Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
18/05066
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:521
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit illegale handel in medicijnen, gewoontewitwassen en soortgelijke feiten. Methode van uitgebreide kasopstelling, art. 36e.2 Sr. Dient in strafzaak medeveroordeelde verbeurdverklaard geldbedrag (€ 300.490) in mindering te worden gebracht op aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting (€ 780.723,19)? Art. 33a.1.b Sr. Hof heeft vastgesteld dat medeveroordeelde in opdracht van betrokkene € 500.000 heeft opgehaald bij ouders van betrokkene. Dit bedrag was afkomstig uit illegale medicijnenhandel van betrokkene en moet worden aangemerkt als daaruit verkregen wederrechtelijk voordeel. In woning van medeveroordeelde is deel van dit bedrag (€ 300.490) aangetroffen en onder hem in beslag genomen. Dit aan betrokkene toebehorende geldbedrag is vervolgens in strafzaak tegen medeveroordeelde verbeurdverklaard (onherroepelijk t.g.v. verwerping cassatieberoep strafzaak medeveroordeelde). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL: HR:2016:874 m.b.t. verbeurdverklaring a.b.i. art. 33a.1.a Sr en ontneming van w.v.v. Ook indien voorwerp niet onder betrokkene is inbeslaggenomen en niet ten laste van hem is verbeurdverklaard, kan i.v.m. reparatoir karakter van ontnemingsmaatregel onder bijzondere omstandigheden grond bestaan waarde van dat voorwerp in mindering te brengen op aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Aanleiding daarvoor kan bestaan indien verbeurdverklaring van aan betrokkene toebehorend voorwerp in strafzaak tegen ander tot gevolg heeft dat door betrokkene w.v.v. feitelijk aan hem komt te ontvallen. Gelet hierop heeft hof verwerping van verweer (in strafzaak van medeveroordeelde verbeurdverklaard geldbedrag van € 300.490 moet in mindering worden gebracht op aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting) ontoereikend gemotiveerd. Enkele door hof in acht genomen omstandigheid dat betrokkene “in beginsel” vordering van € 500.000 op medeveroordeelde heeft, doet daar niet aan af. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/03364 (strafzaak medeveroordeelde) en 18/03365 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0265
RvdW 2020/899
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05066 P

Datum 7 juli 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 november 2018, nummer 21/007423-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de verwerping door het hof van het verweer dat het in de strafzaak van de medeveroordeelde [betrokkene 1] verbeurdverklaarde geldbedrag van € 300.490 in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

2.2

Het hof heeft het voordeel dat door de betrokkene is verkregen door middel van of uit de baten van de ten laste van hem bewezenverklaarde feiten – (het medeplegen van) illegale handel in medicijnen, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en lijst II, en (het medeplegen van) gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 augustus 2013 – en daaraan soortgelijke feiten, geschat op € 907.143,19. Het hof heeft aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd, waarbij het de betalingsverplichting heeft vastgesteld op € 780.723,19.

2.3.1

Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:

“Aftrekposten op grond van arresten [betrokkene 1]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de hoofdzaak van medeveroordeelde [betrokkene 1] verbeurdverklaarde bedrag van € 300.490,- in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu duidelijk is dat dit bedrag van veroordeelde was. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan nog geen sprake kan zijn nu de arresten tegen [betrokkene 1] nog niet onherroepelijk zijn.

Het hof zal het bedrag van € 300.490,- niet in mindering brengen en overweegt daartoe als volgt. Uit het vonnis in de hoofdzaak van veroordeelde blijkt dat medeveroordeelde [betrokkene 1] , in opdracht van veroordeelde, een bedrag van € 500.000,-, dat afkomstig was uit de illegale medicijnenhandel van veroordeelde, heeft opgehaald bij de ouders van veroordeelde. Op 13 november 2013 is in de woning van medeveroordeelde [betrokkene 1] een deel van voornoemd bedrag, te weten € 300.490,-, aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit bedrag is door het hof in de hoofdzaak van medeveroordeelde [betrokkene 1] verbeurdverklaard.

Nu vast staat dat het bedrag van € 500.000,- afkomstig was uit de illegale medicijnenhandel van veroordeelde en veroordeelde over dit bedrag heeft beschikt, is het hof van oordeel dat hij ook dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Dat een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van € 300.490,- verbeurd is verklaard in de hoofdzaak tegen [betrokkene 1] doet hieraan niet af, aangezien zich in het vermogen van veroordeelde in beginsel een vordering van € 500.000,- op [betrokkene 1] bevindt. Het hof zal het bedrag van € 300.490,- dan ook niet in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.”

2.3.2

In het vandaag uitgesproken arrest in de zaak ECLI:NL:HR:2020:1208 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep in de met deze zaak samenhangende strafzaak van medeveroordeelde [betrokkene 1] verworpen. In het daardoor nu onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is onder meer het volgende overwogen:

“Het onder 3 primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 300.490,- toebehorende aan medeverdachte [betrokkene] , waarvan verdachte wist dat het van misdrijf afkomstig was. Uit het feit dat [betrokkene] verdachte heeft laten vragen het geld op te halen, concludeert het hof dat [betrokkene] met dit gebruik door verdachte bekend was. Voornoemd geldbedrag zal daarom worden verbeurd verklaard.

(...)

Het hof:

(...)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(...)

een geldbedrag van € 300.490,-.”

2.4

Het hof heeft het volgende vastgesteld. Medeveroordeelde [betrokkene 1] heeft, in opdracht van de betrokkene, een bedrag van € 500.000 opgehaald bij de ouders van betrokkene. Dit bedrag was afkomstig uit de illegale medicijnenhandel van de betrokkene en moet worden aangemerkt als daaruit verkregen wederrechtelijk voordeel. In de woning van [betrokkene 1] is een deel van dit bedrag, te weten € 300.490, aangetroffen en onder hem in beslag genomen. Dit aan de betrokkene toebehorende geldbedrag is vervolgens in de strafzaak tegen [betrokkene 1] verbeurdverklaard.

2.5.1

In zijn arrest van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld. Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo’n geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.

2.5.2

Ook indien het voorwerp niet onder de betrokkene is inbeslaggenomen en niet ten laste van hem is verbeurdverklaard, kan in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel onder bijzondere omstandigheden grond bestaan de waarde van dat voorwerp in mindering te brengen op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Aanleiding daarvoor kan bestaan indien de verbeurdverklaring van een aan de betrokkene toebehorend voorwerp in de strafzaak tegen een ander tot gevolg heeft dat door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel feitelijk aan hem komt te ontvallen.

2.6

Gelet hierop heeft het hof de verwerping van het in het cassatiemiddel bedoelde verweer ontoereikend gemotiveerd. De enkele door het hof in acht genomen omstandigheid dat de betrokkene “in beginsel” een vordering van € 500.000 op [betrokkene 1] heeft, doet daar niet aan af.

2.7

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van dit cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2020.