weliswaar is bij het hof een zeer aanzienlijk aantal producties ter zake de kosten van de huishouding in het geding gebracht maar er is per kalenderjaar geen inzicht in:

1. de totale kosten van de huishouding;

2. wie wat betaald heeft in het betreffende kalenderjaar;

3. wie welk inkomen heeft genoten dan wel heeft kunnen genieten in het betreffende kalenderjaar;

4. wie welk vermogen heeft in het betreffende kalenderjaar.

De man verwijt de vrouw dat zij tot op heden heeft geweigerd om inzage te geven in haar inkomsten en financiën maar afgezien daarvan heeft ook de man geen inzicht gegeven in de hiervoor door het hof genoemde punten. Het is zo voor het hof niet mogelijk om aan de hand van de evenredigheidsmaatstaf van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden ieders fourneerplicht ter zake van de kosten van de huishouding vast te stellen en op grond daarvan een eventuele betalingsverplichting van de vrouw jegens de man vast te stellen. Aangezien aldus niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 827 lid 1 letter f Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zodat het hof – evenals de rechtbank – het verzoek van de man zal afwijzen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 2.1.2 van het middel klaagt dat het hof (in rov. 7) art. 166 Rv heeft miskend en zich heeft schuldig gemaakt aan een verboden prognose, althans dat het oordeel van het hof zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Het onderdeel voert aan dat het hof het aanbod van de man om bewijs te leveren door middel van getuigen, heeft gepasseerd op de grond dat die getuigen niets zouden kunnen verklaren dat ter zake dienend is, zonder dat het hof deze getuigen heeft gehoord.

3.2.1

Op grond van vaste rechtspraak2 geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep het volgende.

Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.

3.2.2

De man heeft in eerste aanleg schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw de auto aan hem heeft geschonken. In hoger beroep heeft de man een beroep gedaan op deze getuigenverklaringen en het volgende bewijsaanbod gedaan:

“Indien en voor zover op hem de bewijslast zou rusten, biedt de man aan al zijn stellingen door alle middelen rechtens te bewijzen, in het bijzonder door het horen van getuigen. De man biedt ter zake de levering en verkrijging van de Range Rover alsmede over zijn stellingen dat de Range Rover een (onvoorwaardelijke) schenking is geweest, aan om zichzelf, om de vrouw, om [betrokkene 1], om [betrokkene 2], om [betrokkene 3] en om de zoons van de vrouw als getuigen te doen horen. (…)”

3.2.3

Het hof heeft het (hiervoor in 3.2.2 weergegeven) bewijsaanbod gepasseerd op grond van zijn oordeel dat de aangeboden getuigen slechts kunnen verklaren over de aflevering van de auto aan de man, en niet over de door de man gestelde schenking van € 130.000,--. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk waarop het hof dit oordeel baseert. Voor zover het oordeel berust op een waardering van de inhoud van de overgelegde verklaringen, heeft het hof miskend dat de rechter niet mag vooruitlopen op het resultaat van een getuigenverhoor dat nog moet plaatsvinden.3 Ook indien het hof het aangeboden getuigenbewijs niet ter zake dienend heeft geacht omdat het bewijsaanbod uitsluitend betrekking zou hebben op de stelling van de man dat de auto aan hem is geschonken en niet op zijn stelling dat de vrouw het bedrag van € 130.000,-- heeft geschonken waarmee de man vervolgens de auto heeft gekocht, is het oordeel onbegrijpelijk. In dat verband is van belang dat het hof in rov. 7 heeft overwogen dat de man aanvankelijk stelde dat de auto hem is geschonken, maar dat ter zitting is gebleken dat de man stelt dat de vrouw hem het aankoopbedrag heeft geschonken.

De klacht is dus terecht voorgesteld. In het verlengde hiervan slagen ook de onderdelen 2.1.3-2.1.4 en 2.1.8. De onderdelen 2.1.5 en 2.1.6 behoeven geen behandeling.

3.3.1

Onderdeel 2.3.2, dat is gericht tegen rov. 9, klaagt dat het hof het verzoek van de man met betrekking tot de kosten van de huishouding (hiervoor vermeld in 2.2.2) heeft afgewezen. Volgens het onderdeel had het hof het verzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren.

3.3.2

Het hof heeft in rov. 9, samengevat, overwogen dat het over onvoldoende gegevens beschikte om te kunnen vaststellen of de man ter zake van de kosten van de huishouding te veel heeft voldaan, en heeft het verzoek van de man afgewezen op de grond dat niet was voldaan aan het bepaalde in art. 827 lid 1, onder f, Rv.

3.3.3

Art. 827 lid 1, aanhef en onder f, Rv houdt in, voor zover thans van belang, dat de rechter in een echtscheidingsprocedure een andere voorziening dan de onder a-e van het artikel bedoelde voorzieningen kan treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

Wanneer de voorziening niet voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek of de behandeling daarvan tot onnodige vertraging zal leiden, dient de rechter blijkens de parlementaire geschiedenis het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.4

3.3.4

Het hof heeft kennelijk, gezien zijn verwijzing naar art. 827 lid 1, onder f, Rv, geoordeeld dat de behandeling van het verzoek van de man tot onnodige vertraging zou leiden. Het hof had derhalve niet op deze grond het verzoek mogen afwijzen, maar het hooguit niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De klacht is dus gegrond.

Onderdeel 2.3.3, dat klaagt over het gebrek aan motivering van de beslissing om het verzoek niet in behandeling te nemen, is eveneens gegrond. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beoordeeld of de behandeling van de door de man gevraagde voorziening tot onnodige vertraging zal leiden.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 17 juli 2020.

1 Gerechtshof Den Haag 3 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2744.

2 Zie onder meer HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817 en HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49.

3 Zie ook HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2.

4 Kamerstukken II 1999/00, 26862, nr. 3, p. 10.