Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1236

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
19/04566
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:238
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:559
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:6927
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomenstenbelasting, Rijnvarendenverdrag, artikelen 57 en 58 Wfsv, artikel 11, lid 1, AWR, heffing premie volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-07-2020
FutD 2020-2044 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/04566

Datum 10 juli 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, nrs. 18/00296, 18/00297 en 18/00298, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 13/1177, 13/1261 en 13/1374) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2007 tot en met 2009 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 mei 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft bij brief op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft deze brief terzijde gelegd voor zover deze niet is beperkt tot een commentaar op de conclusie.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende heeft in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2007 tot en met 2009 verzocht om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen in verband met loon van [E] S.a.R.L. te [Q].

2.1.2

Bij uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV heeft de Inspecteur rekening gehouden met een vrijstelling voor de premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 voor de periode van 10 augustus tot en met 31 december 2007 en voor het jaar 2008 voor de periode van 1 januari tot en met 2 april 2008. Voor het jaar 2009 is geen vrijstelling verleend.

2.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende een gedeelte van het jaar 2007, een gedeelte van het jaar 2008 en het gehele jaar 2009 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in de jaren 2007, 2008 en 2009 voldeed aan de criteria om als rijnvarende te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1, letter m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, aangenomen door de Regeringsconferentie belast met de herziening van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, ondertekend te Genève op 30 november 1979 (hierna: het Rijnvarendenverdrag).

2.2.3

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur overeenkomstig de artikelen 57 en 58 Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) bevoegd is om de premieplicht vast te stellen.

2.3.1

Het eerste middel bestrijdt het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof.

2.3.2

Het middel faalt. Ook in een geval waarin de verzekeringsplicht van belanghebbende niet is vastgesteld door de bevoegde instantie in het sociaal zekerheidsrecht dient de inspecteur op de voet van de artikelen 57 en 58 Wfsv en artikel 11, lid 1, AWR de premie voor de volksverzekeringen te heffen. Daartoe dient de inspecteur met inachtneming van de toepasselijke regelgeving te bepalen of belanghebbende voor de betrokken periode verzekeringsplichtig en daarmee premieplichtig voor de volksverzekeringen is en, zo ja, premie te heffen.

2.3.3

Het tweede middel betoogt dat het in het eerste middel aangeduide bevoegdheidsgebrek van de inspecteur tot gevolg heeft dat de belastingrechter niet materieel kan toetsen of belanghebbende over de betrokken periode verzekerings- en premieplichtig is in Nederland voor de volksverzekeringen.

Aangezien het middel voortbouwt op een betoog dat geen doel treft, kan het niet tot cassatie leiden.

2.4

De middelen kunnen voor het overige evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.5

De slotsom is dat het beroep in cassatie ongegrond is.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2020:238, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2020:559.