Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1168

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
19/03073
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:656
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Cassatieberoep te laat ingesteld, art. 432.2 Sv. In art. 432.2 Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat uitspraak verdachte bekend is. Akte cassatie houdt in dat verdachte zelf ter griffie is verschenen voor instellen van beroep. Aan voormelde akte is schriftelijk stuk (‘motivering voor cassatie acte’) met bijlage gehecht. Dit stuk is ondertekend door (naar HR begrijpt) verdachte. Volgens dit stuk heeft verdachte op 16-5-2019 kennisgeving voorwaardelijke veroordeling ontvangen. Die kennisgeving vermeldt poging tot diefstal met braak (met vermelding van pleegdatum en pleegplaats) alsmede veroordeling van verdachte tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken en taakstraf van 80 uren. Tevens worden (gedeeltelijke) toewijzing van vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel “t.z.v. subsidiair bewezen verklaarde” vermeld. Daaruit moet worden afgeleid dat einduitspraak van hof toen aan verdachte bekend was. Daarom had o.g.v. art. 432.2 Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na ontvangst van kennisgeving voorwaardelijke veroordeling op 16-5-2019. Beroep is echter pas ingesteld op 27-6-2019. Dit brengt mee dat HR cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. Verdachte n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03073

Datum 30 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 april 2019, nummer 21-000337-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

In artikel 432 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is.

2.2

De akte cassatie houdt in dat de verdachte zelf ter griffie is verschenen voor het instellen van het beroep. Aan voormelde akte is een schriftelijk stuk, ‘motivering voor cassatie acte’, met een bijlage gehecht. Dit stuk is ondertekend door - naar de Hoge Raad begrijpt - de verdachte. Volgens dit stuk heeft de verdachte op 16 mei 2019 een kennisgeving voorwaardelijke veroordeling ontvangen. Die kennisgeving vermeldt, kort gezegd, een poging tot diefstal met braak (met vermelding van pleegdatum en pleegplaats) alsmede de veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van tachtig uren. Tevens worden de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel “ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde” vermeld. Daaruit moet worden afgeleid dat de einduitspraak van het hof toen aan de verdachte bekend was. Daarom had op grond van artikel 432 lid 2 Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving voorwaardelijke veroordeling op 16 mei 2019. Het beroep is echter pas ingesteld op 27 juni 2019. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.