Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:11

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
17/00590
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1390
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Sint Maarten. Opdracht geven tot het opzettelijk onjuist doen van verplichte belastingaangifte, art. 49.1.a jo. 49.2 Algemene landsverordening Landsbelastingen jo. art. 53.2.b SrNA (oud) resp. art. 1:127.2.b. SrStM en tot het niet binnen de gestelde termijn doen van verplichte belastingaangifte, art. 49.1.a jo. 49.2 Algemene landsverordening Landsbelastingen jo. art. 53.2.b SrNA (oud). Middelen over 1. toereikendheid bewijsmotivering in Promisvonnis en de opsporingbevoegdheid van verbalisanten, 2. bewijsvoering en 3. fiscaal pleitbaar standpunt. HR: art. 81.1 RO. Samenhang tussen 17/00590 en 17/00596.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/00590

Datum 7 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 12 januari 2017, nummer H 11/2015, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden en 2 weken, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2020.