Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1226

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19/00429
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:50, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht; veroordeling tot terugbetaling teveel ontvangen voorschotten op schadeloosstelling (art. 54t lid 3 Ow). Procesrecht (art. 23 Rv; art. 233 Rv). Ambtshalve bepalen van termijn voor terugbetaling; wettelijke rente vanaf moment verstrijken termijn? Mag de rechter de veroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren? Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1819
JOM 2020/382
RvdW 2020/838
NJ 2020/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00429

Datum 3 juli 2020

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres 4] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERS tot cassatie,

Eisers sub 1 en 2 hierna gezamenlijk: [eisers 1 en 2] ,

Eiser sub 3 hierna: [eiser 3] ,

Eisers tot cassatie 1 t/m 4 hierna gezamenlijk: [eisers] ,

advocaat: J.F. de Groot,

tegen

GEMEENTE HEERLEN,
zetelende te Heerlen,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de Gemeente,

advocaat: J.A.M.A. Sluysmans.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/03/132695/HA ZA 08-902 van de rechtbank Limburg van 3 september 2014 en 5 december 2018.

[eisers] hebben tegen het vonnis van de rechtbank van 5 december 2018 beroep in cassatie ingesteld.

De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend tot referte ten aanzien van de klachten 4 en 5 en verwerping van de overige klachten.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eisers] mede door R.R. Oudijk.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten

2.1

Bij vonnis van 25 maart 2009 (hierna: het onteigeningsvonnis) is de vervroegde onteigening uitgesproken van een aantal aan [eisers] in eigendom toebehorende percelen.

2.2

De rechtbank heeft in het onteigeningsvonnis ten behoeve van [eisers 1 en 2] en [eiser 3] voorschotten op de vast te stellen schadeloosstellingen vastgesteld. De Gemeente heeft deze voorschotten voldaan.

2.3

Na rapportage en aanvullende rapportage door de deskundigen heeft de rechtbank bij eindvonnis de door de Gemeente aan [eisers] verschuldigde schadeloosstellingen voor de ontneming van het onteigende vastgesteld en [eisers 1 en 2] en [eiser 3] veroordeeld om binnen veertien dagen na de uitspraak aan de gemeente terug te betalen het door hen teveel als voorschot ontvangene ten bedrage van € 177.483,75 respectievelijk € 158.496,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na de uitspraak tot de dag van algehele voldoening; de rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 4 van het middel keert zich tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het eindvonnis. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank niet ambtshalve haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad kon verklaren, nu de rechter hiertoe ingevolge art. 233 lid 1 Rv alleen bevoegd is indien dat wordt gevorderd.

Onderdeel 5 is gericht tegen de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over de terug te betalen bedragen. Het onderdeel klaagt onder meer dat de rechtbank hiermee meer heeft toegewezen dan is gevorderd, nu aan die veroordeling geen daartoe strekkende vordering van de Gemeente ten grondslag ligt.

3.1.2

Deze klachten treffen geen doel. Op grond van art. 54t lid 3 Ow dient de onteigeningsrechter iemand die ten gevolge van de betaling van voorschotten meer heeft ontvangen dan hem als schadeloosstelling toekomt, te veroordelen tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag aan de onteigenende partij. Uit deze bepaling volgt dat de rechter ambtshalve die veroordeling dient uit te spreken, zodat een daartoe strekkende vordering niet nodig is. Dit strookt met de bijzondere aard van het onteigeningsgeding, waarin de rechter de taak heeft zelfstandig te onderzoeken welke schadeloosstellingen toekomen aan de onteigende en eventuele derden en deze schadeloosstellingen vervolgens vast te stellen.

3.1.3

Gelet op het hiervoor in 3.1.2 overwogene moet worden aangenomen dat de onteigeningsrechter ook zonder een daarop gerichte vordering aan de veroordeling tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag een termijn kan verbinden, alsmede een veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf het moment van verstrijken van die termijn, en dat de onteigeningsrechter deze veroordelingen, ook zonder daartoe strekkende vordering, uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Voldoende daarvoor is dat de onteigenende partij kenbaar heeft gemaakt een veroordeling tot betaling van wettelijke rente respectievelijk uitvoerbaarverklaring bij voorraad te wensen, en dat de wederpartij de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten.1 Aan deze eisen is in dit geval voldaan blijkens hetgeen de rechtbank in rov. 2.94-2.97 van het eindvonnis heeft overwogen.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 juli 2020.

1 Vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:94, rov. 4.6.