Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1138

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
19/03406
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:1485, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:318, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Rekenfout. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0179
NJB 2020/1727
RvdW 2020/815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/03406

Datum 26 juni 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],
wonende te [woonplaats], Duitsland,

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/03/230186/FA RK 16-4881 van de rechtbank Limburg van 1 december 2017;

  2. de beschikking in de zaak 200.234.771/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019 en verwijzing, en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in dit geding, voor zover in cassatie van belang, om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

2.2

De man heeft de rechtbank verzocht, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, een eerdere uitspraak waarbij hem een partneralimentatie was opgelegd van € 1.500,-- per maand, te vernietigen, althans te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft overwogen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 3.353,70 bedraagt en haar netto besteedbaar inkomen in 2015 € 2.482,-- per maand, “zodat de vrouw in 2015 een aanvullende behoefte heeft van (€ 3.353,70 -/- € 2.482,- =) € 1.871,70.” (rov. 5.3-5.4)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 2.1 van het middel klaagt, samengevat, dat het hof in rov. 5.4 een kennelijke rekenfout heeft gemaakt door de aanvullende behoefte te berekenen op € 1.871,70.

3.1.2

De klacht is gegrond. Het bedrag van € 3.353,70 minus het bedrag van € 2.482,-- komt uit op een bedrag van € 871,70 en dus niet op het door het hof berekende bedrag van € 1.871,70.

3.2

In het verlengde van onderdeel 2.1 slagen ook de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2. De hierop voortbouwende klachten van de onderdelen 2.1.4 en 2.3 slagen gedeeltelijk (zie hiervoor de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.13 en 2.24).

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 26 juni 2020.