Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1097

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
19/00373
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:294
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuldheling aankoop scooteronderdelen via Marktplaats.nl, art. 417bis Sr. Bewijsklacht t.a.v. “redelijkerwijs had moeten vermoeden”. HR: In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de scooteronderdelen in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00373

Datum 23 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 januari 2019, nummer 22/003972-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.T. de Vaal, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, niet voldoende heeft gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 7 juni 2018 tot en met 10 juni 2018 te ’s-Gravenhage, goederen, te weten diverse Vespa scooter onderdelen waaronder beugels en het windscherm heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 10 juni 2018 omstreeks 15.00 uur, kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de opdracht te gaan naar [a-straat 1] te Den Haag. Daar zou een vrouw haar gestolen goederen hebben aangetroffen. Deze goederen zouden te koop zijn aangeboden op marktplaats.

Ter plaatse troffen wij de meldster. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat de meldster verklaarde dat:

- haar scooter een Vespa met kenteken [kenteken] was;

- deze scooter op 7 juni 2018 was gestolen;

- deze scooter op 7 juni was teruggevonden;

- zij hier aangifte van deed bij de politie;

- deze scooter op naam van haar vader [betrokkene 1] geregistreerd staat;

- deze scooter verschillende onderdelen miste;

- ze deze onderdelen op marktplaats heeft teruggevonden;

- ze een afspraak had gemaakt met de verkoper om deze onderdelen te kopen;

- ze had afgesproken met de verkoper op 10 juni 2018 op de [a-straat 1] te Den Haag;

- ze de goederen van de verkoper herkende als haar goederen;

- ze hierop contact heeft opgenomen met de meldkamer van politie.

De meldster bleek te zijn genaamd:

[betrokkene 2], geboren [geboortedatum]-1999.

Wij liepen samen met [betrokkene 2] richting de garagebox waar de goederen verkocht werden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er drie personen richting ons liepen. [betrokkene 2] verklaarde dat het haar vader, moeder en de verkoper waren. Ik vroeg aan [betrokkene 2] wie is de verkoper. Ik zag dat ze naar de meest rechter persoon wees. Ik hoorde haar zeggen: dat is de man die mijn goederen te koop aanbood. Ik zag dat de andere twee personen scooterbeugels bij zich droegen. [betrokkene 2] verklaarde dat deze beugels aan haar scooter toebehoorden.

Op 10 juni 2018 omstreeks 15:15 uur hielden wij op de locatie [a-straat 1] als verdachte aan:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-11, met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de opsporingsambtenaar:

Op 10 juni 2018 heb ik, verbalisant [verbalisant 2], aan [betrokkene 2] het verzoek gedaan of zij de fotobijlage van de onderdelen van haar snorfiets naar mij wilde e-mailen.

Ik ontving twee e-mails. Ik verwijs door naar de fotobijlagen, bijgevoegd bij dit proces-verbaal van bevindingen.

2a. Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 10 juni 2018 van [betrokkene 2] gericht aan [verbalisant 2], als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:

[verbalisant 2]

Van: [betrokkene 2] <[e-mailadres]>

Verzonden: zondag 10 juni 2018 15:59

Aan: [verbalisant 2]

Onderwerp: Proces-verbaalnummer: PL1500-2018150609-1

Martplaats advertentie 1:

https://www.marktplaats.nl/a/fietsen-en-brommers/brommeronderdelen-scooters/[internetsite]

Marktplaats advertentie 2:

https://www.marktplaats.nl/a/fietsen-en-brommers/brommeronderdelen-scooters/[internetsite]

2b. Een geschrift, zijnde een fotobijlage, als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:

(afbeelding)

Vespa sprint primavera smoke windscherm

€ 55,-

2c. Een geschrift, zijnde een fotobijlage, als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:

(afbeelding)

Set beugels Vespa sprint primavera mat zwart valbeugels

€ 225,-

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 10 juni 2018 afgelegde verklaring van de verdachte:

De garagebox aan de [a-straat 1] in Den Haag is van een kennis van mij. Ik heb goederen te koop aangeboden via Marktplaats. Die heb ik zelf op Marktplaats gezet.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 10 juni 2018 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb de beugels gisteren via Marktplaats gekocht en ook zelf op Marktplaats gezet.

Vraag verbalisant:

Van wie heb je de beugel set gekocht?

Antwoord verdachte:

Dat weet ik niet. Ik ken hem niet. Ik heb gewoon op straat afgesproken bij station Moerwijk. Ik heb geen naam van de verkoper. Ik heb zaken gedaan via de mail.

Vraag verbalisant:

Kan jij deze mail nog tonen?

Antwoord verdachte:

Ik weet het niet, misschien.

Vraag verbalisant:

Misschien?

Antwoord verdachte:

Ja misschien als ik het nog kan vinden.

Vraag verbalisant:

Hoe zag de man er uit van wie je het hebt gekocht?

Antwoord verdachte:

Moet ik nu met vooroordelen komen?

Vraag verbalisant:

Wat bedoel je?

Antwoord verdachte:

Moet ik zijn ras zeggen?

Vraag verbalisant:

Ik vraag je hoe deze man er uitzag. Al is het een lilliputter met 2 pukkels op zijn neus. Hoe zag hij eruit.

Antwoord verdachte:

Een Marokkaan of Turk. 18 / 19 jaar. 170 lang.

Vraag verbalisant:

Waar heb je precies afgesproken?

Antwoord verdachte:

Bij die oude brandweer kazerne.

Vraag verbalisant:

Op dat parkeerterrein daarvoor?

Antwoord verdachte:

Daar op de hoek.”

2.2.3

Het hof heeft het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer, als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie – op het standpunt gesteld, dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de verdachte dat hij de door hem aangeboden goederen een dag tevoren via Marktplaats heeft gekocht voor € 150,- en wilde doorverkopen voor € 200,-, hetgeen marktconforme prijzen zijn, voldoende aannemelijk is en door het dossier onvoldoende wordt weerlegd. Het komt erop neer dat de verdachte niet wist en ook niet had moeten vermoeden dat de goederen gestolen waren.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

De verdachte heeft op 9 juni 2018 onderdelen van een Vespa te koop aangeboden. De betreffende Vespa was twee dagen daarvoor gestolen. Op 10 juni 2018 heeft de verdachte deze onderdelen aan de eigenaar van de bewuste Vespa geprobeerd te verkopen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte daadwerkelijk wist dat hij te maken had met gestolen waar zodat hem geen opzetheling kan worden verweten.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 9 juni 2018 de onderdelen tegenkwam op Marktplaats en deze vervolgens heeft gekocht van de aanbieder. De overdracht vond volgens de verdachte plaats op een parkeerterrein bij een station. Het onderlinge contact was via de e-mail tot stand gekomen. De verdachte geeft aan niet te weten hoe de verkoper heet en heeft ook moeite om diens signalement te omschrijven.

Deze door de verdachte geschetste omstandigheden zijn in het voor de verdachte meest gunstige geval als schimmig te omschrijven en rechtvaardigen het oordeel dat de verdachte in elk geval had moeten vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Dat oordeel wordt gesterkt door het gegeven dat de verdachte de hem eventueel disculperende e-mail-wisseling niet heeft kunnen of willen verstrekken.

Al het bovenstaande leidt tot de bewezenverklaring van de aan de verdachte verweten schuldheling.”

2.3

In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooteronderdelen in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.