Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1035

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
19/01495
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:396
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Smaadschrift door deel van politieverklaring van aangeefster over betrokkenheid van verdachte bij brandstichting op Snapchat te plaatsen met daarbij tekst “snitch van Parkwijk” (art. 261.2 Sr) en medeplegen brandstichting boot (art. 157.1 Sr). 1. Smaadschrift. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte door tll. van bepaald feit eer en/of goede naam van aangeefster heeft aangerand? 2. Vordering b.p. Immateriële schade door brandstichting boot. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2291 m.b.t. gevallen waarin sprake is van tll. van ‘bepaald feit’ a.b.i. art. 261 Sr. Daarnaast dient tlgd. ‘feit’ eer of goede naam van betrokkene aan te randen doordat tenlasteleggen van concrete gedraging ertoe strekt betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij publiek in ongunstig daglicht te stellen. Hof heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift en daartoe overwogen dat woord ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en zeker onder jongeren algemeen bekend is. Blijkens bewijsvoering heeft hof geoordeeld dat verdachte door desbetreffende foto op Snapchat te plaatsen met tekst “snitch van Parkwijk” met kennelijk doel daaraan ruchtbaarheid te geven aangeefster als concrete gedraging heeft tenlastegelegd dat zij hem heeft verklikt door politie informatie te verschaffen over betrokkenheid van verdachte bij brandstichting in een boot. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte aangeefster in haar eer of goede naam heeft aangerand door naar buiten te brengen dat zij die informatie aan politie heeft verschaft, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Hof heeft geen inzicht erin gegeven welke andere omstandigheden het bij zijn oordeel heeft betrokken dan dat ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en “zeker onder jongeren” algemeen bekend is en i.h.b. niet onderzocht of aangeefster door deze gedraging bij publiek in ongunstig daglicht wordt gesteld.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. Oordeel dat sprake is van zo’n aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu hof niets heeft vastgesteld over aard en ernst van normschending en van gevolgen daarvan voor benadeelde. Opmerking verdient dat enkele omstandigheid dat (hoogte van) schadevergoeding in h.b. niet is weersproken, niet volstaat ter motivering van oordeel dat zich een van hiervoor bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1465).

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0211
NJB 2020/1655
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01495 J

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 maart 2019, nummer 21/005778-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 5 tenlastegelegde feit, de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 6] en [betrokkene 8] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte door telastlegging van een bepaald feit de eer en/of de goede naam van [betrokkene 6] heeft aangerand.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 20 april 2018 te [plaats] opzettelijk de eer en/of de goede naam van [betrokkene 6] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen openlijk tentoongesteld, door een afbeelding met daarbij de tekst: “snitch van [wijk] ” op snapchat te plaatsen, terwijl dit toegankelijk was voor anderen.”

3.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 april 2018, opgenomen op pagina 7004 e.v. van het onder feit 2 onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Als verklaring van aangeefster [betrokkene 6] :

Op 20 april 2018 was ik in mijn woning, gelegen aan de [e-straat 1] te [plaats] . (...) Ik pakte mijn telefoon en zag dat ik een snapchat bericht had. Ik had een berichtje van [betrokkene 7] . (...) Toen ik het bericht opende zag ik een foto.

De foto die ik had gekregen was gemaakt van een A4 waar een stuk tekst op stond. Ik zag dat mijn naam erin voorkwam. Ik las het stukje tekst door en zag dat dit informatie betrof die ik had doorgegeven aan de politie. Ik werd op 10 april 2018 ondervraagd door de politie over een brandstichting die was gepleegd. (...)

Ik zag ook dat er op de bovenkant van de foto stond: “Snitch van [wijk] ”. Met het woord snitch wordt bedoeld ‘verrader’.

Ik vroeg aan [betrokkene 7] van wie de foto was. Ik hoorde dat [betrokkene 7] zei dat zij een snapchat had gekregen van een vriendin van haar. Die vriendin van [betrokkene 7] had aan [betrokkene 7] verteld dat dit een snapchat was die afkomstig was van het snapchat account van [verdachte] .

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een fotobijlage (bijlage I) gevoegd bij het onder 1 genoemde proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 7006 van het onder feit 2 onder 1 genoemde dossier, betreffende (zo begrijpt het hof) een schermafbeelding van de foto waarover aangeefster [betrokkene 6] heeft verklaard, met als bijschrift ‘Snitch van [wijk] ”.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2018, opgenomen op pagina 7010 e.v. van het onder feit 2 onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Als relaas van de verbalisant:

Op 23 april 2018 sprak ik, verbalisant, “ [betrokkene 7] ” op het politiebureau […] . Ik hoorde haar zeggen dat zij een foto op Snapchat voorbij zag komen waarvan zij op 20 april 2018 om 22.50 uur een screenshot had gemaakt. Op deze foto was een tekst te zien waarin de naam van [betrokkene 6] werd genoemd. Boven de afbeelding stond “De snitch van [wijk] ”. (...) Ik hoorde “ [betrokkene 7] ” verklaren dat de foto zichtbaar was op de tijdlijn van [verdachte] . Een foto is 24 uur zichtbaar op een tijdlijn voor iedereen die [verdachte] als vriend op Snapchat heeft. Ik hoorde haar zeggen dat zij niet exact wist hoeveel vrienden [verdachte] op Snapchat had, maar dat dit er erg veel waren.

Ik vroeg “ [betrokkene 7] ” hoe zij wist dat dit snapchat bericht op de tijdlijn van [verdachte] stond. Ik hoorde haar zeggen dat de accountnaam van Snapchat van [verdachte] was: “ [verdachte] ” en dat zij [verdachte] kent van haar school. (...) “ [betrokkene 7] ” heeft vaker berichten van [verdachte] op zijn Snapchat gezien en weet hierdoor dat het daadwerkelijk het account van [verdachte] is.

De tekst die via Snapchat verstuurd werd, bleek de tekst te zijn van een proces-verbaal welke afkomstig bleek uit het dossier van de brandstichting waarin [verdachte] als verdachte werd aangemerkt (het hof begrijpt: het onder 3 ten laste gelegde feit). Een kopie van deze stukken zijn door zijn advocaat opgevraagd waardoor de stukken voor hem inzichtelijk zijn geweest.

Tijdens het onderzoek naar de brandstichting is de mobiele telefoon van [verdachte] bekeken en bij de afbeeldingen zijn meerdere foto’s gevonden van stukken tekst uit processen‑verbaal van zaken waarin hij als verdachte werd aangemerkt. Ook zie ik aan deze afbeeldingen dat deze via Snapchat waren gemaakt dan wel verstuurd.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 7015 e.v. van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Als vraag van verbalisant (V) en verklaring van verdachte [verdachte] (A):

V: Er is een snapchat bericht verschenen, waarin een tekst uit jouw dossier stond. Wat kan jij hierover vertellen?

A: Ik heb een foto gemaakt van de stukken en deze heb ik opgeslagen in mijn Snapchat herinneringen.”

3.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Aangeefster [betrokkene 6] heeft verklaard dat zij op 20 april 2018 een Snapchat-bericht ontving van [betrokkene 7] inhoudende een foto van een stuk tekst waarin haar (aangeefsters) naam voorkwam. Het betrof informatie die [betrokkene 6] aan de politie had doorgegeven over een brandstichting op 10 april 2018. [betrokkene 6] zag aan de bovenkant van de foto stond: “Snitch van [wijk] ”. Desgevraagd hoorde aangeefster van [betrokkene 7] dat een vriendin aan [betrokkene 7] had verteld dat deze snapchat afkomstig was van het snapchat-account van [verdachte] .

Het dossier bevat een schermafbeelding van de foto waarover aangeefster heeft verklaard.

De verklaring van aangeefster wordt - naast voornoemde schermafbeelding - ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen inhoudende een verklaring van voornoemde [betrokkene 7] , die heeft verklaard dat het snapchat-bericht met de bewuste foto met de tekst “Snitch van [wijk] ” op de tijdlijn van [verdachte] stond.

Bovendien heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij een foto heeft gemaakt van tekst uit zijn dossier en die foto heeft opgeslagen in zijn Snapchat-herinneringen.

Voorts overweegt het hof dat de aard en de inhoud van de ten laste gelegde afbeelding met bijschrift het bovendien aannemelijk maakt dat verdachte het bericht heeft geplaatst, gezien de verdenking tegen verdachte van de onder 3 ten laste gelegde brandstichting en de rol die aangeefster [betrokkene 6] daarin als getuige heeft gespeeld.

(...)

Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde foto met bijbehorende tekst “Snitch van [wijk] ” op 20 april 2018 op Snapchat heeft geplaatst.

Het hof overweegt dat in de tenlastelegging weliswaar niet is opgenomen dat de bewuste afbeelding de naam van aangeefster [betrokkene 6] bevat, maar dat in samenhang bezien met het dossier volstrekt duidelijk is om welke afbeelding het gaat en dat op deze afbeelding de naam van aangeefster is weergegeven.

Het hof acht het woord ‘snitch’ - dat ‘verklikker’ betekent - algemeen bekend, zeker onder jeugdigen.

Het hof is daarmee van oordeel dat de bewezenverklaring in samenhang bezien met het dossier kan worden gekwalificeerd als smaadschrift gericht tegen aangeefster [betrokkene 6] .”

3.3

Artikel 261 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

3.4

Vooropgesteld moet worden dat sprake is van telastlegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging van een bepaalde persoon. Opmerking verdient nog dat dit vereiste niet geldt bij de - van een lichter strafmaximum voorziene - strafbaarstelling van belediging in artikel 266 lid 1 Sr. (Vgl. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2291.)
Daarnaast dient het tenlastegelegde ‘feit’ de eer of goede naam van de betrokkene aan te randen doordat het tenlasteleggen van de concrete gedraging ertoe strekt de betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen.

3.5

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een foto van tekst uit zijn (straf)dossier, inhoudend de naam van de aangeefster en informatie die zij aan de politie had doorgegeven over een brandstichting, op Snapchat heeft geplaatst met daarbij de tekst “snitch van [wijk] ”. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich aldus heeft schuldig gemaakt aan smaadschrift en daartoe overwogen dat het woord ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en zeker onder jongeren algemeen bekend is.

3.6

Blijkens de bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat de verdachte door de desbetreffende foto op Snapchat te plaatsen met de tekst “snitch van [wijk] ” met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven de aangeefster als concrete gedraging heeft tenlastegelegd dat zij hem heeft verklikt door de politie informatie te verschaffen over de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting in een boot.
Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte de aangeefster in haar eer of goede naam heeft aangerand door naar buiten te brengen dat zij die informatie aan de politie heeft verschaft, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het hof heeft geen inzicht erin gegeven welke andere omstandigheden het bij zijn oordeel heeft betrokken dan dat ‘snitch’ ‘verklikker’ betekent en “zeker onder jongeren” algemeen bekend is, en in het bijzonder niet onderzocht of de aangeefster door deze gedraging bij het publiek in een ongunstig daglicht wordt gesteld.

3.7

Het cassatiemiddel slaagt.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 8] , in het bijzonder wat betreft het oordeel van het hof dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

4.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 3 primair bewezenverklaard dat:

“hij op 10 april 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een boot, immers heeft verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan voornoemde boot is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde boot en zich in voornoemde boot bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.”

4.2.2

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij [betrokkene 8] met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:

“4B Immateriële schade (smartengeld)

Zie bijlagen 1 + 12

Totaal immateriële schade € 230,00”

4.2.3

De bij het schadeformulier gevoegde bijlage 1 houdt onder meer het volgende in:

“Immateriële schade

(...)

Psychische gevolgen

Benadeelde wordt bijna elke dag geconfronteerd met de verdachte(n). Een van de verdachten gaat elke dag langs het huis van de benadeelde. Ten tijde van de brand was het jongste kind van benadeelde thuis. De kinderen van benadeelde zijn erg geschrokken van de brand. Benadeelde en haar gezin voelen zich niet veilig in hun eigen huis. Benadeelde kan haar kinderen niet gerust alleen in huis laten.

Zij vraagt zich af wat de volgende stap / stappen van verdachte(n) zal/zullen zijn. Benadeelde heeft uit veiligheidsoverwegingen en uit gevoelens van angst camera’s laten plaatsen rondom haar woning.

Toen de boot van benadeelde werd weggesleept, stond een van de verdachten lachend te kijken. Hij probeert benadeelde vaak uit te dagen en gaat vaak langs haar huis. Als hij langzaam langs haar huis loopt, kijkt hij ook in de woning van benadeelde.

Benadeelde vraagt zich af wat de volgende stap van deze verdachte zal zijn.

Zij vindt het jammer dat de hele buurt last heeft van deze nog minderjarige verdachte. Hij zorgt ervoor dat de buurt niet veilig is. Benadeelde vindt dat deze verdachte hulp nodig heeft.

Als deze verdachte niet wordt aangepakt, zal hij nooit leren en een grote crimineel worden als hij ouder is. Benadeelde en haar gezin kunnen deze zomer niet meer genieten van een bootritje. De kinderen zijn hierdoor erg verdrietig. Benadeelde was trots op haar boot. Zij had veel tijd en geld besteed om deze boot op te knappen naar wens. Het deed de familie pijn toen de boot in brand stond. Toen deze boot werd weggesleept waren ze erg emotioneel.”

4.2.4

Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van € 230 ter zake van immateriële schade aan [betrokkene 8] als benadeelde partij. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“Vordering [betrokkene 8]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 4.529,82, bestaande uit materiële schade (€ 4.299,82) en immateriële schade (€ 230,00). Voorts is de wettelijke rente gevorderd door de benadeelde partij en verzocht om de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

De hoogte van de gevorderde schade is in hoger beroep niet betwist, zodat de vordering als onweersproken geheel zal worden toegewezen.”

4.3.1

Het hof heeft, gelet op de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 8] sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd brandstichting aan de boot van [betrokkene 8] .

4.3.2

Artikel 6:106 BW luidt, voor zover hier van belang:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

(...)”

4.3.3

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:

“Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

4.3.4

Het oordeel dat sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu het hof niets heeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde. In dat verband verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 4.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).

4.3.5

Het cassatiemiddel slaagt.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 6] en [betrokkene 8] ;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.