Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1180

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19/03998
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:2423
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 16 AWR, nieuw feit, bevestiging van vermoeden bij uitblijven van antwoord op vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2020
V-N Vandaag 2020/1723
FutD 2020-1979
V-N 2020/33.25 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2203 met annotatie van mr. R. Marchal
Belastingadvies 2020/17.1
FED 2020/118 met annotatie van J.A. SMIT
BNB 2020/155 met annotatie van E.B. PECHLER
NTFRB 2020/36 met annotatie van mr. C.M. Bergman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03998

Datum 3 juli 2020

ARREST

in de zaak van

[X1] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2019, nrs. 18/00149 tot en met 18/00152, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 16/5955, 17/178, 17/727 en 17/728) betreffende de vaststelling van het inkomensgegeven van belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 en de aan belanghebbende over het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

De toenmalige belastingconsulent van belanghebbende (hierna: de belastingconsulent) heeft ten name van belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2014 aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) ingediend en daarin onder meer uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek gebracht (hierna: de aftrekposten). De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV opgelegd conform de ingediende aangiften. De laatste van deze aanslagen (de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014) is op 12 mei 2015 opgelegd.

2.1.2

In mei 2014 is de Belastingdienst een onderzoek gestart naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent. In 2015 heeft de Belastingdienst vanuit een oud klantenbestand uit 2009 nogmaals een onderzoek ingesteld.

2.1.3

Naar aanleiding van de uitkomsten van de in 2.1.2 vermelde onderzoeken heeft de Inspecteur bij afzonderlijke brieven van 10 maart 2016 aan belanghebbende vragen gesteld over de in zijn aangiften opgenomen aftrekposten. Op deze brieven heeft belanghebbende niet gereageerd. Op 28 mei 2016 heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd. Bij beschikkingen van 30 mei 2016 heeft de Inspecteur het verzamelinkomen van belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 nader vastgesteld. Bij de navorderingsaanslag en bij de nadere vaststelling van de verzamelinkomens zijn de aftrekposten buiten beschouwing gelaten.

2.2.1

In hoger beroep was onder meer in geschil of de verzamelinkomens voor de jaren 2011 tot en met 2013 en de navorderingsaanslag over het jaar 2014 terecht en tot juiste bedragen zijn vastgesteld.

2.2.2

Het Hof heeft op grond van een verklaring van een medewerker van de Belastingdienst aannemelijk geacht dat het eerst geruime tijd na 12 mei 2015 (de dagtekening van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014) mogelijk is geworden om belanghebbende als cliënt van de belastingconsulent te identificeren, althans om op basis van een onderzoek naar de praktijk van de belastingconsulent (intern) te concluderen dat een onderzoek naar de door belanghebbende ingediende aangiften gewenst zou zijn. Naar het oordeel van het Hof heeft het de Inspecteur vrijgestaan om ook na het opleggen van de aanslagen zijn informatiebevoegdheid als bedoeld in artikel 47 AWR jegens belanghebbende uit te oefenen.
Het niet beantwoorden van gestelde vragen levert een nieuw feit op als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Anders dan op basis van de ingediende aangiften redelijkerwijs mocht worden verwacht, volgt uit het niet beantwoorden van de – na het opleggen van de aanslagen – gestelde vragen het vermoeden dat belanghebbende niet in staat is om de in de aangiften opgenomen aftrekposten te onderbouwen, aldus het Hof.

2.3

In cassatie klaagt belanghebbende onder meer over het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. De tweede klacht strekt ten betoge dat het niet beantwoorden van vragen van de Inspecteur geen nieuw feit kan opleveren.

2.4.1

De overwegingen van het Hof laten zich aldus verstaan dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat het nieuwe feit in de zin van artikel 16 AWR erin is gelegen dat de belastingconsulent van belanghebbende op grote schaal onjuiste aangiften heeft verzorgd, dat dit wellicht ook het geval is bij de aangifte van belanghebbende en dat de Inspecteur bevestiging van dit vermoeden heeft kunnen vinden in het uitblijven van een antwoord op zijn vragen. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

2.4.2

De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2020.