Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
20/00592
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:495
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend door rechtspersoon m.b.t. verlof overdracht van onder hem inbeslaggenomen goederen en bescheiden (o.m. diergeneesmiddelen) aan Duitsland. 1. Voldaan aan vereiste van dubbele strafbaarheid? 2. Kon rb niet beslissen over hoeveelheid inbeslaggenomen voorwerpen die aan de Duitse autoriteiten overgedragen werden en daarover ook geen concrete aanwijzingen geven? Ad 1: O.g.v. art. 5.4.4 lid 2 Sv dient in beginsel – d.w.z. behoudens de in deze bepaling omschreven uitzondering – te worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat vereiste houdt in dat het materiële feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling moet vallen. Daarvoor is voldoende dat de strafbaarstelling zoals deze in de uitvaardigende staat luidt, in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Deze strafbaarstellingen hoeven dus niet in alle opzichten met elkaar overeen te stemmen. (Vgl. m.b.t. art. 552o (oud) Sv, ECLI:NL:HR:2009:BI7322.) Rb heeft overwogen dat de in het Europees onderzoeksbevel (EOB) omschreven gedraging binnen een Nederlandse strafbaarstelling valt, nl. art. 2:19 Wet dieren, en op grond daarvan geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2: HR stelt art. 5.4.7 lid 1 Sv voorop, dat bepaalt dat ter uitvoering van een EOB opsporingsbevoegdheden kunnen worden toegepast, onder dezelfde voorwaarden waaronder deze kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten o.g.v. Sv. Daarbij worden eisen die worden gesteld i.v.m. de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing gelaten. Het middel gaat uit van de opvatting dat de rb de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft, had moeten toetsen. Die opvatting is, gelet op de vermelde wettelijke bepaling en de wetsgeschiedenis (rov. 4.2.2.), onjuist. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00592 Br

Datum 23 juni 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2019, nummer RK 19-006319, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft P. de Haas, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 De bestreden beschikking

2.1

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster, dat strekt tot teruggave van de ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna EOB) van de Duitse autoriteiten inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“Uit de stukken en de behandeling in raadkamer is de rechtbank het volgende gebleken.

Op 4 juni 2019 is er bij het functioneel parket internationale rechtshulp een Europees Onderzoeksbevel (hierna EOB) van het Staatsanwaltschaft Osnabrück (Duitsland) met als kenmerk 1120 AR 1/19 (gedateerd 6 februari 2019) binnengekomen. Blijkens dit onderzoeksbevel is door het parket te Osnabrück een opsporingsonderzoek ingesteld tegen klager. De Duitse autoriteiten hebben in het kader van dit onderzoek de Nederlandse autoriteiten verzocht een doorzoeking te doen in de verblijfplaats van klager, alwaar ook zijn bedrijf [klaagster] gevestigd is. Op 25 juni 2019 heeft daarom aan de [a-straat 1] te [plaats] een doorzoeking plaatsgevonden waarbij diverse goederen in beslag zijn genomen.

Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslagneming van alle goederen niet rechtmatig is (geweest), aangezien van dubbele strafbaarheid geen sprake kan zijn.

Anders dan in het EOB is gesteld, is ten aanzien van de producten [product 1] en [product 2] geen sprake van diergeneesmiddelen, zodat van verkoop in Duitsland zonder de vereiste vergunning geen sprake kan zijn. Voor en in Nederland is vastgesteld dat het product kan worden verkocht als aanvullend diervoeder.

Tevens heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het disproportioneel is de gehele handelsvoorraad van twee producten in beslag te nemen, gezien de waarde die deze vertegenwoordigt, de beperkte houdbaarheidsdatum, alsook het feit dat deze producten sowieso nog in Nederland mogen worden verkocht als vastgesteld door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Nu er geen sprake is van een strafbaar feit als opgenomen in het EOB, heeft klager de rechtbank primair verzocht geen verlof te verlenen voor de overdracht van de inbeslaggenomen goederen en bescheiden en verzocht deze te doen retourneren. Subsidiair heeft klager verzocht te volstaan met de overdracht van bescheiden en een geringe hoeveelheid van de producten ten behoeve van het Duitse onderzoek.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen bescheiden en goederen, echter met dien verstande dat er ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen kan worden volstaan met de overdracht naar Duitsland van een geringe hoeveelheid, zijnde de hoeveelheid die de Duitse autoriteiten nodig hebben om vast te stellen of er sprake is van een diergeneesmiddel.

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens de voorhanden zijnde stukken loopt er in Osnabrück een Duits opsporingsonderzoek tegen klager. Door de Duitse autoriteiten is daarom een EOB uitgevaardigd met het verzoek het pand aan [a-straat 1] te [plaats] te doorzoeken. Naar aanleiding daarvan heeft de doorzoeking plaatsgevonden en zijn er diverse bescheiden en goederen inbeslaggenomen.

Bij de uitvoering van het EOB is het Nederlands recht van toepassing, zodat beoordeling van het klaagschrift dient plaats te vinden op de voet van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank dient in dat kader in de eerste plaats te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Nu de Duitse autoriteiten stellen dat het beslag van belang is voor waarheidsvinding, dient de rechtbank in beginsel uit te gaan van de juistheid van die mededeling. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat hiervan moet worden afgeweken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu het onderzoek in Duitsland nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.

De rechtbank moet verder beoordelen of er sprake is weigeringsgronden.

Blijkens het EOB zou het strafbare feit waarvoor het EOB is uitgevaardigd in de uitvaardigende staat bestraft worden met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaren. Tevens zou er sprake zijn van een zogeheten lijstfeit waarbij in het EOB het vakje “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” is aangekruist als zijnde het van toepassing zijnde lijstfeit. Bij lijstfeiten geldt het vereiste van toetsing van de dubbele strafbaarheid niet.

Uit het EOB blijkt echter tevens dat het strafbare feit waarvoor het EOB is uitgevaardigd, te weten een overtreding van de ‘Arzneimittelgesetz’ blijkens de eveneens in het EOB opgenomen artikelen uit de ‘Arzneimittelgesetz’ slechts kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.

Dit betreft dus, anders dan hierboven vermeld, geen feit dat in de uitvaardigende staat bestraft wordt met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaren zodat van een lijstfeit geen sprake kan zijn. Nu dit feit geen lijstfeit betreft zal de rechtbank ambtshalve dienen te toetsen of er sprake is van dubbele strafbaarheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is het Duitse § 96 lid 5 Arzneimittelgesetz het equivalent van de in Nederland strafbaar gestelde overtreding van artikel 2.19 lid 1 Wet Dieren. Dit artikel luidt, voor zover van belang:

Het is verboden een handeling te verrichten die ertoe strekt een diergeneesmiddel te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te etiketteren, in de handel te brengen, in of buiten Nederland te brengen, te vervoeren, aan te bieden, aan te prijzen, af te leveren, te ontvangen, voorhanden of in voorraad te hebben, voor zover deze handeling niet is toegestaan krachtens een vergunning die is verstrekt ingevolge een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-rechtshandeling vastgesteld voorschrift of een bij ministeriële regeling aangewezen voorschrift van een EU-verordening inzake het in de handel brengen, vervaardiging, invoer, of het bezit van, handel in of verstrekken van een diergeneesmiddel.

Overtreding van artikel 2.19 lid 1 Wet Dieren is geclassificeerd als een economisch delict in de zin van artikel 1 aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten.

Dat de middelen in kwestie volgens klager in Nederland, anders dan in Duitsland, niet als diergeneesmiddel zouden worden aangemerkt, is voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid niet relevant, nu het er slechts om gaat dat de in de verzoekende staat strafbaar gestelde gedraging, zoals die in het EOB wordt omschreven, ook in Nederland onder een delictsomschrijving kan worden gebracht of, anders gezegd, als een strafbare inbreuk op de Nederlandse rechtsorde kan worden aangemerkt. Voldoende is dus dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, gelet op het hiervoor aangehaalde artikel in de Wet Dieren.

De rechtbank overweegt tot slot dat, nu haar slechts een marginale toetsingsbevoegdheid toe komt, het gelegde beslag niet evident disproportioneel is.

Gelet op haar voornoemde marginale toetsingsbevoegheid en het aan de orde zijnde rechtshulpverzoek, ziet de rechtbank ook geen mogelijkheden om in deze procedure ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen te volstaan met de overdracht naar Duitsland van een geringe hoeveelheid, zijnde de hoeveelheid die de Duitse autoriteiten nodig hebben om vast te stellen of er sprake is van een diergeneesmiddel. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aan haar om hierover in deze procedure te beslissen ofwel concrete aanwijzingen te geven.

De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren.”

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van dubbele strafbaarheid.

3.2

Artikel 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bevat de gronden waarop de erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd. Artikel 5.4.4 lid 2 Sv luidt, voor zover hier van belang:

“De uitvoering van het bevel wordt tevens geweigerd, indien:

a. het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd naar Nederlands recht niet strafbaar is, tenzij het een strafbaar feit betreft vermeld in bijlage D bij richtlijn 2014/41/EU dat in de uitvaardigende staat wordt bedreigd met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar”.

In de onderhavige zaak doet zich, nu voorwerpen in beslag zijn genomen bij een doorzoeking, niet het geval voor waarin – op grond van artikel 5.4.4 lid 3 Sv in verbinding met artikel 5.4.7 lid 3 Sv – het tweede lid van artikel 5.4.4 Sv niet van toepassing is en op die grond niet het vereiste van dubbele strafbaarheid geldt.

3.3

Op grond van artikel 5.4.4 lid 2 Sv dient in beginsel – dat wil zeggen: behoudens de in deze bepaling omschreven uitzondering – te worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat vereiste houdt in dat het materiële feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling moet vallen. Daarvoor is voldoende dat de strafbaarstelling zoals deze in de uitvaardigende staat luidt, in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Deze strafbaarstellingen hoeven dus niet in alle opzichten met elkaar overeen te stemmen. (Vgl. met betrekking tot artikel 552o (oud) Sv, HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7322.)

3.4

De rechtbank heeft overwogen dat de in het EOB omschreven gedraging binnen een Nederlandse strafbaarstelling valt, namelijk artikel 2:19 Wet dieren, en op grond daarvan geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dat oordeel geeft, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.5

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat zij niet kan beslissen over de hoeveelheid inbeslaggenomen voorwerpen die aan de Duitse autoriteiten worden overgedragen en daarover ook geen concrete aanwijzingen kan geven.

4.2.1

Artikel 5.4.7 lid 1 Sv luidt:

“Ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel kunnen opsporingsbevoegdheden worden toegepast, onder dezelfde voorwaarden waaronder deze kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek. Daarbij worden eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing gelaten.”

4.2.2

De memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel (Wet van 31 mei 2017, Stb. 2017, 231), houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“In artikel 5.4.7, eerste lid, is (...) bepaald dat de eisen die in het Wetboek van Strafvordering worden gesteld aan de toepassing van de bevoegdheden in het kader van een Nederlands onderzoek en die betrekking hebben op een beoordeling de proportionaliteit of het onderzoeksbelang, buiten beschouwing worden gelaten. Dit vloeit voort uit het beginsel van wederzijdse erkenning waarop de richtlijn is gebaseerd, en meer in het algemeen het vertrouwensbeginsel dat de wijze waarop rechtshulp wordt verleend bepaalt (vgl. Hoge Raad 22 mei 2012, NJ 2012, 399). Daarbij moet worden opgemerkt dat in geval van onderzoek naar telecommunicatie (artikel 5.4.17, eerste lid) of gecontroleerde aflevering, infiltratie en het vorderen van toekomstige gegevens (artikel 5.4.19, eerste lid) de richtlijn expliciet wel ruimte biedt om overwegingen met betrekking tot de proportionaliteit een rol te laten spelen, op dezelfde wijze als dat bij toepassing van de verlangde bevoegdheid in een nationaal onderzoek het geval zou zijn.”

(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 3, p. 9)

4.3

Het middel gaat uit van de opvatting dat de rechtbank de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft, had moeten toetsen. Die opvatting is, gelet op de hiervoor vermelde wettelijke bepaling en wetsgeschiedenis, onjuist.

4.4

Het cassatiemiddel faalt.

5 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.