Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1141

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
19/00316
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:3954, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:317, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Octrooirecht. Procesrecht. Farmaceutisch octrooi (Swiss-type claim). Inventief? (art. 81 lid 1 RO). Vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat (art. 612 Rv); stelplicht. Proceskostenvergoeding (art. 1019h Rv); overeenstemming tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1726
RvdW 2020/810
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00316

Datum 26 juni 2020

ARREST

In de zaak van

SANDOZ B.V.,
gevestigd te Weesp,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: Sandoz,

advocaat: T. Cohen Jehoram,

tegen

ASTRAZENECA AB,
gevestigd te Södertälje, Zweden,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: AstraZeneca,

advocaten: F.W.E. Eijsvogels en W.A. Hoyng.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaken C/09/533643/HA ZA 17-599 en C/09/534649/HA ZA 17-651 van de rechtbank Den Haag van 11 april 2018;

  2. de arresten in de zaak 200.237.828/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 mei 2018 en 27 november 2018.

Sandoz heeft tegen het arrest van het hof van 27 november 2018 beroep in cassatie ingesteld. AstraZeneca heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot in het principaal en het incidenteel cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 Wet RO).

3 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

3.1.1

Onderdeel IIA van het middel is gericht tegen rov. 10.2 en 11.1 van het bestreden arrest en klaagt over de afwijzing door het hof van de vordering van AstraZeneca tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Betoogd wordt dat het hof die afwijzing heeft gebaseerd op het feit dat Sandoz met haar inbreukmakende product niet op de markt is geweest. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat schade ook het gevolg kan zijn van andere inbreuken dan het op de markt brengen, zoals het opnemen van het inbreukmakende product in de G-standaard. Betoogd wordt dat AstraZeneca (bij eis in reconventie in eerste aanleg) heeft gesteld dat Sandoz door het opnemen van haar generieke fulvestrant-formulering in de G-standaard octrooi-inbreuk heeft gemaakt en dat AstraZeneca in het petitum in reconventie vergoeding heeft gevorderd van door de octrooi-inbreuk geleden en mogelijk nog te lijden schade.

3.1.2

Deze klacht mist doel. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat, is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is.1 De eisende partij dient daartoe het nodige aan te voeren.

AstraZeneca heeft volstaan met de vermelding dat Sandoz door het opnemen van haar generieke fulvestrant-formulering in de G-standaard octrooi-inbreuk heeft gemaakt en zij heeft, in algemene zin, vergoeding gevorderd van door de inbreuk geleden en mogelijk nog te lijden schade. Bij gebreke van een nadere toelichting op de vraag waarin de schade van AstraZeneca zou kunnen bestaan, kon het hof oordelen dat, gegeven het door het hof gehanteerde uitgangspunt – waartegen onderdeel I, naar hierna zal blijken, tevergeefs opkomt – dat Sandoz het inbreukmakende product nooit heeft verhandeld, AstraZeneca de mogelijkheid van schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 Wet RO).

4 Proceskosten

Als de in het principale beroep in het ongelijk gestelde partij dient Sandoz, en als de in het incidentele beroep in het ongelijk gestelde partij dient AstraZeneca, te worden veroordeeld in de proceskosten.

Partijen hebben over de hoogte van de toe te wijzen proceskosten overeenstemming bereikt. AstraZeneca heeft uit dien hoofde aanspraak op een bedrag van € 70.000,--, Sandoz op een bedrag van € 20.000,--. Deze bedragen, die niet onredelijk of onevenredig voorkomen, zullen dan ook worden toegewezen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Sandoz in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van AstraZeneca begroot op € 70.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Sandoz deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt AstraZeneca in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Sandoz begroot op € 20.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien AstraZeneca deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 26 juni 2020.

1 HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435 (rov. 3.4); HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246