Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1077

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
19/03524
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:628
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Nalaten om gegevens te verstrekken in het kader van haar inlichtingenplicht o.g.v. art. 25 van de Werkloosheidswet (art. 227b Sr) door niet door te geven aan het UWV dat zij, verdachte, niet in loondienst was bij een failliet verklaarde B.V., en het gebruikmaken van valse geschriften door een valse arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties over te leggen (art. 225.1 Sr). Middelen over niet-beslissen door hof op beroep op overschrijding redelijke termijn ex art. 6 EVRM. Middelen slagen o.b.v. redenen zoals vermeld in de CAG. CAG stelt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 voorop inhoudende dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. I.c. blijkt uit de strafmotivering van het hof dat het hof, ondanks een ter zake door de verdediging gevoerd verweer, geen overweging heeft gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. In het licht daarvan is de beslissing op het verweer dat de redelijke termijn is overschreden ontoereikend gemotiveerd. Daarover klaagt het middel terecht. Ook over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie klaagt het middel terecht. Dit hoeft echter niet te leiden tot strafvermindering. Gelet op de aan verdachte opgelegde taakstraf voor de duur van tachtig uren kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6.1 EVRM. HR doet de zaak zelf af en oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03524

Datum 23 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2018, nummer 21/006150-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vierde en het vijfde cassatiemiddel

2.1

Het vierde cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dat namens de verdachte is gedaan. Het vijfde cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2

De cassatiemiddelen zijn terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.5, 7.6 en 8.1.

2.3

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.