Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
19/01143
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:1484
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:472
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Woningoverval in Heerhugowaard in 2009. Medeplegen diefstal met geweld van groot geldbedrag (ongeveer € 400.000), art. 312.2.2 Sr. Toereikend bewijs medeplegen? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. motiveringsplicht voor rechter ingeval medeplegen niet bestaat uit gezamenlijke uitvoering. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre concrete omstandigheden van het geval door rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband procesopstelling van verdachte een rol kan spelen (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323). Omstandigheid dat verdachte weigert verklaring af te leggen of bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29.1 Sv, niet tot bewijs bijdragen. Rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat verdachte voor omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met verdere inhoud van b.m. beschouwd redengevend kan worden geacht voor bewijs van aan hem tlgd. feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Hof heeft in zijn bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel tlgd. medeplegen bewezen is. ‘s Hofs oordeel dat door hem in aanmerking genomen f&o in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat verdachte bij overval gebruikte auto heeft geregeld, dat hij deze auto kort na overval heeft weggemaakt en dat hij beschikking heeft gekregen over groot deel van buit, hetgeen naar ’s hofs oordeel duidt op groot aandeel in planning, organisatie en/of uitvoering van overval in woning terwijl hof in zijn oordeel heeft betrokken dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die redengevendheid van verschillende b.m. ontzenuwt. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01143

Datum 30 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2019, nummer 23-000889-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 30 oktober 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot geldbedrag (ongeveer 400.000 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders;

- voorzien van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp, een mes en duct tape, de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn binnengedrongen/binnengegaan,

- een muts of zak over het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben getrokken;

- de enkels van die [slachtoffer 1] aan elkaar hebben gebonden;

- hebben gezegd “je weet waarvoor we komen... waar ligt het geld?”;

- een mes bij/tegen de keel en de rug van die [slachtoffer 1] hebben gehouden;

- een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp, althans een hard voorwerp tegen het achterhoofd van die [slachtoffer 1] hebben gezet en gezegd haar dood te schieten;

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat haar man zou worden doodgeschoten en

- de handen van die [slachtoffer 1] hebben vastgebonden.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 februari 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik word ook wel [verdachte] genoemd.

Ik heb die rode Peugeot (het hof begrijpt: met kenteken [kenteken 1]) op 30 oktober 2009 omstreeks 10.00 uur geleend van [betrokkene 1]. Ik heb deze auto diezelfde middag naar de garage gebracht.

De € 63.500,- die bij [betrokkene 2] is aangetroffen, komt van mij. Zij bewaarde dit geld voor mij. Het klopt dat ik op 3 november 2009 naar de Dominicaanse Republiek ben gevlogen. Ik heb de boeking cash betaald voor mijzelf, mijn broertje [betrokkene 3] en mijn vriendin [betrokkene 4]. In de Dominicaanse Republiek heb ik ook het appartement waar we verbleven betaald. Ik heb voor de terugreis de tickets van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] tegen betaling vernieuwd omdat zij te laat waren voor hun vliegtuig. [betrokkene 2] heeft zelf en via andere mensen met Western Union geld naar mij gestuurd toen ik in de Dominicaanse Republiek verbleef. Ik heb mensen die dichtbij Western Union in de buurt waren het geld vervolgens laten ophalen.

2. Een niet ambtsedig proces-verbaal van aangifte met nummer 2009116571-1 van 30 oktober 2009, door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], met nummer Z-01.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Tussen vrijdag 30 oktober 2009 te 10.36 uur en vrijdag 30 oktober 2009 te 10.40 uur werd op de [a-straat 1], [postcode] [plaats], het feit gepleegd. Vrijdag 30 oktober tussen 10.33 uur en 10.35 uur moest ik heel even in mijn woning zijn aan de [a-straat 1] in [plaats]. (..) Ik zag in mijn ooghoek dat er iets of iemand aan kwam in mijn richting vanaf buiten. Ik keek toen in de richting en zag en voelde direct dat er iets over mijn hoofd werd gedaan. Op het moment dat ik naar buiten keek zag ik drie personen aan komen lopen. Ik zag dat het donkere personen waren, allen donker gekleed. Direct hierna, toen ik de zak over mijn hoofd had gekregen, werd ik de woonkamer in geduwd en ik hoorde dat een manspersoon zei dat ik rustig moest doen. Ik werd eerst omgedraaid, en werd toen de woonkamer in geduwd. (..) Ik voelde dat iemand mijn enkels aan elkaar vast bond. Achteraf bleek dat dit was door middel van duck-tape. Ik zag nog wel, voordat de zak over mijn hoofd werd gedaan, in een flits, dat een persoon een zwart pistool in een van zijn handen hield.

Op het moment dat ik in de woonkamer kwam, moest ik op de grond gaan liggen. Ik voelde dat een van de personen mij vast hield aan mijn linkerarm. Op die manier werd ook druk uitgeoefend op mij en werd ik in de richting van de grond bewogen. Ik hoorde die persoon ondertussen zeggen dat ik moest gaan liggen wat ik ook deed. (..) Ik hoorde een persoon vroeg aan mij: “je weet wat ik, je weet waarvoor we komen...Waar ligt het geld?” Ik voelde dat er een hard voorwerp tegen mijn hoofd gedrukt werd. Ik voelde ook dat iemand de muts van mijn hoofd iets omhoog deed, waarna er door iemand een mes onder mijn gezicht werd geschoven. Vervolgens zag ik dat dit mes weer uit mijn zicht werd gehaald en voelde direct dat hij, kennelijk met dit mes, in mijn rug prikte. (..) Ik voelde dat iemand, vlak hierna, nadat ik hoorde dat de voordeur werd dichtgedaan, hard het vuurwapen op mijn achterhoofd zette. Ik hoorde de man zeggen dat het menens was en dat hij mij dood zou schieten. (..)

Ik heb twee mannen horen praten en overleggen met elkaar. Ondertussen had ik nog steeds het vuurwapen op mijn hoofd. Een persoon bleef dus steeds bij mij en hield, denk ik, een knie in mijn rug. Ik hoorde dat een man zei dat ik het moest zeggen, anders zou hij mijn man doodschieten op het werk. (..)

Ik hoorde dat diegene die op mijn rug zat tegen mij zei: “Zit het geld in die roze tas met die balletjes? Ik heb toen maar gezegd dat dat zo was. (..) Ik hoorde dat de mannen naar beneden kwamen lopen/rennen. Ik werd vervolgens door een van de mannen vastgebonden aan mijn handen, naar later bleek, ook middels duck-tape. Er zat een bedrag van 400.000 euro in die roze tas. In deze roze tas zat een vuilniszak waarin het geld zat. De mannen hebben de vuilniszak uit deze roze tas gehaald, waarna ze zijn weggegaan. (..)

Ik hoorde, voordat ze vertrokken, een van de mannen zeggen tegen mij dat ik niet moest schreeuwen en dat ik moest wachten met losmaken. (..)

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-13 van 30 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], met nummer G-01.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Op vrijdag 30 oktober 2009, omstreeks 10.20 uur, keek ik uit het raam van de [school] op de [b-straat] en zag dat een klein rood oud autootje stopte achter de auto van mijn begeleidster. Ik zag dat er 5 negers in deze auto zaten. Ik zag dat zij eerst even in gesprek waren en daarna zag ik dat er drie mannen achter uit de auto stapten. (..) Ik zag dat twee hun capuchon op deden en daarna zag ik ze niet meer. De derde man deed zijn capuchon op en ging een spieroefening doen. Vervolgens zag ik dat hij weg rende in de richting van de [c-straat]. (..) Ik zag vervolgens dat de auto weg reed in de richting van de [d-straat]. Het moet een oud vierkantig klein rood autootje zijn.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-48 van 6 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], met nummer G-09.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 november tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

U toont mij foto’s van een rode auto (het hof begrijpt: foto ’s van de inbeslaggenomen rode Peugeot met kenteken [kenteken 1]). Ik kan u vertellen dat het inderdaad zo’n soort auto was. De auto was in ieder geval een Peugeot.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-60 van 9 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], met nummer G-13.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 november 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

Op vrijdag 30 oktober 2009, even voor 10.30 uur, fietste ik over de [c-straat] in [plaats]. Ik fietste richting de [e-straat]. De [c-straat] gaat over in de [f-straat] en toen ik net voorbij de [g-straat] fietste zag ik drie (3) personen. Twee (2) liepen er naast elkaar en de derde kwam achter hun aangerend. Hij rende op ongeveer een (1) meter achter die twee. De drie liepen over de [f-straat], ter hoogte van de ingang naar het [h-straat]. Die eerste twee praatten met elkaar. Ze liepen versneld. Een (1) van die twee had een halfvolle vuilniszak in zijn handen geklemd. Ik zag dat er iets rechtshoekigs in de zak zat, iets stevigs.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-37 van 4 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], met nummer G-06.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 8]:

Op vrijdag 30 oktober 2009 omstreeks 10.30 uur fietste ik vanaf de [i-straat] linksaf de [c-straat] op. Nadat ik net de [c-straat] was opgereden zag ik vanuit de [a-straat] 2 jongens komen rennen. Zij renden linksaf de [c-straat] op. Ik zag dat een van beiden een vuilniszak bij zich droeg. Ik zag dat zij renden en daarbij heel zenuwachtig om zich heen keken. Ik zag dat zij een heel klein stukje het [h-straat] in renden, maar ook direct weer terugkwamen naar de [c-straat]. Ik zag dat zij daar bleven rondhangen. Al heel snel zag ik een klein rood autootje aan komen rijden. Deze reed over de [c-straat] en kwam vanuit de richting van het hertenkamp. Ik zag dat deze auto hard reed en dat de auto stopte bij de bestelbus van [betrokkene 9]. Die stond op het hoekje van de [i-straat] met de [c-straat]. Ik zag dat er een (1) persoon in die auto zat en dat was de bestuurder. Ik zag dat het een 4-deurs auto was. Ik zag de jongen die de vuilniszak vasthield links achter instapte, dus achter de bestuurder, en ging zitten. Ik zag dat de tweede jongen achter de auto om liep en rechts naast de bestuurder instapte en ging zitten. Ik zag toen dat de auto hard doorreed over de [c-straat] richting [e-straat]. (..) Ik zag toen een postbode lopen op het [h-straat]. Ik heb hem gevraagd om een briefje en een pen. Ik heb het kenteken gezegd en dat heeft de postbode voor mij opgeschreven. (..)

Verder zag ik dat op het moment dat die jongens bij het busje van [betrokkene 9] liepen, dat er vanuit de [a-straat] nog een jongen kwam lopen. Ik zag dat hij eerst liep en toen hij mij zag staan ging joggen. Op datzelfde moment zag ik dat er ook een jongen vanaf de [i-straat] richting de [c-straat] kwam lopen en ging joggen toen hij mij zag. Ik zag beide joggers de [i-straat] inlopen.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009116571-9 van 30 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7], [verbalisant 8] en [verbalisant 9], met nummer B-11.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 30 oktober 2009, omstreeks 10.36 uur, kwam een man aan de balie, die verklaarde dat hij op het [h-straat] te [plaats] 2 donkere mannen in donkere kleding heeft zien lopen met bij zich een vuilniszak. Hij zag dat deze mannen vervolgens wegreden in een auto voorzien van het kenteken [kenteken 3] of [kenteken 1].

8. Een bevraging landelijke systemen van 30 oktober 2009, met nummer O-02.

Deze bevraging houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Peugeot met kenteken [kenteken 1] staat op naam van M.[betrokkene 1] geboren [geboortedatum]-1969, wonend op de [m-straat 1] te [plaats].

9. Een proces-verbaal inbeslagname voertuig met nummer 2009116571-36 van 4 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 2], met nummer B-19.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 3 november 2009 is gebleken dat de tenaamstelling van de rode Peugeot met kenteken
[kenteken 1] deze dag was overgegaan van [betrokkene 10] naar een bedrijf, genaamd “[A]”, gevestigd aan de [k-straat 1] te [plaats].

10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige met nummer 2009116571-31 van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 6], met nummer G-17.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 10]:

[verdachte] wordt door mij [verdachte] genoemd. Ik heb een rode Peugeot 306 op mijn naam staan. Die auto is in gebruik bij mijn zus [betrokkene 1]. (..) [verdachte] gebruikt de rode Peugeot vaak van [betrokkene 1]. Afgelopen donderdag of vrijdag heeft [verdachte] de auto naar autobedrijf in [plaats] gebracht.

11. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-33 van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 6], met nummer G-18.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik woon op het adres [j-straat 1] te [plaats]. De auto merk Peugeot, type 306, kleur rood, is eigendom van mijn tweelingzus [betrokkene 10]. Ik heb deze auto enige tijd van haar in bruikleen. (..) Ongeveer 1 tot 1,5 maand geleden kwam [verdachte] bij mij aan de deur. Ik ken hem sinds hij een relatie had met mijn zus [betrokkene 10]. (..) Vanaf die tijd verblijft [verdachte] veelal bij mij in huis. (..) Op vrijdag 30 oktober 2009 was [verdachte] in de ochtend bij mij thuis. Hij vroeg aan mij of hij de rode Peugeot 306 mocht lenen. Hij kreeg van mij de autosleutels. Die ochtend omstreeks 10.00 uur ging hij met de auto weg. (..) In de tijd dat hij bij mij verbleef had hij geen werk en ook geen uitkering. Dezelfde ochtend, vrijdag 30 oktober 2009, tussen 12.00 uur en 13.00 uur was [verdachte] weer terug bij mij in de woning. Toen hij binnen was in de woning vertelde hij mij dat hij de auto van mij naar de garage had gebracht. (..) Wel was het voor mij vreemd dat ik toen hij binnenkwam en vertelde dat de auto bij de garage stond meteen van hem 1000 (duizend) euro kreeg. Ik zag dat hij dat geld al in zijn handen voor mij had. (..) [verdachte] beschikte eigenlijk niet vaker over geld, want hij heeft diverse malen bedragen van 5 of 10 euro geleend.

12. Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer 2009116571-32 van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 4] met nummer G-19.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

Afgelopen week, zaterdag 31 oktober 2009 kwam de eigenaar van de Peugeot 306, voorzien van het kenteken [kenteken 1] naar het garagebedrijf aan de [k-straat] om de auto te verkopen of om te ruilen voor een andere. Diezelfde week, ik denk dat het vrijdag was, maar kan ook donderdag zijn geweest (opm. verbalisant 29 of 30 oktober 2009) omstreeks 14.00 uur kwam de (ex) vriend van de eigenaar van de auto met deze auto bij het garagebedrijf. Hij wilde de auto verkopen voor de sloop.

13 Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2009116571-52 van 7 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

Ik wist tijdens het verhoor op 3 november 2009 niet meer precies de dag dat die persoon met die Peugeot hier op het autobedrijf is geweest. Ik heb daar nog over nagedacht en het blijkt dus op vrijdagmiddag 30 oktober 2009 te zijn geweest. Het was in het begin van de middag. U toont mij nu een politiefoto van een persoon. Dat is de jongen die op vrijdagmiddag 30 oktober 2009 met de rode Peugeot 306, kenteken [kenteken 1] aankwam en deze heeft laten staan. Ik herken de man op de foto als die man.

14. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009116571-53 van 7 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op zaterdag 7 november 2009 toonden wij verbalisanten aan de getuige [betrokkene 11] de politie-verdachte foto voorzien van nummer PL1000:05:10105. Wij verbalisanten verklaren dat op de getoonde foto is afgebeeld [verdachte].

15. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009116571-41 van 6 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 3].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Uit de camerabeelden van het beveiligingssysteem van het BP-tankstation aan de Westerweg te [plaats] bleek mij vervolgens, dat 30 oktober 2009, omstreeks 09.49 uur tot en met omstreeks 09.52 uur door een inzittende van een rode Peugeot personenauto, voorzien van het kenteken [kenteken 1], was getankt bij genoemd tankstation. (...)

(...)

18. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009129272-21 van 3 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11], met nummer B-02.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 3 december 2009, te 07.30 uur, werd in perceel [l-straat 1] te [plaats] [betrokkene 2], aangehouden. Op een gegeven moment zag ik, verbalisant, dat [betrokkene 2] naar de keuken liep. Ik zag dat zij met een potlood iets op een brief schreef. Vervolgens zag ik, dat zij de brief aan haar moeder gaf. (..) Ik, verbalisant, heb de brief van haar moeder afgepakt. Meteen daarna griste [betrokkene 2] de brief uit mijn handen en liep richting de wc. Ik, verbalisant, zag dat [betrokkene 2] de wc inliep. Vervolgens heb ik samen met de aanwezige verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] haar uit de wc getrokken. Ik, verbalisant, zag en voelde dat [betrokkene 2] meerdere keren probeerde bij de ketting van de stortbak te komen. Uiteindelijk wisten wij [betrokkene 2] onder controle te krijgen. Ik, verbalisant, heb de brief veiliggesteld. Volgens de tolk was op de brief geschreven:

‘Mama pak het ding achter + auto met mijn ding van koud’.

Op donderdag 3 december 2009, omstreeks 11.00 uur, werd door [verbalisant 3], buitengewoon opsporingsambtenaar, achter de flat een bruinkleurige toilettas aangetroffen. De tas lag op het trottoir onder de woning van [betrokkene 2]. De tas is veiliggesteld. Bij nader onderzoek bleek dat er een geldbedrag van 63.500 euro (127 biljetten van 500 euro) in de toilettas zat.

19. Een proces-verbaal van inbeslagneming met nummer 2009129272-20 van 3 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], ongenummerd.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op donderdag 3 december 2009 te 08:45 uur vond in perceel [l-straat 1] te [plaats] onder leiding en in aanwezigheid van de Rechter-Commissaris te Alkmaar Van Steijnen een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Hierbij werden de navolgende goederen in beslag genomen:

Vertrek A = Hal en meterkast

- Western Union bon € 51.602,59. (het hof begrijpt: Dominicaanse peso)

Vertrek F = woonkamer

- Envelop van D-reizen met reisgegevens van [betrokkene 2] 15-11-2009 t/m 22-11-2009 naar Puerto Plata en terug naar Amsterdam.

- Envelop van D-reizen met reisgegevens van [betrokkene 2] en [betrokkene 2] 6-12-2009 t/m 20-12-2009 naar Puerto Plata en terug naar Amsterdam

Vertrek G = grote slaapkamer ([betrokkene 2]) (..)

- briefje met adressen [betrokkene 12] en [betrokkene 13]

- Stortingsbewijs Western Union tnv [betrokkene 4] € 49.890,44 (het hof begrijpt: Dominicaanse peso)

Vertrek K: Auto Opel Corsa [kenteken 2]

- Briefje met adressen

Buiten aan achterzijde flat onder de woning [betrokkene 2] op het trottoir en voor de bossage.

- Toilettas met daarin € 63.500 (127 biljetten van € 500).

20. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009116571-40 van 5 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met nummer Z-02.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

U vraagt mij naar het bundelen van het geld. (..) Ook was er nog een (1) bundeltje van 100.000 euro. Deze bestond uit 500 euro biljetten. Ik had de biljetten gebundeld middels dunne elastieken. Op het laatste biljet van iedere bundel had ik met de hand het geldbedrag geschreven van betreffende bundel.

21. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009116571-82 van 4 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1], ongenummerd.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

U toont mij afdrukken van 500 euro bankbiljetten, waarop met de hand geschreven bedragen staan. Ik herken het handschrift als mijn handschrift.

22. Een deskundigenrapport betreffende forensisch schriftonderzoek van 29 januari 2018, opgesteld door [betrokkene 15], ongenummerd (los).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op basis van de vraagstelling kunnen de volgende, elkaar uitsluitende hypothesen met betrekking tot het schrijverschap van het betwiste handschrift worden opgesteld:

H1. Het handschrift op de in de materiaalopstelling onder punt 2.1 bij betwist handschrift vermelde stukken van overtuiging is geschreven door [slachtoffer 2].

H2. Het handschrift op de in de materiaalopstelling onder punt 2.1 bij betwist handschrift vermelde stukken van overtuiging is niet door [slachtoffer 2], maar door een of meerdere andere personen vervaardigd.

(...)

6. Conclusies

De bevindingen met betrekking tot het handschrift op de ter onderzoek aangeboden bankbiljetten X1 - X5 en X9 zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is.

De bevindingen met betrekking tot het handschrift op de ter onderzoek aangeboden bankbiljetten X6 - X8 en X10 zijn even waarschijnlijk wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is.

(...)

24. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009116571-93 van 20 april 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10], met nummer B-37.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Uit de gegevens van Western Union is gebleken dat er vanaf 30 oktober 2009 tienmaal een afgeronde geldtransactie heeft plaatsgevonden van Nederland naar de Dominicaanse Republiek.

1) 23/11/2009; 966 euro; verzender [betrokkene 2]; begunstigde: [betrokkene 4]

2) 24/11/2009; 1460 euro; verzender [betrokkene 2]; begunstigde: [betrokkene 13]

3) 26/11/2009; 1000 euro; verzender [betrokkene 4]; begunstigde: [betrokkene 14]

4) 28/11/2009; 1000 euro; verzender [betrokkene 16]; begunstigde [betrokkene 17]. (..)

5) 20/11/2009; 900 euro verzender [betrokkene 18]; begunstigde [betrokkene 19]

6) 20/11/2009; 966 euro verzender [betrokkene 12]; begunstigde [betrokkene 20]

7) 21/11/2009; 781 euro, verzender [betrokkene 21], begunstigde [betrokkene 14]

8) 21/11/2009; 916 euro, verzender [betrokkene 22]; begunstigde [betrokkene 17]

9) 21/11/2009; 916 euro, verzender [betrokkene 23], begunstigde [betrokkene 24]

10) 01/12/2009; 1000 euro verzender [betrokkene 25], begunstigde [betrokkene 19].

(...)

26. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] van 2009129272-41 van 11 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 6], met nummer C-01-07.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

U vraagt mij wat ik bij de RC over het geld heb verteld.

Dat ik het geld (het hof begrijpt: de bij [betrokkene 2] aangetroffen €63.500,-) van [verdachte] heb gekregen. (..) Ik moest dat geld versturen. Dat moest naar een paar mensen toe. Ik heb een aantal namen van hem gekregen en daar moest het naartoe.”

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 1 wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Het bewijs is zwak en veel bewijs bestaat uit verklaringen ‘van horen zeggen’. De raadsman heeft ook verzocht het rapport met betrekking tot de handschriftanalyse uit te sluiten van het bewijs.

De verdachte heeft betrokkenheid bij de woningoverval ontkend. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel een auto heeft geleend van [betrokkene 1], maar dat hij daarmee rechtstreeks naar de garage is gereden en dat dit vermoedelijk in de middag is geweest.

Betrokkenheid verdachte bij woningoverval

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 30 oktober 2009 omstreeks 10.00 uur de rode Peugeot van [betrokkene 1] met kenteken [kenteken 1] heeft geleend en die ’s middags naar de garage heeft gebracht. Deze verklaring van de verdachte komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1], die ook heeft verklaard dat de verdachte op die dag omstreeks 10.00 uur met de auto wegging en dat de verdachte tussen 12.00 en 13.00 uur weer terug kwam zonder auto. Deze verklaring vindt verder bovendien steun in bewijsmiddelen waaruit volgt dat de rode Peugeot vanaf ongeveer 10.00 uur op diverse plekken in [plaats] is gezien, waaronder in de buurt van de plek waar de woningoverval heeft plaatsgevonden. Gelet op deze bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van de verdachte die hij heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de rode Peugeot van [betrokkene 1] heeft geleend en daarmee in de middag rechtstreeks naar de garage is gereden, niet geloofwaardig. Hierbij is eveneens van belang dat door de verdediging geen enkele omstandigheid is aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat de verklaring die volgens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg is afgelegd door de verdachte, onjuist zou zijn geweest of onjuist zou zijn genoteerd.

Het hof zal daarom uitgaan van de juistheid van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard met betrekking tot het tijdstip van het lenen van de auto.

Het hof gaat voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden, volgend uit de bewijsmiddelen.

Op 30 oktober 2009 vindt omstreeks 10.36 uur een woningoverval plaats op de [a-straat 1] te [plaats]. Slachtoffer [slachtoffer 1] wordt hierbij vastgebonden en bedreigd door minstens drie personen. Er wordt een bedrag van ongeveer € 400.000,00 aan contant geld buit gemaakt. Dit geld zit in een vuilniszak, die door de daders wordt meegenomen.

Uit camerabeelden blijkt dat een rode Peugeot zich rond 10.32 uur bevond in de buurt van de [a-straat] te [plaats]. Door de getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] wordt rond dat tijdstip waargenomen dat twee negroïde mannen in de buurt van de [a-straat] te [plaats] met een vuilniszak lopen, waarover getuige [betrokkene 7] opmerkt dat in de vuilniszak iets rechthoekigs en stevigs zat. Door de getuige [betrokkene 8] wordt gezien dat de personen met de vuilniszak in een kleine, rode auto stappen. Hij noteert het kenteken van de auto: [kenteken 1].

Uit de verklaring van getuige [betrokkene 11] volgt dat de verdachte op dezelfde dag aan het begin van de middag de rode Peugeot heeft ingeleverd, omdat hij de auto wilde verkopen voor de sloop. Dit komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1], die heeft verklaard dat de verdachte tussen 12.00 en 13.00 uur bij haar terugkwam en vertelde dat de auto bij de garage stond en haar direct € 1.000,00 gaf.

Na de overval wordt op 5 november 2009 door [slachtoffer 2], de toenmalige echtgenoot van [slachtoffer 1], verklaard dat bij de overval verschillende bundels met geld zijn weggenomen. Eén van die bundels bestond uit € 500,00 biljetten. Op het laatste biljet van elke bundel had hij het geldbedrag geschreven van de betreffende bundel.

Op 3 december 2009 vindt een doorzoeking plaats bij [betrokkene 2], een ex-vriendin van de verdachte. Bij deze doorzoeking wordt buiten aan de achterzijde van de flat onder de woning van [betrokkene 2] een toilettas met een bedrag van € 63.500,00 aangetroffen, bestaande uit 127 biljetten van € 500,00. Zowel de verdachte als [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte dit geld aan [betrokkene 2] heeft gegeven.

Nadat het geld bij [betrokkene 2] werd aangetroffen, zijn aan [slachtoffer 2] enkele foto afdrukken getoond van de aangetroffen € 500,00 biljetten, waarop met de hand geschreven geldbedragen zichtbaar waren. [slachtoffer 2] heeft deze met de hand geschreven bedragen herkend als zijn eigen handschrift. Deze herkenning wordt ondersteund door een deskundigenrapport betreffende forensisch schriftonderzoek van 29 januari 2018, waarin de deskundige [betrokkene 15] het handschrift op kopieën van de aangetroffen bankbiljetten heeft vergeleken met het handschrift van [slachtoffer 2]. Uit dit rapport volgt naar het oordeel van het hof dat het aannemelijk is dat het handschrift op de bankbiljetten die [betrokkene 2] van de verdachte heeft gekregen, van [slachtoffer 2] is.

Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de deskundigheid van [betrokkene 15], is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat de resultaten uit het rapport niet betrouwbaar zijn. Dat zelfde geldt voor het feit dat de deskundige bij zijn onderzoek slechts kon beschikken over fotokopieën. De deskundige heeft zich daar rekenschap van gegeven, maar desondanks een vergelijkend onderzoek mogelijk geacht. Het verzoek tot bewijsuitsluiting van dit rapport wordt verworpen en het hof zal dit rapport wel als bewijsmiddel bezigen.

Op grond van de bewijsmiddelen, en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte niet alleen geld heeft verkregen dat is weggenomen bij de woningoverval op 30 oktober 2009, maar bovendien bij de uitvoering van deze overval betrokken is geweest.

Medeplegen

Naar het oordeel van het hof kan bovendien bewezen worden dat de verdachte de overval in de woning heeft medegepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de auto heeft geregeld waarmee naar (de buurt van) de woning in [plaats] is gereden. Na de woningoverval is de auto door de daders gebruikt om te vluchten. De verdachte heeft daarna de auto weggemaakt door deze direct naar een garage te brengen. Voorts heeft de verdachte gedeeld in een groot deel van de buit, gelet op onder meer het geld dat hij aan [betrokkene 2] heeft gegeven en het geld dat zij reeds had overgemaakt of laten overmaken naar de verdachte in de Dominicaanse Republiek. Naar het oordeel van het hof duidt dit erop dat de verdachte een grote rol heeft gespeeld in de planning, organisatie en/of uitvoering van de woningoverval.

De bewijsmiddelen bieden geen aanknopingspunt voor de vaststelling van de rollen die de verschillende deelnemers hebben vervuld bij het plegen van het ten laste gelegde feit. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte degene was die de rode auto bestuurde rond de tijd van de overval. De verdachte zelf heeft geen (aannemelijk geworden) verklaring gegeven voor zijn rol bij de overval. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, en gelet op het voorgaande vast dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders om het medeplegen van de overval bewezen te verklaren.

(...)”

2.3.1

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323).

2.3.2

De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

2.4.1

Blijkens de bewijsvoering heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld. Op vrijdag 30 oktober 2009 omstreeks 10.30 uur is door een aantal personen een overval gepleegd in een woning aan de [a-straat] te [plaats], waarbij een contant bedrag van € 400.000 is buitgemaakt. De overvallen persoon heeft drie donkere personen gezien. De daders zijn daarna gevlucht in een rode Peugeot met kenteken [kenteken 1]. Omstreeks 10.20 uur heeft een getuige in de buurt een rode Peugeot zien stoppen met vijf inzittenden (negroïde personen), van wie er drie zijn uitgestapt. De verdachte heeft op deze dag in de ochtend een auto – een rode Peugeot met kenteken [kenteken 1] – geleend van een kennis in [plaats]. Deze auto is omstreeks 9.50 uur getankt bij een tankstation in [plaats]. In het begin van de middag heeft de verdachte de auto naar een autobedrijf in [plaats] gebracht. Daar heeft hij de auto verkocht voor de sloop en achtergelaten. Op 3 december 2009 heeft de politie bij een ex-vriendin van de verdachte onder meer een contant geldbedrag van € 63.500 (127 biljetten van € 500) aangetroffen, waarvan is gebleken dat deze bij de overval zijn buitgemaakt, en die door de verdachte bij zijn ex-vriendin in bewaring was gegeven. De ex-vriendin heeft bovendien meerdere malen na de dag van de overval geldbedragen overgemaakt naar de verdachte die toen in de Dominicaanse Republiek verbleef.

2.4.2

Het hof heeft in de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededaders, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de bij de overval gebruikte auto heeft geregeld, dat hij deze auto kort na de overval heeft weggemaakt en dat hij de beschikking heeft gekregen over een groot deel van de buit, hetgeen naar het oordeel van het hof duidt op een groot aandeel in de planning, organisatie en/of uitvoering van de overval in de woning terwijl het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van verschillende bewijsmiddelen ontzenuwt.

2.5

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.