Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1054

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
18/02713
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:311
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mislukte ripdeal in hotel te Zeist, waarbij persoon (Colombiaan) om het leven is gekomen. (Poging tot) doodslag, art. 287 Sr. 1. Noodweer, proportionaliteitseis. Staat afvuren van meerdere kogels in redelijke verhouding tot verschijning van gewapende man met bivakmuts uit badkamer? 2. Noodweerexces. Inconsistentie tussen motivering verwerping beroep op noodweerexces en motivering bewezenverklaring aan te merken als kennelijke vergissing? 3. Noodweer. Was op moment van bewezenverklaard handelen sprake van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte of van enkele vrees voor zo’n aanranding? 4. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel (opgelegd t.z.v. ander feit), art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis. Hof heeft vastgesteld dat verdachte zonder aarzeling meteen meerdere kogels richting man met bivakmuts heeft afgeschoten en dat dit in de gegeven omstandigheden niet in redelijke verhouding staat tot ernst van dreigende aanranding van verdachte en medeverdachte, nu deze man enkel vuurwapen voorhanden had. Daarbij heeft hof overwogen dat e.e.a. heeft plaatsgevonden in een milieu waarin het niet ongebruikelijk is dat betrokkenen wapens bij zich dragen en dat verdachte er dan ook niet z.m. van uit mocht gaan dat er bij het tevoorschijn komen van vuurwapen meteen geschoten zou gaan worden, temeer niet nu medeverdachte man met bivakmuts aan het overmeesteren was. Het hierop gebaseerde oordeel dat beroep op noodweer moet worden verworpen, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Hof heeft aan verwerping van beroep op noodweerexces ten grondslag gelegd dat het verklaring van verdachte dat hij in paniek met arm voor zijn ogen geschoten heeft, niet aannemelijk vindt. Hof heeft dit aspect van verklaring van verdachte echter wel voor bewijs gebruikt als onderdeel van b.m. Tot cassatie behoeft deze inconsistentie echter niet te leiden. Het betreft kennelijke vergissing van hof dat het deze onderdelen van b.m. in bewijsmotivering heeft opgenomen. Andere b.m. bieden geen steun voor deze onderdelen evenmin als ’s hofs vaststellingen m.b.t. wijze waarop verdachte heeft geschoten. ‘s Hofs oordeel dat sprake is geweest van gericht en beheerst schieten en dat het daarom niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft geschoten t.g.v. hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door dreigende ogenblikkelijke aanranding van zijn en lijf van medeverdachte, is gelet daarop niet onbegrijpelijk.

Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van “ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding”. Hof heeft t.a.v. andere 2 mannen waarop verdachte heeft geschoten geoordeeld dat geen sprake is geweest van (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, omdat enkele vrees van verdachte dat deze mannen op hem zouden gaan schieten onvoldoende is om noodweersituatie aannemelijk te achten. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 4. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer (van medeplegen afpersing) in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ‘s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

CAG: anders t.a.v. inconsistentie tussen motivering verwerping beroep op noodweerexces en motivering bewezenverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0209
NJB 2020/1654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02713

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2018, nummer 21/002189-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de beslissingen inzake feit 1 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces) ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 02 juni 2015 te Zeist, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met een vuurwapen in de richting van voornoemde man geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde man is overleden;

2:

hij op 02 juni 2015 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van politie Team Grootschalige Opsporing (MD), proces-verbaalnummer 2015169100, onderzoek [...], d.d. 17 juli 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 14], brigadier van politie, en [verbalisant 15], aspirant recherchekundige van politie (pagina’s 564 tot en met 582 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :

V: Vragen verbalisanten

A: Antwoord verdachte

A: (...) We kwamen terug voor de deal in Zeist. (...) We kwamen aan voor het hotel waar we ook de vorige keer waren geweest. (...)

V: Hoe konden jullie daar naar binnen?

A: We volgden de Colombianen, een van hen deed deur open. We kwamen bij een kamerdeur. Hij klopte. We wachtten even en de deur ging open. (...)

We zijn binnen gekomen en de kennis is op de stoel aan de linkerkant gaan zitten. En ik ben op het bed gaan zitten. Toen ging het heel snel. Een Colombiaan nam mij bij de schouder. “Kom naar de cocaïne kijken” zei hij. Hij brengt mij bij een tafel links bij de toilet. Er was een koffer half onder de tafel. Hij begint een pakket te openen. Ik kijk en ik zeg tegen de kennis: “Dit lijkt nep. Het is niet echt.” Op dat moment, neemt de Colombiaan me bij mijn hoofd en zegt: “Kijk en tel hoeveel kilo’s er zijn”. En de andere Colombiaan gaat naar mijn kennis en neemt een tas. Op het moment dat hij de tas pakt staat mijn kennis op. Ik volg hem naar de tas. Ik neem de tas uit zijn handen en meteen hoorde ik dat een van de twee Colombianen achter mij op de deur van de wc klopt. Ik weet niet welke van de twee klopte. Het was niet het geluid van de kamerdeur maar van de wc deur dat ik hoorde. Toen ik de tas pakte hoorde ik meteen kloppen. Die Colombiaan daar gaat naar de wc en de kennis volgt hem. De kennis schreeuwt: “Er is een wapen er is een wapen.” Ze waren met zijn tweeën en ze probeerden mij vast te pakken een van de twee had een bivakmuts. De kennis zegt tegen mij: “Neem snel het wapen uit de zwarte tas. Pak snel het wapen.” De kennis was aan het vechten met de Colombiaan.(...)

A: (...) Ik nam het wapen uit de tas. De kennis is rennend uit de wc gekomen. Hij heeft de Colombiaan van zich af kunnen doen. Hij rende uit de wc en ik raakte in paniek. Ik heb dat (maakt gebaar) gedaan en ik begon te schieten.

Noot verbalisant: Verdachte demonstreert hoe hij schoot. Hij doet zijn arm voor zijn ogen en strekt zijn andere arm uit. (...)

A: (...) Ik heb mijn hand op mijn hoofd gezet en ben begonnen te schieten. (...)

V: Wie van de personen in de kamer hadden wapens bij zich?

A: Alleen degene die de bivakmuts had, had een mitrailleur bij zich. Ik was zo (arm voor het hoofd) aan het schieten. Ik kan me alleen die persoon met de bivakmuts en de mitrailleur herinneren. (...)

A: (...) Toen ik de man met de bivakmuts zag werd ik echt bang.

V: Waar kwam die vandaan?

A: Toen de wc-deur openging heb ik hem gezien. Hij was al in de wc-kamer vanaf het begin.

V: Wat zag jij van zijn wapen, van de man met de bivakmuts?

A: Dat was een mitrailleur.

V : Hoe hield hij dat wapen?

A: Ze waren aan het vechten en de kennis was hem aan het overmeesteren dus ik weet het niet precies. (...)

V: Dus je had je arm gestrekt en je andere arm voor je ogen?

A: Ja dat klopt en tussendoor keek ik in een fractie van een seconde nog om me heen. (...)

V: Hoe vaak heb jij geschoten?

A: Ik wil niet liegen, ik weet het echt niet. In zo’n situatie heb je geen tijd om te tellen hoe vaak je schiet.

V: Wat voor wapen was het waarmee jij schoot?

A: een pistool mitrailleur.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit gerechtshof d.d. 5 juni 2018, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De voorzitter deelt mede dat de volgende stukken aan het dossier zijn toegevoegd:

- Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 13 en 14 juli 2017 in de zaak van [betrokkene 5] (16/700115-15).

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 13 en 14 juli 2017, in de zaak van medeverdachte [betrokkene 5] (16/700115-15), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [verdachte] :

Het wapen was van mij. (...) Dat wapen was van mij en ik was de enige die daar vanaf wist. (...) We zijn naar het appartement gegaan om een deal te sluiten, om 20 kilo cocaïne te kopen. Eigenlijk ging het meteen al mis. Alles is heel snel gegaan. De Colombianen waren op een rare manier opgesteld. Ik hoorde kloppen. Een van de Colombianen liep naar het toilet, gevolgd door de verdachte. Toen kwam er een man met een bivakmuts en een wapen en werd er gevochten. Toen ik de Colombiaan zag aankomen die de deur opendeed, zag ik meteen de man met de bivakmuts en het wapen. De verdachte ging er meteen op af. (...) Toen ik de man met de bivakmuts en de verdachte zag vechten en zag dat de man met de bivakmuts een wapen had, heb ik maar geschoten. De verdachte heeft mij niet gevraagd om te schieten. (...) Het wapen dat ik bij mij had was een pistool mitrailleur, type Scorpion. De man met de bivakmuts had ook een wapen in zijn hand toen hij met de verdachte aan het vechten was. Ik heb toen geschoten. (...). Ik had beide wapens in de zwarte tas. Ik heb de Scorpion uit de tas gehaald toen het gevecht tussen de verdachte en de Colombiaan gaande was. Het andere wapen hield ik in mijn andere hand, maar daar heb ik niet mee geschoten. Ik heb meteen beide wapens uit de tas getrokken. (...) Ik heb met één vuurwapen geschoten. Ik heb niet alleen geschoten op de man waarmee de verdachte aan het worstelen was, maar ook op de anderen. Ik was bang dat zij ook gewapend waren. Ik had de Scorpion in mijn rechterhand en daarmee heb ik geschoten.

12. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 15 december 2017, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 5]:

U zegt toen we in het appartement waren. U vraagt of het klopt dat [verdachte] in de koffer met drugs heeft gekeken. Ja dat klopt. De Colombiaan heeft laten zien hier zijn de drugs. Hij deed de koffer open en direct weer dicht. Er kwam een Colombiaan. Die had de tas gepakt die op de grond lag bij mijn voeten. De Colombiaan is gaan lopen met de tas in zijn hand naar het toilet toe. De Colombiaan liep van de stoel naar de ingang. Ik liep ook zo. Daar hoorde ik geklop. (...) De Colombiaan pakte de tas, liep naar de uitgang, toen hoorde ik geklop. Toen kwamen gewapende mannen binnen en toen ben ik met hen gaan vechten. De gewapende mannen kwamen uit de badkamer. De tas die de Colombiaan bij mijn voeten wegpakte was de tas met het geld. Ik heb twee mannen gezien, zij hadden een bivakmuts op. (...) Ik heb gezegd: ‘Er zijn gewapende mannen, er zijn gewapende mannen”. Ik heb gevochten met de twee Colombianen in de badkamer. Er was een Colombiaan voor mij en een die mij sloeg. Dat waren de Colombianen met de bivakmutsen. Ik schreeuwde: “Er zijn mannen, gewapende mannen”. Ik heb gevochten en toen heeft [verdachte] geschoten.

13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 5 juni 2018, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Toen de man met de bivakmuts uit de WC kwam heb ik geschoten. (...) Ik heb de beide wapens uit de tas gepakt op het moment dat ik de man met de bivakmuts en het wapen zag. Ik heb alleen met het automatische vuurwapen geschoten.”

2.3

Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:

“Beroep op noodweer(exces)

Ter terechtzitting is door de raadsman ten aanzien van de feiten 1 en 2 een beroep gedaan op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich - gelet op de samenloop van omstandigheden - geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en dat van medeverdachte [betrokkene 5]. Het handelen van verdachte stond in redelijke verhouding tot de ernst van de feitelijke aanranding. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, nu hij verontschuldigbaar de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte zich niet kan beroepen op noodweer dan wel op noodweerexces, omdat hij - ten aanzien van de man met de bivakmuts (feit 1) - disproportioneel heeft gehandeld. Ten aanzien van de andere twee mannen (feit 2) stelt de advocaat-generaal dat er geen sprake is van een wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan.

Het hof overweegt als volgt.

Toedracht

Voor het vaststellen van de feiten en omstandigheden gaat het hof uit van de verklaring die verdachte op 17 juli 2015 bij de politie heeft afgelegd, de verklaring die verdachte in de strafzaak in eerste aanleg van de medeverdachte [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) op 13 - 14 juli 2017 als getuige heeft afgelegd en de verklaring die medeverdachte [betrokkene 5] heeft afgelegd als getuige in de strafzaak van verdachte op 15 december 2017 bij de raadsheer-commissaris.

Op 2 juni 2015 heeft er in een hotel in Zeist een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte en medeverdachte [betrokkene 5] enerzijds en een aantal Colombianen anderzijds. Verdachte en zijn medeverdachte wilden 20 kilo cocaïne kopen van de Colombianen. Verdachte had twee vuurwapens bij zich, waaronder een Zastava machinepistool. De sfeer was gespannen, aldus verdachte en er stonden twee Colombianen geposteerd voor de deur van de hotelkamer.

Eenmaal in de hotelkamer liet een van de Colombianen verdachte een korte blik werpen op pakketjes verpakt in een koffer, daarna pakte de Colombiaan de tas waarin - naar verdachte zegt - het geld gestopt was. Deze tas werd weer door verdachte teruggepakt. Pal daarop liep een van de Colombianen naar de deur van de badkamer/toilet en hoorde verdachte kloppen op een deur. Uit de badkamer/toilet kwam vervolgens een man met een bivakmuts op (Hof: [slachtoffer 1]). [betrokkene 5] ging op de man af en er ontstond een worsteling tussen hen. [betrokkene 5] riep daarbij tot tweemaal toe, dat de man bewapend was. Meteen daarop heeft verdachte geschoten met zijn Zastava machinepistool, niet alleen op de man waarmee [betrokkene 5] worstelde maar ook op de andere Colombianen.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat de man met de bivakmuts het wapen op hem richtte, niet geloofwaardig. Verdachte heeft dit voor het eerst verklaard ter zitting in hoger beroep, en het wordt niet aannemelijk geacht dat de man met de bivakmuts zijn wapen op verdachte richtte terwijl hij worstelde met [betrokkene 5].

Naast de dodelijk getroffen man met de bivakmuts is een stroomstootwapen aangetroffen en een bivakmuts. Er kan dus niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de man met de bivakmuts een vuurwapen had. Het hof gaat er wel van uit dat verdachte geloofde dat er sprake was van een vuurwapen.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

Wat betreft de man met de bivakmuts is aannemelijk geworden dat sprake was van een dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en van [betrokkene 5] lijf. Het hof is echter van oordeel dat de door verdachte gekozen verdediging - het onmiddellijk, zonder aarzeling meteen afvuren van meerdere kogels richting de man met de bivakmuts - in de gegeven omstandigheden niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de dreigende aanranding van [betrokkene 5] en verdachte, te weten het enkel voorhanden hebben van een (vuur)wapen. Een en ander heeft immers plaatsgevonden in een milieu waarin het niet ongebruikelijk is dat betrokkenen wapens bij zich dragen, getuige ook het feit dat verdachte zelf twee wapens had meegenomen naar de ontmoeting met de Colombianen. Verdachte mocht er dan ook niet zonder meer van uit gaan dat er bij het te voorschijn komen van een vuurwapen meteen geschoten zou gaan worden. Temeer niet nu [betrokkene 5] zijn belager, de man met de bivakmuts, naar de bewoordingen van verdachte (verklaring 17 juli 2015) aan het overmeesteren was.

Nu de gekozen verdediging niet geboden was, wordt het beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 verworpen.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten heeft. Het hof vindt deze verklaring niet aannemelijk. Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat er minimaal 5 keer door verdachte geschoten is en dat alle aangetroffen projectielen in de lichamen van de getroffen Colombianen en in de hotelkamer aangetroffen hulzen afkomstig kunnen zijn uit het door verdachte gehanteerde Zastava machinepistool. In de hotelkamer zijn geen (kogel-) beschadigingen aangetroffen dan enkel één in de post van de badkamer/toiletdeur. Dit alles wijst veeleer op een gericht en beheerst schieten.

Aldus is volgens het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke aanranding van zijn en [betrokkene 5] lijf.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 2

Wat betreft de andere twee mannen waarop verdachte heeft geschoten is er naar oordeel van het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij op de andere mannen heeft geschoten, omdat hij bang was dat zij ook gewapend waren. Verdachte heeft niet gezien of de andere mannen ook wapens hadden. De enkele vrees dat deze mannen op hem zouden gaan schieten is onvoldoende om een noodweersituatie aannemelijk te achten. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 2

Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat ook een beroep op noodweerexces in de weg. Het beroep op noodweerexces kan reeds daarom niet slagen. Het beroep wordt verworpen.”

2.4.1

Bij de beoordeling van het middel, voor zover het betrekking heeft op de verwerping door het hof van het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde, moet het volgende worden vooropgesteld. De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3.)

2.4.2

Het hof heeft aan de verwerping van het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde ten grondslag gelegd dat de door de verdachte gekozen verdediging - het onmiddellijk, zonder aarzeling meteen afvuren van meerdere kogels richting de man met de bivakmuts - in de gegeven omstandigheden niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende aanranding van [betrokkene 5] en verdachte, bestaande uit het enkel voorhanden hebben van een (vuur)wapen. Daarbij heeft het hof overwogen dat een en ander heeft plaatsgevonden in een milieu waarin het niet ongebruikelijk is dat betrokkenen wapens bij zich dragen en dat de verdachte er dan ook niet zonder meer van uit mocht gaan dat er bij het tevoorschijn komen van een vuurwapen meteen geschoten zou gaan worden, temeer niet nu [betrokkene 5] de man met de bivakmuts aan het overmeesteren was. Het hierop gebaseerde oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.5.1

Aan de verwerping van het beroep op noodweerexces ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat het de verklaring van de verdachte dat hij in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten heeft, niet aannemelijk vindt. Het hof heeft dit aspect van de verklaring van de verdachte echter wel voor het bewijs gebruikt als onderdeel van bewijsmiddel 9. Over die inconsistentie klaagt het middel terecht.

2.5.2

Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Het betreft een kennelijke vergissing van het hof dat het deze onderdelen van bewijsmiddel 9 in de bewijsmotivering heeft opgenomen. De bewijsmiddelen 11, 12 en 13 bieden geen steun voor deze onderdelen, evenmin als de vaststellingen van het hof dat minimaal vijf keer door de verdachte is geschoten, alle aangetroffen projectielen in de lichamen van de Colombianen zijn aangetroffen en in de hotelkamer geen kogelbeschadigingen zijn aangetroffen dan enkel één in de post van de badkamer/toiletdeur. Het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een gericht en beheerst schieten en dat het daarom niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke aanranding van zijn en [betrokkene 5] lijf, is gelet daarop niet onbegrijpelijk.

2.6.1

Bij de beoordeling van het middel, voor zover het betrekking heeft op de verwerping door het hof van het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde, moet het volgende worden vooropgesteld. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.4.)

2.6.2

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is het hof tot het oordeel gekomen dat wat betreft de andere twee mannen waarop de verdachte heeft geschoten geen sprake is geweest van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, omdat de enkele vrees van de verdachte dat deze mannen op hem zouden gaan schieten onvoldoende is om een noodweersituatie aannemelijk te achten. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien jaren.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1

Het hof heeft de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer [betrokkene 6] het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.

4.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [betrokkene 6] vervangende hechtenis is toegepast;

- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze dertien jaren en zes maanden beloopt;

- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast ter zake van de ten behoeve van [betrokkene 6] opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.