Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1039

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
19/00496
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:4493, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:90, Gevolgd
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Goederenrecht. Erfdienstbaarheid van weg. Uitlegmaatstaf. Omvat de erfdienstbaarheid ook het recht om de weg te gebruiken als verbinding, via het heersend erf, met ander perceel dat dezelfde eigenaar heeft als het heersend erf? HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4160.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1566
RvdW 2020/756
NJ 2020/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00496

Datum 12 juni 2020

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers] ,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

1. [verweerster 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: [verweerster 1] ,

niet verschenen,

2. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Rabobank,

advocaat: T.T. van Zanten.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/01/297055 / HA ZA 15-552 van de rechtbank Oost-Brabant van 3 augustus 2016;

  2. het arrest in de zaak 200.208.805/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2018.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Rabobank heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. Tegen [verweerster 1] is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in deze zaak over een recht van erfdienstbaarheid van weg. Schematisch weergegeven is de situatie als volgt:

2.2

In cassatie kan verder van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eisers] zijn eigenaar van de woning en het perceel aan de [a-straat 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [A] , nummer [002] (hierna: perceel [002] ).

(ii) [verweerster 1] is eigenaar van het naastgelegen perceel met bedrijfspand aan de [a-straat 3] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [A] , nummer [003] (hierna: perceel [003] ). In dit pand wordt een fietsenhandel gedreven. Perceel [003] heeft een eigen toegang vanaf de openbare weg via een pad dat aan perceel [002] grenst.

(iii) In 2012 is [verweerster 1] ook eigenaar geworden van het perceel met bedrijfspand aan de [a-straat 2] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [A], nummer [001] (hierna: perceel [001] ). Dit perceel is gelegen direct achter perceel [002] en naast (het achterste deel van) perceel [003] . Voorheen werd het bedrijfspand op perceel [001] gebruikt als sportwinkel. Het pand wordt nu onder meer gebruikt als (extra) opslagplaats en showroom voor de fietsenhandel.

(iv) Perceel [001] heeft geen eigen toegang tot de openbare weg. Om die reden is ten behoeve van perceel [001] en ten laste van perceel [002] bij notariële akte van 15 december 2005 de volgende erfdienstbaarheid (hierna: de erfdienstbaarheid) gevestigd:

“De erfdienstbaarheid van weg, uit te oefenen over een strook, zoals op voormelde situatietekening met kruisarcering aangegeven, om te komen van en te gaan naar de openbare weg, te voet, per rijwiel, per auto of met welk ander voertuig ook. De erfdienstbaarheid staat het overig gebruik door de eigenaar van het dienend erf niet in de weg. Het onderhoud van de weg is voor rekening van de eigenaar van het heersend erf en het dienend erf ieder voor de helft. De eigenaar van het heersend erf (dan wel degenen die met diens toestemming het heersend erf mogen betreden) zal zich ten allen tijde de toegang tot het dienend erf kunnen verschaffen.”

(v) Tussen de percelen [001] en [003] stond voorheen een schutting. [verweerster 1] heeft die schutting verwijderd om perceel [001] bij perceel [003] te trekken. Daardoor is perceel [003] vanaf de openbare weg ook bereikbaar geworden via de percelen [002] en [001] en kan, omgekeerd, perceel [001] ook via perceel [003] bereikt worden.

(vi) Rabobank is hypotheekhouder van de percelen [001] en [003] .

2.3

[eisers] vorderen, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, dat de erfdienstbaarheid wordt opgeheven althans gewijzigd. Meer subsidiair vorderen zij verklaringen voor recht en veroordelingen die ertoe strekken dat de erfdienstbaarheid uitsluitend mag worden gebruikt door verkeer en personen met eindbestemming perceel [001] .

2.4

De rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] afgewezen.

2.5

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.1 Het heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

De rechter kan ingevolge art. 5:79 BW een erfdienstbaarheid opheffen als de eigenaar van het heersend erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening ervan en niet aannemelijk is dat het redelijk belang bij de uitoefening zal terugkeren. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad gaat het daarbij alleen om het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, en spelen de belangen van de eigenaar van het dienend erf geen rol. Art. 5:79 BW vindt alleen toepassing in gevallen waarin voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigde niet van betekenis moet worden geacht. (rov. 3.9)

De inhoud van de erfdienstbaarheid dient te worden bepaald op basis van de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zo uitgelegd, biedt de onderhavige erfdienstbaarheid de eigenaar van perceel [001] een recht van weg, waarvan gebruik mag worden gemaakt om vanaf dat perceel naar de openbare weg te gaan (en omgekeerd). De gebezigde bewoordingen bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de betrokken partijen in 2005 de erfdienstbaarheid hebben willen vestigen om daarmee een meer specifiek doel te bereiken dan wel aan het gebruik ervan bepaalde beperkingen hebben willen verbinden. (rov. 3.10)

Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid de eigenaar van perceel [001] steeds de mogelijkheid heeft geboden vanaf dat perceel de openbare weg te bereiken (en omgekeerd). Die situatie is door de verkoop van het perceel niet gewijzigd. Met de verwijdering van de schutting tussen de percelen [001] en [003] is voor de eigenaar van perceel [001] het redelijk belang bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet komen te vervallen. De erfdienstbaarheid zoals deze uit de vestigingsakte blijkt, is niet beperkt tot de situatie dat perceel [001] uitsluitend via perceel [002] bereikt kon worden en niet via een ander perceel. De omstandigheid dat de percelen [001] en [003] nu dezelfde eigenaar hebben, brengt niet mee dat de percelen niet langer als afzonderlijke percelen beschouwd kunnen worden. De erfdienstbaarheid betreft de percelen, en niet de wijze waarop de bedrijven op die percelen vorm krijgen. Door ook na verwijdering van de schutting het gebruik van de erfdienstbaarheid voort te zetten, maakt [verweerster 1] geen misbruik van haar bevoegdheid. Haar redelijk belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid is ook nu nog aanwezig. (rov. 3.11)

Het betoog van [eisers] kan niet leiden tot de conclusie dat voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de eigenaar van perceel [001] niet van betekenis moet worden geacht. Er bestaat daarom geen grond om de erfdienstbaarheid op te heffen op de voet van art. 5:79 BW. (rov. 3.12)

De erfdienstbaarheid houdt geen beperking in ten aanzien van de omvang van het verkeer via de erfdienstbaarheid, zodat een eventuele toename van dat verkeer op zich geen reden is voor wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid. De (niet onaannemelijke) wijzigingen in de verkeersstromen ter plaatse zijn geen onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in art. 5:78, aanhef en onder a, BW. (rov. 3.13)

Aan de vorderingen tot verklaringen voor recht en veroordelingen die ertoe strekken dat de erfdienstbaarheid uitsluitend mag worden gebruikt voor verkeer en personen met eindbestemming perceel [001] , ligt steeds ten grondslag dat volgens [eisers] de erfdienstbaarheid uitsluitend gebruikt mag worden voor verkeer van de openbare weg naar perceel [001] en omgekeerd, en niet voor verkeer naar en vanaf perceel [003] . Het bereiken van een ander perceel dan perceel [001] is weliswaar in de tekst van de erfdienstbaarheid in de notariële akte niet als bestemming opgenomen, maar het kunnen bereiken van een ander perceel via perceel [001] is er niet door uitgesloten. Dat perceel [003] voorheen niet vanaf perceel [001] bereikbaar was en nu wel, is een omstandigheid die weliswaar tot enige verandering in de verkeersstroom over de erfdienstbaarheid aanleiding kan geven, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van niet toegestaan gebruik. Dat zou anders zijn indien de erfdienstbaarheid door [verweerster 1] zou worden gebruikt als ware ook perceel [003] heersend erf geworden, maar dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. (rov. 3.15)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 2.1 van het middel klaagt dat het hof bij de uitleg van de erfdienstbaarheid de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.2.1

In het oordeel van het hof (in rov. 3.10-3.13 en in rov. 3.15) ligt besloten dat de erfdienstbaarheid mede het recht omvat om de weg over perceel [002] te gebruiken als verbinding, via perceel [001] , met perceel [003] . Onderdeel 2.2 en het daarop voortbouwende onderdeel 2.5.1 klagen onder meer dat het hof daarmee heeft miskend dat ( [eisers] hebben aangevoerd dat) uit de notariële akte volgt dat de erfdienstbaarheid uitsluitend ziet op perceel [001] en niet ook op perceel [003] .

3.2.2

Een erfdienstbaarheid van weg omvat in beginsel voor de eigenaar van het heersende erf niet het recht om de weg over het dienende erf te (doen) gebruiken als verbinding, via het heersende erf, met een aan laatstgenoemd erf grenzend terrein dat de eigenaar van het heersende erf mede in eigendom of gebruik heeft, voor zover uit de akte van vestiging of uit de kennelijke functie van het heersende erf niet het tegendeel voortvloeit.2

3.2.3

Dit betekent voor dit geval dat de erfdienstbaarheid in beginsel niet het recht omvat om de weg over perceel [002] te (doen) gebruiken als verbinding, via perceel [001] , met perceel [003] . Het hof heeft niet vastgesteld dat uit de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid of uit de kennelijke functie van perceel [001] het tegendeel voortvloeit. Het hof heeft daarentegen geoordeeld (in rov. 3.10) dat de in de akte van vestiging gebezigde bewoordingen geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat partijen aan de erfdienstbaarheid bepaalde beperkingen hebben willen verbinden en (in rov. 3.15) dat het via perceel [002] kunnen bereiken van een ander perceel dan perceel [001] door de erfdienstbaarheid niet is uitgesloten. Dat is evenwel niet voldoende om een uitzondering op de hiervoor genoemde regel aan te nemen. Het hof heeft ook geen andere grond aanwezig geoordeeld waaruit volgt dat de erfdienstbaarheid toch het recht omvat om de weg over perceel [002] te gebruiken als verbinding, via perceel [001] , met perceel [003] . De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht van de onderdelen 2.2 en 2.5.1 slaagt dan ook.

3.3

De overige klachten behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerster 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 522,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 12 juni 2020.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4493.

2 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4160 en HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2270, rov. 3.3.2.