Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1069

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
19/02177
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:316
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:2607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 84, lid 2, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en art. 38, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen. Vertrouwensbeginsel; mededeling UWV; geen voor de Inspecteur bindende toezegging inzake premieheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-06-2020
V-N Vandaag 2020/1609
FutD 2020-1856 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/29.26 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2033 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
NLF 2020/1545 met annotatie van Heidi Bröker
NJB 2020/1830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/02177

Datum 19 juni 2020

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2019, nr. 18/00743, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3544) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2016 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 38, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 april 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:316).

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Aan een door belanghebbende ontslagen werknemer (hierna: de ex-werknemer) is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) bij besluit van 9 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend (hierna: de uitkering). De aan de ex-werknemer toegekende en betaalde uitkering is de enige uitkeringslast waarop de berekening van de premiecomponent voor WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen van belanghebbende voor 2016 is gebaseerd. De afkorting WGA staat voor: werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

2.1.2

Belanghebbende heeft tegen het in 2.1.1 genoemde besluit van 9 januari 2013 bezwaar gemaakt, naar aanleiding waarvan het UWV op 14 februari 2013 telefonisch contact heeft gehad met belanghebbende. Vervolgens heeft het UWV op 27 februari 2013 een e-mail gestuurd waarin is vermeld, voor zover voor de beoordeling van de klachten van belang:

“U maakt bezwaar tegen ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’.

U kunt op dit moment geen bezwaar maken tegen het ‘feit’ dat UWV mogelijk in de toekomst wel, of niet, de uitkering op [X] verhaalt. Er is namelijk niet besloten dat de WIA van [A] op [X] verhaald wordt.

In de beslissing staat ook niet dat u als ERD verantwoordelijk blijft voor de re-integratie. Integendeel, er staat dat UWV ondersteuning verleent.

Op 14 februari 2013 is telefonisch al aan u medegedeeld dat omdat het dienstverband is beëindigd vóór ingangsdatum WIA, de werkgever niet verantwoordelijk is voor re-integratie en de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever.”

2.1.3

Met dagtekening 23 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2016 een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas (hierna: Whk) gegeven.

2.2

Voor het Hof was in geschil of de gedifferentieerde premie Whk op grond van het vertrouwensbeginsel berekend moet worden zonder de uitkering in aanmerking te nemen.

2.3.1

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.1 Dit sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.

2.3.2

Klaarblijkelijk heeft het Hof aan de hiervoor bij 2.1.2 weergegeven mededeling de betekenis toegekend dat het UWV daarmee antwoord heeft gegeven op de door belanghebbende gestelde vraag of het UWV gebruik zou maken van de aan haar in artikel 84, lid 2, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (tekst 2013) gegeven bevoegdheid een door het UWV betaalde uitkering op een eigenrisicodrager te verhalen. Het oordeel van het Hof dat deze mededeling niet kan worden opgevat als een toezegging waaraan belanghebbende het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat bij de premieheffing de uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk geeft geen blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in 2.3.1 is overwogen.
Dat wordt, anders dan de klachten kennelijk voorstaan, niet anders indien het UWV bij het doen van de mededeling ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende eigenrisicodrager was voor de ex-werknemer. Zoals in het hiervoor in 2.1.2 aangehaalde citaat tot uitdrukking komt, was het belanghebbende die heeft gemeld dat zij eigenrisicodrager was. Die vermelding was met betrekking tot de ex-werknemer onjuist, zodat het Hof reeds om die reden de mededeling van het UWV niet als een de Inspecteur bindende toezegging hoefde aan te merken.

2.3.3

In zoverre missen de klachten doel. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de overige klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020.

1 Vgl. ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, r.o. 4.3; en CRvB 7 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:877, r.o. 4.1.