Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1101

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
19/04768
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:633
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 144.430), (reis)bescheiden en 2 telefoons onder klager, die vanuit Paramaribo op Schiphol is aangekomen, t.z.v. verdenking van witwassen, waarna (reis)bescheiden en geld aan klager zijn teruggegeven. Verzet strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer tegen opheffing beslag? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt klacht. CAG: Oordeel Rb dat strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer verzet tegen opheffing van beslag op telefoons berust op 2 gronden: (i) beslissing tot teruggave van geldbedrag kan niet leiden tot andere conclusie dan dat klager klaarblijkelijk verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor legale herkomst van geld heeft gegeven en (ii) opsporingsonderzoek heeft geen (concrete) aanknopingspunten opgeleverd die steun bieden aan opvatting dat inbeslaggenomen geldbedrag, gelet op door klager overgelegde bescheiden, desondanks van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. Voortzetting van beslag op telefoons zou onder deze omstandigheden niet meer in overeenstemming zijn met eis van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl ook overigens niet is gebleken dat belang van strafvordering zich tegen opheffing van beslag verzet. Oordeel Rb is niet begrijpelijk, nu door OvJ naar voren is gebracht dat strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgerond, o.m. omdat inhoud van telefoons die klager meevoerde nog niet onderzocht kon worden, terwijl dit onderzoek voor verificatie van door klager afgelegde verklaring over legale herkomst van geld (geld gewonnen in Staatsloterij) relevant zou zijn, te meer nu door klager overgelegde brief van Staatsloterij door OvJ geopperde mogelijkheid dat klager winnend lot mogelijk heeft gekocht met geld uit onbekende bron niet uitsluit. Voorts blijkt uit mededelingen van OvJ dat klager (nog) geen antwoord heeft gegeven op door financieel rechercheur gestelde vragen waar en wanneer winnende staatslot door klager is aangekocht. Gelet hierop had Rb haar oordeel nader moeten motiveren. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04768 B

Datum 23 juni 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2019, nummer RK 19/006551, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klager, M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel dat het strafvorderlijk belang van de waarheidsvinding zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.8 tot en met 4.9. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.