Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1310

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
19/01909
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:125, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:391, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; verjaring. Vordering op rechtspersoon die na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en vervolgens is opgehouden te bestaan (art. 2:19 lid 1, onder c, en lid 6 BW), terwijl de mogelijkheid bestaat dat de vereffening in faillissement wordt heropend (art. 194 Fw). Geldt gedurende de periode dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, voor de verjaring een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01909

Datum 17 juli 2020

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1],

hierna: [eiser 1],

2. [de echtgenote van eiser 1],
beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: J.W. de Jong,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Rabobank,

advocaten: T.T. van Zanten en I.M.A. Lintel.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/02/274061/HA ZA 13-948 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2014 en 14 januari 2015;

  2. de arresten in de zaak 200.168.362/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2016 en 15 januari 2019.

[eisers] hebben tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Rabobank heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor Rabobank toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.16. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.

(i) Rabobank heeft op 25 januari 2008 een financieringsovereenkomst gesloten met [C] Holding B.V. (hierna: [C] Holding). Hierbij heeft Rabobank zekerheden bedongen, waaronder een borgstelling door [eiser 1]. [eiser 1] was op dat moment indirect bestuurder en 50%-aandeelhouder van [C] Holding.

(ii) [eiser 1] heeft op dezelfde datum een borgtochtovereenkomst getekend, waarin hij zich ten behoeve van Rabobank borg stelt voor een bedrag van maximaal € 75.000,- tot zekerheid voor de voldoening van hetgeen Rabobank van [C] Holding te vorderen heeft of mocht hebben (hierna: de borgtochtovereenkomst).

(iii) Bij brief van 11 november 2008 heeft Rabobank de aan [C] Holding verstrekte financiering opgezegd en [C] Holding gesommeerd het uitstaande saldo uiterlijk op 25 november 2008 te voldoen.

(iv) Bij brief van dezelfde datum heeft Rabobank aan [eiser 1] meegedeeld dat zij hem mogelijk als borg zal moeten aanspreken en dat dit afhankelijk zal zijn van de opbrengst van de andere gestelde zekerheden.

(v) [C] Holding is op 18 november 2008 in staat van faillissement verklaard.

(vi) Bij brief van 24 november 2008 heeft Rabobank aan de curator opgave gedaan van haar vordering op [C] Holding en aan de curator meegedeeld dat, voor zover haar vordering niet uit de gestelde zekerheden kan worden voldaan, zij haar vordering ter verificatie indient.

(vii) De boedel van [C] Holding is op 20 juli 2012, op grond van art. 137d en 137f Fw, in staat van insolventie komen te verkeren door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.

(viii) Rabobank heeft [eiser 1] bij brieven van 5 december 2008, 24 augustus 2010 en 17 september 2013 aangesproken op zijn verplichtingen uit de borgtochtovereenkomst en hem verzocht over te gaan tot betaling van € 75.000,--. [eiser 1] heeft daaraan niet voldaan.

2.2

Rabobank vordert in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [eiser 1] tot betaling van € 75.000,-- op grond van de borgtochtovereenkomst.

2.3

[eisers] hebben deze vordering bestreden en onder meer aangevoerd dat de vordering van Rabobank op [C] Holding op grond van art. 3:307 BW is verjaard en dat dit blijkens art. 7:853 BW betekent dat de borgtocht teniet is gegaan.

2.4

De rechtbank heeft de vordering van Rabobank afgewezen.

2.5

Het hof heeft bij tussenarrest, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.1

De vordering van Rabobank op [C] Holding is op 25 november 2008 opeisbaar geworden. De verjaringstermijn van art. 3:307 BW is op 26 november 2008 aangevangen, zodat de vordering van Rabobank op [C] Holding in beginsel op 26 november 2013 is verjaard. (rov. 3.10.2)

Rabobank heeft op 24 november 2008 aan de curator opgave gedaan van hetgeen zij van [C] Holding heeft te vorderen en daarbij haar vordering, voor zover deze niet uit de gestelde zekerheden kon worden voldaan, ter verificatie ingediend. (rov. 3.10.3)

Tussen partijen is niet in geschil dat [C] Holding op 20 juli 2012 in staat van insolventie verkeerde en daarom op die dag is ontbonden en opgehouden te bestaan. In art. 36 Fw is bepaald dat indien de verjaringstermijn van een rechtsvordering als bedoeld in art. 26 Fw zou aflopen tijdens het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, de termijn voortloopt totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken, in het onderhavige geval 20 januari 2013. Omdat de verjaringstermijn in dit geval al liep tot 26 november 2013, leidt het bepaalde in art. 36 Fw niet tot een verdere verlenging van de verjaringstermijn. (rov. 3.10.4)

In een soortgelijke zaak tussen een borg en een bank is door het gerechtshof Den Haag als volgt geoordeeld. Indien de rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer had (art. 2:19 lid 4 BW), blijft een eventuele vordering op deze rechtspersoon wel bestaan. Indien alsnog blijkt van het bestaan van een bate, kan deze vordering met toepassing van art. 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een dergelijk geval het verhaal door verjaring verloren zou gaan, is in art. 2:23c lid 2 BW bepaald dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW bestaat. Die verlengingstermijn loopt ook als nog niet is gebleken van een bate. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Omdat de uitkomst van dat cassatieberoep voor de onderhavige zaak van belang is, zal het hof de zaak aanhouden totdat de Hoge Raad op het cassatieberoep heeft beslist. (rov. 3.10.6)

2.6

Nadat de Hoge Raad het door het hof bedoelde cassatieberoep had verworpen,2 heeft het hof bij eindarrest het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiser 1] veroordeeld tot betaling van € 75.000,--.3 Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen.

Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, is het faillissement van [C] Holding niet opgeheven wegens gebrek aan baten, maar vereenvoudigd afgewikkeld op de voet van de art. 137a -137g Fw. Het gaat dus om een ‘afwikkeling in faillissement’. Uit art. 2:23a lid 5 BW volgt dat in dat geval art. 2:23c BW niet van toepassing is. Indien een nagekomen bate opkomt, moet de vereffening worden heropend op grond van art. 194 Fw en niet op grond van art. 2:23c lid 1 BW. (rov. 7.4.4)

In het geval van heropening van de vereffening in faillissement op grond van art. 194 Fw, doet zich eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW. In beide gevallen herleeft de rechtspersoon, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 193 lid 1 Fw in verbinding met art. 194 Fw volgt immers dat ten aanzien van een nagekomen bate het faillissement niet is geëindigd. Art. 36 Fw is dan ook van toepassing. Daaruit volgt dat gedurende het faillissement (voor zover niet geëindigd) en zes maanden na het einde daarvan de verjaringstermijn wordt verlengd. Art. 36 Fw bevat net als art. 2:23c lid 2 BW een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW. Gedurende het bestaan van een verlengingsgrond kan een verjaringstermijn niet aflopen. In lijn daarmee bepaalt art. 194 Fw dat de curator na heropening de nagekomen bate dient te vereffenen en te verdelen op de grondslag van de vroegere uitdelingslijsten. Daaruit blijkt dat de op die uitdelingslijsten vermelde vorderingen niet (kunnen) verjaren. Indien het faillissement vereenvoudigd is afgewikkeld, staan op die uitdelingslijsten alleen preferente vorderingen. Mocht na heropening blijken dat de nagekomen bate van een zodanige omvang is dat uit de opbrengst daarvan ook concurrente vorderingen (deels) kunnen worden voldaan, dan wordt alsnog een verificatievergadering gehouden (art. 137g Fw). Dat betekent dat ook die concurrente vorderingen niet (kunnen) verjaren. De conclusie is dan ook dat uit art. 36 Fw, 137c Fw, 137g Fw, 193 Fw en 194 Fw, in verbinding met art. 3:320 BW, volgt dat een lopende verjaringstermijn niet afloopt zolang een vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van art. 194 Fw. Dit brengt mee dat ook in het geval van een vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement, de heropening van de vereffening in faillissement geen vereiste is voor het voortlopen van de verjaringstermijn. Om diezelfde reden is stuiting van een vordering op de niet meer bestaande rechtspersoon [C] Holding evenmin vereist. (rov. 7.4.5)

Een ander oordeel zou tot gevolg hebben dat, indien het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten en er dus in het geheel geen vereffening heeft plaatsgevonden, de schuldeisers een betere rechtspositie met betrekking tot (mogelijke) verjaring van hun vordering zouden hebben dan wanneer (i) het faillissement vereenvoudigd is afgewikkeld en er een gedeeltelijke afwikkeling heeft plaatsgevonden of wanneer (ii) het faillissement, na het houden van een verificatievergadering, is geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst met daarop preferente en concurrente vorderingen en dus een volledige afwikkeling heeft plaatsgevonden. Dat kan niet de bedoeling zijn en er is geen reden voor een dergelijke ongelijke behandeling van schuldeisers. De door de Hoge Raad in het arrest van 30 juni 2017 neergelegde regel is niet beperkt tot de situatie dat een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan door opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten. Deze regel geldt steeds ingeval een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan op grond van de in art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c, BW genoemde gronden. Deze regel geldt dus ook indien een rechtspersoon op grond van art. 2:19 lid 4 BW ophoudt te bestaan doordat hij op grond van art. 137f Fw of art. 173 Fw in staat van insolventie komt te verkeren. (rov. 7.4.6)

Het voorgaande betekent dat de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard. (rov. 7.4.7)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 10 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de vordering van Rabobank op [C] Holding niet is verjaard, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoogt dat de art. 36 Fw, 137c Fw, 137g Fw, 193 Fw en 194 Fw niet meebrengen dat een lopende verjaringstermijn voortduurt zolang de vereffening in faillissement niet is heropend op de voet van art. 194 Fw. De vordering van Rabobank op [C] Holding is dan ook verjaard, aldus het onderdeel.

3.2

Art. 3:320 BW bepaalt dat, wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, die termijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond zijn verstreken. Verlengingsgronden zijn in de wet geregeld en zien op bijzondere omstandigheden waarin de verjaring haar bevrijdende werking niet moet kunnen uitoefenen.4

3.3

In deze zaak gaat het om een vordering op een rechtspersoon die op grond van art. 2:19 lid 1, aanhef en onder c, BW na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, op grond van art. 2:19 lid 6 BW is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de vereffening in faillissement op grond van art. 194 Fw wordt heropend omdat, kort gezegd, nog van de aanwezigheid van baten blijkt.

3.4

In art. 2:23c lid 2 BW en art. 2:19a lid 8 BW zijn verlengingsgronden als bedoeld in art. 3:320 BW opgenomen voor gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en is opgehouden te bestaan, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de rechtspersoon op enig moment herleeft. Het gaat daarbij om (i) de gevallen waarin de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon heeft plaatsgevonden en nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt (art. 2:23c lid 2 BW) en om (ii) de gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel en die beschikking aan vernietiging blootstaat (art. 2:19a lid 8 BW). Voor deze gevallen geldt gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan een verlengingsgrond.

In de wetsgeschiedenis zijn deze bepalingen aldus toegelicht dat een speciale voorziening moet worden getroffen voor het geval een verjaringstermijn zou aflopen in de periode dat de rechtspersoon had opgehouden te bestaan.5

De regeling van art. 2:23c lid 2 BW heeft de strekking om te voorkomen dat rechtsvorderingen op een niet meer bestaande rechtspersoon verjaren zolang de vereffening van die rechtspersoon niet is heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. Daarbij is heropening van de vereffening geen vereiste voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Ook behoeft verjaring van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet bestaat.6 Waar stuiting is bedoeld om de schuldenaar een voldoende duidelijke waarschuwing te geven dat de schuldenaar er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren,7 zou een stuitingsverklaring die is gericht aan een niet meer bestaande rechtspersoon immers dat doel missen.

3.5.1

Bij heropening van de vereffening in faillissement van een rechtspersoon op grond van art. 194 Fw, doet zich in zoverre eenzelfde situatie voor als bij heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW, dat in beide gevallen de rechtspersoon die is opgehouden te bestaan herleeft, maar uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. Art. 2:23a lid 5 BW bepaalt evenwel dat de regeling van art. 2:23a-23c BW niet van toepassing is op vereffening in faillissement. Daaruit volgt dat de verlengingsgrond van art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW niet geldt indien, zoals in het onderhavige geval, een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan. Ook overigens voorziet de wet voor een geval als dit niet in een verlengingsgrond.

3.5.2

Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:23a lid 5 BW en art. 2:23c lid 2 BW blijkt echter niet dat de wetgever voor een geval als het onderhavige heeft beoogd om gedurende de periode waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, geen verlengingsgrond te laten gelden als bedoeld in art. 3:320 BW. In het bijzonder lijkt bij de latere invoering van art. 2:23c lid 2 BW niet onder ogen te zijn gezien dat de in die bepaling bedoelde verlengingsgrond niet zou gelden als een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is opgehouden te bestaan ingevolge art. 2:19 lid 1 aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 137f Fw of art. 173 Fw, maar wel als een rechtspersoon is opgehouden te bestaan op een andere grond.8

Dat in een geval als het onderhavige geen verlengingsgrond zou gelden, ligt, gelet op het doel en de strekking van verlengingsgronden in het algemeen (zie hiervoor in 3.2) en in gevallen waarin een rechtspersoon is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan in het bijzonder (zie hiervoor in 3.4), niet in de rede. Het gaat immers om een schuldeiser die zijn rechtsvordering, door de bijzondere omstandigheid dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, niet geldend kan maken, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de schuldeiser dat op een later moment wel kan, en terwijl bezwaarlijk kan worden verlangd dat de schuldeiser de verjaring van de rechtsvordering stuit in de periode dat de rechtspersoon niet meer bestaat.

3.5.3

Het past in het stelsel van de wet en sluit aan bij de in de wet geregelde gevallen om aan te nemen dat ook in een geval waarin een rechtspersoon na faillietverklaring door insolventie is ontbonden en, nadat de vereffening van zijn vermogen in faillissement is geëindigd, is opgehouden te bestaan, gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, een verlengingsgrond bestaat als bedoeld in art. 3:320 BW.

3.6

Op het voorgaande stuit de hiervoor in 3.1 genoemde klacht af.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 2.763,34 aan verschotten en € 2.200,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 17 juli 2020.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5410.

2 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:125.

4 Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 938, Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 385

5 Kamerstukken II 1991/92, 22482, nr. 3, p. 15 en 18.

6 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182, rov. 3.3.3.

7 Zie o.a. HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615, rov. 3.5.

8 Kamerstukken II 1991/92, 22482, nr. 3, p. 18.