Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
18/04090
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:2714, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:165, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Zijn schenkingen tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW)? Afwijking van hoofdregel van bewijslastverdeling bij beroep van schenker op misbruik van omstandigheden (art. 7:176 BW)? Verzuim om grief te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/04090

Datum 10 juli 2020

ARREST

In de zaak van

[eiser], in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de vader],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: de oudste zoon en de vader,

advocaat: aanvankelijk S. Kousedghi en thans H.J.W. Alt,

tegen

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: de jongste zoon en zijn (of: diens) partner,

advocaat: C.S.G. Janssens.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/09/444111 / HA ZA 13-0637 van de rechtbank Den Haag van 4 september 2013 en 29 januari 2014;

  2. het arrest in de zaak 200.149.731/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2015;

  3. de arresten in de zaak 200.176.873/01 van het gerechtshof Den Haag van 14 maart 2017 en 21 augustus 2018.

De vader heeft tegen de arresten van het hof van 14 maart 2017 en 21 augustus 2018 beroep in cassatie ingesteld.

Op 20 november 2018 is de vader overleden. De zaak is voortgezet door de oudste zoon in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de vader.

De jongste zoon en zijn partner hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de jongste zoon en zijn partner toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van de arresten van het hof van 14 maart 2017 en 21 augustus 2018 en tot verwijzing.

De advocaat van de jongste zoon en zijn partner heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader is geboren in 1940, heeft twee zonen en is sinds 1994 weduwnaar. Hij is overleden in november 2018, toen dit cassatieberoep reeds was ingesteld. De oudste zoon heeft in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de vader de cassatieprocedure voortgezet. Verweerder in cassatie onder 1 is de jongste zoon, verweerder in cassatie onder 2 is sinds 1998 de levenspartner van de jongste zoon.

(ii) De vader was afkomstig uit een vermogende familie. In ieder geval sinds het overlijden van zijn echtgenote in 1994 bepaalde en regelde de vader zijn financiële zaken zo veel mogelijk zelf, maar hij had van oudsher relatief weinig financieel inzicht, financieel overzicht en financiële interesse. De vader maakte daardoor forse schulden. Ook had de vader gezondheidsproblemen door suikerziekte, auto-ongelukken en toenemende ouderdom. In 2007 is na gezamenlijk overleg tussen zijn beide zonen bij de kantonrechter te Den Haag een verzoek tot onderbewindstelling ter bescherming van het vermogen van de vader ingediend. Dat verzoek is kort voor de mondelinge behandeling daarvan om praktische redenen weer ingetrokken.

(iii) In de periode van 1998 tot medio 2012 trokken de vader en de jongste zoon en diens partner zeer nauw met elkaar op. Zij woonden in die periode op diverse adressen bij elkaar in de buurt in Den Haag en in Frankrijk. De jongste zoon en zijn partner hielpen de vader ook met zijn persoonlijke verzorging, met zijn medische problemen en met (een deel van) zijn financiële zaken. De vader had meerdere bankrekeningen, met bijbehorende bankpassen, die hij zelf gebruikte. De jongste zoon kon via internetbankieren mede beschikken over de betaalrekening van de vader bij de Rabobank (hierna: de Rabobankbetaalrekening), die administratief gekoppeld was aan zijn eigen betaalrekening. Hij verrichtte via het internet betalingen voor de vader. De jongste zoon en zijn partner hebben daarnaast, tot in ieder geval 2008, grote bedragen aan de vader voorgeschoten wegens diverse door de vader gemaakte schulden in Nederland en in Frankrijk. Verder deden de vader en de jongste zoon en diens partner over en weer diverse kleinere uitgaven voor elkaar en verrekenden zij een en ander later zo nodig of zo mogelijk weer. In deze periode had de vader weinig contact met de oudste zoon.

(iv) Op initiatief van de jongste zoon en zijn partner heeft de vader in de periode van 2004 tot en met 2006 diverse schuldbekentenissen ondertekend waarbij de vader heeft verklaard bedragen van de jongste zoon en diens partner te leen te hebben ontvangen. Het gaat daarbij in deze procedure om vier schuldbekentenissen uit rentedragende geldleningen voor in totaal € 238.685,50 in hoofdsom.

(v) In 2002 hebben de jongste zoon en zijn partner uit privévermogen een toen nog vervallen landhuis in Frankrijk gekocht (hierna: het landhuis). Van 2002 tot en met 2008 hebben zij het landhuis gerenoveerd. Zij gebruikten het landhuis als tweede woning naast hun woning in Den Haag. De vader was enthousiast over deze renovatie en de locatie van het landhuis en verbleef, al dan niet samen met andere gasten, dikwijls bij de jongste zoon en diens partner in het landhuis.

(vi) In maart 2008 kregen de vader en de jongste zoon en diens partner te horen dat een vermogende tante van de vader uit Zwitserland was overleden en dat de vader een groot legaat zou ontvangen (hierna: het Zwitserse legaat). In maart 2008 had de vader geen relevant eigen vermogen meer. De vader ontving ongeveer € 2.030,-- netto per maand aan AOW en pensioen en moest voor zijn door de jongste zoon en diens partner geregelde huurappartement in Den Haag ongeveer € 1.100,-- per maand aan huur betalen, exclusief energiekosten en andere vaste lasten.

(vii) In mei 2008 heeft de vader op initiatief van de jongste zoon en diens partner een vijfde schuldbekentenis aan hen uit rentedragende geldlening ondertekend voor € 348.300,- in hoofdsom.

(viii) Op 2 september 2008 heeft de vader een door de jongste zoon en diens partner opgestelde onderhandse verklaring ondertekend, waarin de vader, samengevat weergegeven, verklaart dat hij een groot aantal van zijn meubels en schilderijen in bruikleen geeft aan de jongste zoon voor het landhuis, dat “na een jarenlange restauratie voltooiing nadert” en voorts:

“Tenslotte bevestig ik hiermee dat ik op substantiële wijze financieel zal bijdragen aan de restauratiewerkzaamheden die onder meer aanpassingen voor een comfortabel gebruik door mijzelf omvatten, om zo in dankbaarheid mijn over de laatste 10 jaar opgebouwde schulden aan [de jongste zoon en zijn partner] te vereffenen.”

(ix) De vader heeft in de periode van september 2008 tot december 2009 het hiervoor onder (vi) bedoelde Zwitserse legaat in vijf gedeelten ontvangen op zijn Rabobankbetaalrekening, in totaal € 960.171,99. Kort voor of na de ontvangst van deze vijf deelbedragen zijn vanaf de Rabobankbetaalrekening betalingen gedaan aan de jongste zoon en zijn partner. Ook werd in oktober 2008 een bedrag van € 150.000,- (in drie deelbetalingen van € 50.000,-) overgeboekt van de Rabobankbetaalrekening van de vader naar een Franse bankrekening van de vader met de vermelding “[landhuis] voorschot verbouwing”. In december 2009 bedroeg het banksaldo van de vader op zijn Rabobankbetaalrekening € 1.745,15 debet, en was dus het gehele bedrag van het Zwitserse legaat weer van die rekening verdwenen.

(x) Vanaf 2008 en 2009 is de renovatie van het landhuis van de jongste zoon en zijn partner, na inschakeling van een Franse architect en een Franse hoofdaannemer, in sneller tempo dan voorheen voltooid. Daarbij hebben de jongste zoon en zijn partner in een aanbouw op de begane grond een gelijkvloers appartement met eigen badkamer voor de vader laten bouwen, naar de wensen van de vader. Het appartement werd ingericht met eigen meubels van de vader, opdat hij zijn oude dag zo veel en zo comfortabel mogelijk bij de jongste zoon en diens partner in het landhuis zou kunnen doorbrengen. De vader heeft tot medio 2012 aldus jaarlijks ook lange perioden bij de jongste zoon en diens partner in het landhuis doorgebracht.

(xi) In 2012 verslechterde de gezondheidstoestand van de vader verder en overleed de moeder van de vader. De nalatenschap van vaders moeder bleek negatief. De vader bleek toen bovendien nog een opeisbare schuld uit 1992 aan zijn broers en zusters te hebben van (in 1992 in hoofdsom) fl. 225.000,-- (overeenkomend met € 102.100,55). De vader heeft zich toen voor financieel advies en hulp tot de oudste zoon gewend. Die laatste heeft in de boekhouding van de vader onder meer de diverse overboekingen in de periode 2008-2009 aangetroffen, waaronder overboekingen aan de jongste zoon en diens partner, waardoor eind 2009 per saldo niets meer resteerde van het Zwitserse legaat.

(xii) Als gevolg van de hiervoor onder (xi) genoemde ontwikkelingen is vanaf medio 2012 een definitieve relatiebreuk en een financieel en juridisch conflict ontstaan tussen – aan de ene kant – de vader en de oudste zoon en – aan de andere kant – de jongste zoon en diens partner. Sindsdien hielp de oudste zoon de vader met zijn financiële zaken en met zijn persoonlijke en medische verzorging in Den Haag.

2.2

In deze procedure vordert de vader hoofdelijke veroordeling van de jongste zoon en diens partner tot betaling van € 954.988,56 in hoofdsom, en teruggave van diverse roerende zaken. De vordering tot betaling berust, samengevat weergegeven, primair op onverschuldigde betaling, subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair op onrechtmatige daad, bestaande in misbruik van omstandigheden.

2.3

De rechtbank1 heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden behoudens voor zover het de (hiervoor in 2.1 onder (vii) bedoelde) schuldbekentenis van mei 2008 betreft. Daarmee was per 2 oktober 2008 een bedrag gemoeid (in hoofdsom en rente) van € 351.225,60. De betaling uit hoofde van deze schuldbekentenis moet volgens de rechtbank worden aangemerkt als een schenking die door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. De rechtbank heeft de jongste zoon en zijn partner hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 351.225,60 in hoofdsom, en tot afgifte van diverse roerende zaken.

2.4.1

In het door de vader ingestelde hoger beroep heeft het hof bij verstekarrest2 het vonnis van de rechtbank vernietigd wat betreft de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van de vader tot betaling van een geldsom. Het hof heeft de jongste zoon en zijn partner alsnog hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 588.789,31 in hoofdsom (naast het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 351.225,60).

2.4.2

In het door de jongste zoon en zijn partner gedane verzet heeft het hof bij tussenarrest3 als volgt overwogen.

De verhouding tussen de vader en de jongste zoon en diens partner is tot medio 2012 goed geweest. In de periode 2008-2009 is een bedrag van bijna € 1 miljoen (het Zwitserse legaat) uitgegeven. Vast staat dat het vermogen van de vader niet onder bewind is gesteld en dat hij niet onder curatele is gesteld. Gezien zijn academische achtergrond mag verondersteld worden dat de vader wel enige kennis heeft gehad van financiën en dat hij wist wat hij deed. Bij gebreke van medische verklaringen dan wel andere deskundigenberichten staat niet vast dat de vader vanaf 1998 tot heden feitelijk handelingsonbekwaam is. Voorts staat vast dat de notaris in november 2012 in de geestesgesteldheid van de vader geen beletsel zag om een notariële volmacht te passeren. (rov. 29-31)

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het de wens van de vader is geweest om meubels, schilderijen en andere voorwerpen over te brengen naar het landhuis van de jongste zoon en diens partner en dat hij ermee akkoord ging dat mede voor zijn rekening werd verbouwd. Dat de vader achteraf spijt heeft gekregen, doet daar niet aan af. (rov. 32)

Desinteresse in financiën brengt in beginsel niet mee dat een ander daarvoor aansprakelijk wordt. De vader heeft de schuldbekentenissen ondertekend. Ook heeft hij de bankafschriften van zijn bankrekeningen ontvangen. Hij had dus inzicht, dan wel inzicht kunnen verkrijgen in de afschrijvingen en mutaties op zijn bankrekening(en). Voor zover de jongste zoon en zijn partner het beheer hebben gevoerd over het vermogen van de vader of krachtens een informele volmacht daarover hebben beschikt, waren zij gehouden zorgvuldig te handelen en zich in beginsel te laten leiden door de belangen van de vader. Hierover dienen zij rekening en verantwoording af te leggen. In familieverhoudingen wordt dit vaak op informele wijze gedaan. In ieder geval was er voor de vader tot mei 2013 kennelijk geen grond om terug te komen op de afschrijvingen en betalingen die in 2008 en 2009 zijn gedaan ten laste van zijn vermogen. (rov. 33)

Het is niet gebleken dat de vader voor het uitbrengen van de dagvaarding in 2013 aan de jongste zoon en diens partner heeft gevraagd om rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot het gestelde beheer over zijn vermogen. Pas vijf jaar na de gewraakte betalingen heeft de vader de jongste zoon en diens partner gedagvaard op grond van misbruik van omstandigheden, onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. (rov. 34)

Gezien het gemotiveerde verweer van de jongste zoon en zijn partner kan het hof op basis van de door de vader verstrekte gegevens niet vaststellen dat sprake is van misbruik van omstandigheden met betrekking tot de betalingen die vanuit het vermogen van de vader zijn gedaan. Ook heeft het hof geen andere grondslagen kunnen vaststellen die tot toewijzing van de vorderingen kunnen leiden. De vader is in beginsel aan zijn handelen gebonden, tenzij sprake is van misbruik van omstandigheden. (rov. 35)

De rechtbank heeft de bewijslastverdeling juist toegepast en heeft daarbij terecht onderscheiden tussen de schenkingen en de andere betalingen. Het hof begrijpt dat volgens de jongste zoon en zijn partner ook de schenking van € 351.225,60 niet heeft plaatsgevonden door misbruik van omstandigheden. Zij verwijzen naar het feit dat de vader de betrokken schuldbekentenis zelf heeft ondertekend en bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg zelf heeft verklaard dat de betalingen uit hoofde daarvan met zijn volledige instemming zijn gedaan. Gezien de onderhavige feiten en het tijdsverloop, alsmede het feit dat de vader over zijn financiële administratie beschikt die voor de jongste zoon en diens partner niet toegankelijk is, is het hof van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bewijslast rust op de vader dat desondanks sprake is van misbruik van omstandigheden. (rov. 36)

De vader heeft een bewijsaanbod gedaan. Gelet op dit aanbod in samenhang met het debat zal de vader worden toegelaten tot het bewijs dat de jongste zoon en diens partner misbruik van omstandigheden hebben gemaakt als gevolg waarvan de vader in de periode van 2008 tot het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg tot de gewraakte betalingen is gebracht die hij zonder dat misbruik niet zou hebben verricht. (rov. 37)

2.4.3

In zijn eindarrest heeft het hof4 de jongste zoon en zijn partner ontheven van de veroordelingen van het hiervoor in 2.4.1 bedoelde verstekarrest. Voorts heeft het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd, de vordering van de vader tot terugbetaling van de schenking van € 351.225,60 alsnog afgewezen, en dat vonnis voor het overige bekrachtigd. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.

De getuigenverklaringen vormen nog niet eens het begin van bewijs dat de rechtshandelingen in de periode van 2008 tot 2012 hebben plaatsgevonden door misbruik van omstandigheden. Ook op grond van de processtukken heeft het hof dat niet kunnen vaststellen. (rov. 13)

Het hof is van oordeel dat de vader volledig uit vrije wil met de jongste zoon en diens partner in Frankijk woonde en dat de rechtshandelingen die hij ten behoeve van de jongste zoon en diens partner heeft verricht, volledig zijn instemming hadden. (rov. 14)

Uit de schriftelijke verklaringen volgt dat de jongste zoon en zijn partner de vader met veel zorg hebben omringd en datgene voor hem hebben gedaan wat hij prettig vond. Dat wellicht niet alle investeringen in het landhuis verstandig zijn geweest, dan wel dat de vader te veel geld heeft uitgegeven, brengt op zichzelf niet mee dat deze feiten ten laste van de jongste zoon en diens partner dienen te worden gebracht. Mede op basis van de getuigenverklaringen en hetgeen het hof zelf ter zitting heeft waargenomen, kan niet worden geoordeeld dat de jongste zoon en zijn partner misbruik van omstandigheden hebben gemaakt. De vader was klaarblijkelijk in staat om de gevolgen van zijn handelingen te overzien en hij heeft uit vrije wil bijgedragen aan een leefomgeving die hij ambieerde. (rov. 17)

Niet is komen vast te staan dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Uit de bewijsmiddelen die door de jongste zoon en zijn partner zijn aangedragen, lijkt eerder het tegendeel te volgen. (rov. 18)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel I van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 36 van het tussenarrest) dat op de vader de bewijslast rust dat de schenking van € 351.225,60 onder misbruik van omstandigheden heeft plaatsgevonden.

Het onderdeel doet een beroep op art. 7:176 BW, waarin is bepaald dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

In de kern klaagt het onderdeel dat het hof weliswaar mocht afwijken van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 7:176 BW, maar dat het hof zijn oordeel dat er grond is om af te wijken van die hoofdregel, onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.1.2

Art. 7:176 BW is in de parlementaire geschiedenis als volgt toegelicht.

De bijzondere regel van bewijslastverdeling van art. 7:176 BW, die afwijkt van de hoofdregel van art. 150 Rv, is in de wet opgenomen ter versterking van de positie van de schenker. Aan de regel van art. 7:176 BW bestaat geen behoefte indien van de schenking een notariële akte is opgemaakt; in dat geval mag voorshands ervan worden uitgegaan dat de schenker zonder overijling en ongeoorloofde beïnvloeding is te werk gegaan.

Voorts is in art. 7:176 BW een uitzondering opgenomen voor het geval de in de hoofdregel vervatte verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Van dit laatste zal de rechter dan wel uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, ervan uitgaande dat feiten zijn gesteld die deze afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Daarbij valt te denken aan het geval dat alleen de schenker over het bewijsmateriaal beschikt of dat zijn betoog zo onwaarschijnlijk is dat voorlopige aanvaarding ervan de wederpartij in een onredelijke bewijspositie zou brengen.5

3.1.3

Het hof heeft zijn beslissing om af te wijken van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 7:176 BW gemotiveerd door te verwijzen naar “de onderhavige feiten en het tijdsverloop, alsmede het feit dat [de vader] over zijn financiële administratie beschikt die voor [de jongste zoon en diens partner] niet toegankelijk is”. Het onderdeel klaagt terecht dat deze feiten en omstandigheden het oordeel van het hof niet kunnen dragen.

De verwijzing naar “de onderhavige feiten” is onvoldoende nauwkeurig, nu het hof in de voorafgaande rov. 29-35 een groot aantal feiten en omstandigheden heeft opgesomd, en zonder nadere toelichting niet duidelijk is welke daarvan meebrengen dat toepassing van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 7:176 BW in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

Voorts is onvoldoende duidelijk op welk tijdsverloop het hof het oog heeft. Daarbij is van belang dat tussen het tijdstip (medio 2012) waarop een definitieve relatiebreuk en een financieel en juridisch conflict is ontstaan tussen – aan de ene kant – de vader en de oudste zoon en – aan de andere kant – de jongste zoon en diens partner (zie hiervoor in 2.1 onder (xii)) en het tijdstip waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht (mei 2013), minder dan een jaar is verstreken.

Ten slotte valt zonder nadere motivering niet in te zien welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de vader over zijn financiële administratie beschikt die voor de jongste zoon en diens partner niet toegankelijk is, bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een schenking die door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. Bovendien heeft de vader een gespecificeerd overzicht in het geding gebracht van betalingen naar rekeningen van de jongste zoon en diens partner over de jaren 2008 en 2009 en ook de (hiervoor in 2.1 onder (vii) bedoelde) schuldbekentenis van mei 2008.

3.2.1

Onderdeel II.1 heeft betrekking op het hiervoor in 2.1 onder (ix) bedoelde bedrag van € 150.000,--. Het onderdeel betoogt (i) dat de vader in eerste aanleg heeft aangevoerd dat hij ook dit bedrag heeft geschonken en dat die schenking onder misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, (ii) dat de rechtbank deze deelvordering als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen (vonnis, rov. 4.15), en (iii) dat de vader met grief 9 tegen dit oordeel van de rechtbank is opgekomen, waarbij hij deze deelvordering met nieuwe stukken nader heeft onderbouwd. Het onderdeel klaagt dat het hof niet kenbaar is ingegaan op grief 9.

3.2.2

Ook deze klacht slaagt. Noch in het tussenarrest, noch in het eindarrest heeft het hof hetgeen de vader in hoger beroep over het bedrag van € 150.000,-- heeft aangevoerd, kenbaar in zijn oordeelsvorming betrokken.

Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat hetgeen (in rov. 36 van het tussenarrest) is overwogen over de afwijking van de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 7:176 BW, mede op het bedrag van € 150.000,-- ziet, brengt het slagen van onderdeel I mee dat dit oordeel evenmin in stand kan blijven.

3.3

Het vorenstaande brengt mee dat het tussenarrest en het eindarrest niet in stand kunnen blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de arresten van het gerechtshof Den Haag van 14 maart 2017 en 21 augustus 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 10 juli 2020.

1 Rechtbank Den Haag 29 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1101.

2 Gerechtshof Den Haag 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2534.

3 Gerechtshof Den Haag 14 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:801.

4 Gerechtshof Den Haag 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2714.

5 Zie HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1272, rov. 3.3.3, met verwijzing naar Kamerstukken II 1981/82, 17213, nr. 3, p. 8-9.