Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1111

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
19/04204
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:2213
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 2.17, leden 2 en 5, Wet IB 2001. Belastbare inkomsten uit eigen woning als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Correctie bij één van de fiscale partners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-06-2020
V-N Vandaag 2020/1676
FutD 2020-1924 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2012 met annotatie van mr. J. de Haan
NLF 2020/1533 met annotatie van Jelle van den Berg
V-N 2020/33.8 met annotatie van Redactie
BNB 2020/126 met annotatie van R.F.C. SPEK
Belastingadvies 2020/18.2
FED 2020/132 met annotatie van J.H.M. ARTS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/04204

Datum 26 juni 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2019, nr. BK-18/01013, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/2578) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Op 3 januari 2015 heeft de partner van belanghebbende (hierna: de partner) ter verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001 een lening bij zijn ouders afgesloten met een hoofdsom van € 271.556, een looptijd van 30 jaar en een rente van 9% per jaar.

2.1.2

De partner heeft in 2015 € 24.365 rente op de lening betaald en dat bedrag in aanmerking genomen als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning. In de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van belanghebbende en de partner voor het jaar 2015 is het negatieve belastbare inkomen uit eigen woning voor 58% bij belanghebbende en voor 42% bij de partner in aftrek gebracht.

2.1.3

De aanslag IB/PVV 2015 van de partner is opgelegd conform de aangifte. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 aan belanghebbende is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. Hij heeft het rentepercentage van 9 als onzakelijk bestempeld, de aftrekbare rente beperkt tot 4,5% en van het dienovereenkomstig verminderde negatieve inkomen uit eigen woning 58% bij belanghebbende in aanmerking genomen.

2.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur bevoegd is de aangifte van belanghebbende te corrigeren.

2.2.2

Het Hof heeft op dit punt geoordeeld dat het de Inspecteur vrijstond de inkomsten uit eigen woning bij belanghebbende te corrigeren. De aanslag van belanghebbende wordt zelfstandig vastgesteld en belanghebbende kan geen rechten ontlenen aan de aan de partner opgelegde aanslag omdat er geen sprake was van een expliciete standpuntbepaling inzake de eigenwoningrente bij het opleggen van de aanslag aan die partner, aldus het Hof.

2.3

Het eerste middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat de hoogte van de inkomsten uit eigen woning bij de aanslagregeling van de partner moet worden vastgesteld en niet bij de aanslagregeling van belanghebbende omdat de woning door de partner is verworven.

2.4.1

Artikel 2.17, lid 2 en lid 5, Wet IB 2001, voor zover hier van belang, merkt de belastbare inkomsten uit eigen woning aan als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel dat bij de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht op te komen in de onderlinge verhouding die zij daarvoor bij het doen van aangifte kiezen. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt dat die inkomsten dan geacht worden “te zijn genoten conform de verdeling zoals bij aangifte is gedaan”.1 De wettekst noch de parlementaire geschiedenis biedt aanknopingspunten om te veronderstellen dat de hoogte van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel – zoals in dit geval de inkomsten uit eigen woning – uitsluitend kan komen vast te staan door de vaststelling van de aanslag van de partner die de betreffende inkomsten feitelijk heeft genoten.

2.4.2

In het bestreden oordeel is het hiervoor in 2.4.1 overwogene niet miskend. Het middel faalt.

2.5

De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.

1 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 88.