Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1075

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
19/03217
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:477
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit afpersingen. Had hof in strafzaak opgelegde proceskostenveroordeling m.b.t. b.p.’s in mindering moeten brengen op w.v.v.? Art. 36e.8 (oud) Sr. HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel v.zv. het ziet op het in mindering brengen van proceskostenveroordelingen t.a.v. b.p.’s A, B, C en E en faalt middel v.zv. het ziet op het in mindering brengen van proceskostenveroordeling t.a.v. b.p. D. CAG: Ex art. 36e.8 (oud) Sr komen aan b.p.’s toegewezen bedragen slechts voor aftrek van ontnemingsbedrag in aanmerking, indien en v.zv. tegenover die schade daarmee corresponderend voordeel voor betrokkene heeft gestaan. Indien en v.zv. hof gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid aan b.p.’s toegekende vorderingen wel in mindering te brengen, was hof evenwel gehouden ter zake daarvan t.g.v. benadeelde derde toegewezen proceskosten eveneens in mindering te brengen. Aan deze verplichting heeft hof verzuimd te voldoen. Dictum ‘s hofs uitspraak in strafzaak houdt o.m. in dat hof betrokkene verwijst in door b.p.’s gemaakte en t.b.v. tul nog te maken kosten. Van 5 b.p.’s (A, B, C, D en E) heeft hof deze kosten tot aan datum van zijn uitspraak begroot op respectievelijk € 322, € 143, € 77, € 77 en € 143. Hof heeft aan b.p. D toegewezen vordering t.z.v. immateriële schade evenwel niet op ontnemingsbedrag in mindering gebracht, zodat hof ook niet was gehouden t.g.v. deze b.p. toegewezen proceskosten in mindering te brengen. Aan andere 4 b.p.’s toegekende vorderingen heeft hof geheel (b.p.’s A en B) dan wel voor sterk overwegend gedeelte (b.p.’s C en E) op ontnemingsbedrag in mindering gebracht. Nu hof in zoverre gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot in mindering brengen van nog niet onherroepelijk toegekende vordering, was hof verplicht ook (mede) ter zake daarvan t.g.v. benadeelde derde toegewezen proceskosten in mindering te brengen op w.v.v. Dat behoeft niet te leiden tot terugwijzing van zaak. HR vermindert schatting w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting (met aan 4 b.p.’s toegewezen proceskosten ten bedrage van in totaal € 685). Samenhang met 19/03221.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03217 P

Datum 30 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2018, nummer 20-000075-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.696,70 heeft gesteld en aan de betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag, tot vermindering van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en het te betalen bedrag met € 685,- zodat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en het te betalen bedrag beide € 43.011,70 bedragen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat niet in mindering heeft gebracht hetgeen de betrokkene aan de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4] en [benadeelde 5] uit hoofde van een proceskostenveroordeling dient te voldoen.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt voor zover het ziet op het in mindering brengen van de proceskostenveroordelingen ten aanzien van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 5]. Voor zover het cassatiemiddel ziet op het in mindering brengen van de proceskostenveroordeling ten aanzien van [benadeelde 4], faalt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met 11.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nummer 19/03221, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de strafzaak.

3.3

Daarom is er geen aanleiding om in deze zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.696,70 heeft gesteld en aan de betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van € 43.696,70;

- vermindert het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat tot € 43.011,70 alsmede het te betalen bedrag tot € 43.011,70;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.