Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1033

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
18/05517
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:460
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering bij huurkoop, art. 321 Sr. Verdachte (huurverkoper) heeft met aangeefster een huurovereenkomst gesloten m.b.t. tot een paard. Middel klaagt over oordeel hof dat het paard niet langer aan verdachte ‘toebehoorde’ a.b.i. art. 321 Sr. HR: hof heeft vastgesteld dat de civiele kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden bij onherroepelijk arrest voor recht heeft verklaard dat de rechtsverhouding tussen verdachte en aangeefster m.b.t. het paard huurkoop is en dat aangeefster na betaling van 48 maandelijkse termijnen eigenaresse zou zijn van het paard. Hof heeft voorts vastgesteld dat voornoemd hof verdachte heeft veroordeeld het paard aan aangeefster terug te geven, maar dat verdachte het paard niet heeft teruggegeven en het bij zich heeft gehouden. Hof heeft daarom geoordeeld dat verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het paard heeft beschikt en het zich aldus wederrechtelijk heeft toegeëigend. In die beslissing ligt het oordeel van het hof besloten dat verdachte - zoals zij ttz. in h.b. ook had gesteld - in de bewezenverklaarde periode nog wel de eigenaresse was van het paard, maar dat het paard haar desondanks niet langer ‘toebehoorde’ a.b.i. art 321 Sr. Dat oordeel is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de enkele omstandigheid dat verdachte o.g.v. de veroordeling tot nakoming van de huurkoopovereenkomst gehouden was het paard aan de huurkoper af te geven, niet meebrengt dat het paard in deze zin aan de huurkoper ‘toebehoorde’. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05517

Datum 23 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 december 2018, nummer 22/002671-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het paard [naam] niet langer aan de verdachte ‘toebehoorde’ in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

2.2.1

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 27 mei 2014 tot en met 6 januari 2017 te [plaats 1] , gemeente Korendijk en [plaats 2] , gemeente Renkum, opzettelijk een paard, genaamd [naam] en bijbehorend paardenpaspoort, toebehorende aan [aangeefster] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als degene aan wie het paard [naam] en paardenpaspoort - als eiseres in conventie, inhoudende de vordering tot afgifte van het paard en paardenpaspoort, door de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis d.d. 15 augustus 2012, is toegewezen en vervolgens - op 26 augustus 2012 door die [aangeefster] is afgegeven, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:

U houdt mij op grond van de zich in het dossier bevindende stukken het volgende voor: Op 19 september 2010 heb ik een overeenkomst gesloten met aangeefster [aangeefster] met betrekking tot het paard [naam] en dat het paard die dag ook bij aangeefster is gestald. De rechtbank Leeuwarden heeft op 15 augustus 2012 bepaald dat aangeefster het paard aan mij moest teruggeven en dat zij dit op 26 augustus 2012 ook heeft gedaan. Vervolgens heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op 27 mei 2014 het vonnis van de rechtbank vernietigd en bepaald dat het paard en het paardenpaspoort terug moest naar aangeefster [aangeefster] .

Ik heb het paard toen, in plaats van het terug te geven, vanaf 27 mei 2014 tot begin 2016 bij mij in de wei in [plaats 1] , gemeente Korendijk, laten staan en heb het daarna in [plaats 2] , gemeente Renkum, ondergebracht, waar het paard op 6 januari 2017 in een weiland is aangetroffen.

Ik zeg u dat alles wat u mij uit het procesdossier voorgehouden hebt, klopt. Ik had het paard eerst vlak bij mijn huis gestald en later bij een vriendin in [plaats 2] .

U vraagt mij of ik wist dat het hof Arnhem-Leeuwarden op 27 mei 2014 heeft bepaald dat het paard met paardenpaspoort terug moest naar de familie [aangeefster] . Natuurlijk wist ik dat, maar ik had al besloten dat ik het paard niet zou teruggeven aan aangeefster [aangeefster] .

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 21 maart 2016 van de politie Eenheid Noord-Nederland met nr. PL0100-2016079707-2.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10 e.v.):

als de op 21 maart 2016 afgelegde verklaring van [aangeefster] :

Ik doe hierbij aangifte van verduistering van mijn paard. Naar aanleiding van een civiele procedure is er uitspraak gedaan in deze zaak op 27 mei 2014, en is het betrokken paard, [naam] , aan mij toegewezen. Het paspoort heeft [verdachte] nog.

In 2012 is er een uitspraak geweest in deze zaak dat het paard weer terug moest naar de “oude eigenaar” (het hof begrijpt: [verdachte] ). Dit hebben wij gedaan. Wij zijn echter in hoger beroep gegaan en in 2014 is het paard weer aan ons toegewezen. Op 27 mei 2014 was de uitspraak.

Tijdens een andere zaak tegen [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) kregen wij te horen dat het paard was overleden op 23 mei 2014. Het paard zou op 24 mei 2014 zijn gecremeerd.

Rond 16 maart 2016 kreeg ik een telefoontje en werd mij verteld dat het paard nog in leven was. Ik denk dat het paard bij [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) dan wel bij bekenden van haar is ondergebracht.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een geschrift, zijnde een vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, d.d. 15 augustus 2012, zaaknummer/rolnummer 117274/HA ZA 12-7. Het houdt onder meer in zakelijk weergegeven -:

VONNIS

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 117274/HA ZA 12-7

Vonnis van 15 augustus 2012

In de zaak van

[verdachte]

eiseres in conventie

Tegen

[aangeefster]

Partijen zullen hierna [verdachte] en [aangeefster] genoemd worden.

3. Het geschil

in conventie

3.1

[verdachte] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [aangeefster] te gebieden het paard [naam] binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis af te geven aan [verdachte] ...;

- veroordeling van [aangeefster] tot afgifte van het paspoort van het hierboven genoemde paard;

(...)

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.2

gebiedt [aangeefster] het paard [naam] binnen 24 uur na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis af te geven aan [verdachte] ;

5.4

veroordeelt [aangeefster] tot afgifte van het paspoort van het hiervoor genoemde paard;

5.7

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. Een geschrift, zijnde een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht, tweede kamer, d.d. 27 mei 2014, zaaknummer 200.118.331/01. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13 e.v.):

Arrest van de tweede kamer van 27 mei 2014

in de zaak van

[aangeefster] ,

tegen

[verdachte] .

Slotsom

6.27

Het vonnis waarvan beroep (hof: het tussen [verdachte] en [aangeefster] door de rechtbank Leeuwarden op 15 augustus 2012 onder zaaknummer 117274/HA ZA12-7 gewezen vonnis) zal worden vernietigd. De vorderingen van [verdachte] zullen worden afgewezen en [verdachte] zal worden veroordeeld om al hetgeen [aangeefster] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [verdachte] heeft voldaan en afgegeven (waaronder het paard [naam] en zijn paspoort) aan [aangeefster] terug te betalen en te geven op de wijze als hierna in het dictum wordt bepaald.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 15 augustus 2012 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt [verdachte] om al hetgeen [aangeefster] ter uitvoering van genoemd vonnis aan [verdachte] heeft voldaan en heeft afgegeven - waaronder het paard [naam] en zijn paspoort - aan [aangeefster] terug te betalen en te geven binnen één week na betekening van het in deze te wijzen arrest,

Verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2017 van de politie Eenheid Oost‑Nederland met nr. PL0600-2017008926-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 140 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 6 januari 2016 (het hof leest: 2017) kreeg ik het verzoek te gaan naar [plaats 2] . Aldaar zou een paard staan dat volgens aangeefster [aangeefster] na uitspraak in hoger beroep, in 2014, aan haar zou zijn toegekend. Het paard zou een chip met chipnummer [0001] dragen. Ik, verbalisant kwam ter plaatse. Het paard in de wei kwam overeen met de foto’s die aangeefster had verstrekt. Ik, verbalisant, had een chipreader bij mij en las aan de hals van het paard de chip uit. Het chipnummer betrof: [0001] . Dit chipnummer zou behoren bij het paard [naam] . [betrokkene 1] kwam ter plaatse. Zij gaf aan dat zij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) had gebeld dat het paard werd opgehaald, dat [verdachte] had gevloekt en dat zij zei dat zij verraden waren. [betrokkene 1] gaf aan dat zij het paard ruim een jaar in haar weiland had.

Het paard werd voorts door [aangeefster] meegenomen.

6. Het is een feit van algemene bekendheid dat [plaats 2] deel uitmaakt van de gemeente Renkum en dat [plaats 1] deel uitmaakt van de gemeente Korendijk.”

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De verdachte en aangeefster hebben op 19 september 2010 een overeenkomst gesloten met betrekking tot het paard [naam] . Uit deze overeenkomst blijkt onder meer dat het paard door aangeefster zal worden gehuisvest. Het paard is op 19 september 2010 ook bij aangeefster gestald.

Bij vonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden onder meer voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen de verdachte en aangeefster was ontbonden en aangeefster geboden het paard en het paspoort aan de verdachte af te geven. Aangeefster heeft het paard op 26 augustus 2012 bij de verdachte teruggebracht.

Bij onherroepelijk arrest van 27 mei 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 15 augustus 2012 vernietigd en voor recht verklaard dat de rechtsverhouding tussen de verdachte en aangeefster met betrekking tot het paard [naam] huurkoop is, waarbij aangeefster het paard van de verdachte heeft gekocht voor de koopsom van € 7.200,- te betalen in 48 maandelijkse termijnen van € 150,-, na voldoening waarvan aangeefster eigenaresse zal zijn van het paard. Het hof heeft onder meer de verdachte veroordeeld om het paard [naam] en het paardenpaspoort aan aangeefster terug te geven.

De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat zij direct na de uitspraak van het gerechtshof van 27 mei 2014 al had besloten het paard niet terug te geven aan aangeefster. Van 2014 tot begin 2016 heeft het paard bij haar in een wei in [plaats 1] gestaan en daarna heeft de verdachte het paard ondergebracht in [plaats 2] , alwaar het paard op 6 januari 2017 in een weiland is aangetroffen.

Op 8 september 2015 heeft de verdachte bij een comparitie van partijen tussen de verdachte en aangeefster bij het gerechtshof in Den Haag onder overlegging van valse documenten voorgewend dat het paard op 23 mei 2014 was overleden en vervolgens was gecremeerd.

De vraag die dient te worden beantwoord is of, zoals ten laste is gelegd, het paard in de tenlastegelegde periode van 27 mei 2014 tot en met 6 januari 2017 ‘toebehoorde’ aan aangeefster en de verdachte zich het paard ‘wederrechtelijk heeft toegeëigend’, een en ander als bedoeld in art. 321 van het Wetboek van Strafrecht. Een zaak kan immers alleen worden verduisterd indien deze aan een ander toebehoort. Dit ‘toebehoren’ kan hetzelfde zijn als het civielrechtelijke eigendom, maar kan zich daarvan ook onderscheiden. De betekenis van het civielrechtelijke eigendomsbegrip is voor de uitleg van het strafrechtelijk begrip ‘toebehoren’ dus niet doorslaggevend.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich het paard [naam] , wederrechtelijk toegeëigend, in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op de hoogte te zijn geweest van het arrest van het hof Arnhem‑Leeuwarden van 27 mei 2014 en de daarin vervatte beslissing dat zij dit paard met paardenpaspoort diende af te geven aan aangeefster. Zij heeft direct na de uitspraak van het hof besloten het paard (en het paspoort) niet af te geven aan aangeefster. Wetend dat zij niet gerechtigd was het paard [naam] bij zich te houden heeft verdachte dit paard opzettelijk van 2014 tot 2016 in een wei in [plaats 1] laten staan en vervolgens ondergebracht in [plaats 2] . Op 8 september 2015 heeft de verdachte in het kader van een procedure tussen aangeefster en de verdachte bij een comparitie van partijen van het hof Den Haag onder overlegging van valse documenten voorgewend dat het paard op 23 mei 2014 was overleden en vervolgens gecremeerd.

Aldus heeft de verdachte zich het paard, wederrechtelijk toegeëigend in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht doordat zij zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester heeft beschikt over een paard dat ingevolge het door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen arrest diende te worden afgegeven aan aangeefster (HR 9.9.2014, ECLI:NL:HR:2014:2467) .

Conclusie

Door te besluiten het paard niet aan de aangeefster terug te geven, het paard op door haar gewenste plaatsen te stallen en - in strijd met de waarheid - voor te wenden dat het paard was overleden, is de verdachte als heer en meester over het paard gaan beschikken.

De verdachte heeft dit gedaan in de ten laste gelegde periode (27 mei 2014 tot en met 6 januari 2017) waarin zij daartoe niet gerechtigd was nu zij gehouden was ingevolge een rechterlijk bevel het paard aan de aangeefster af te geven. De verdachte heeft zich het paard dan ook wederrechtelijk toegeëigend.

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verduistering van het paard.”

2.2.4

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

“Ik ben het niet eens met het vonnis waarvan beroep voor zover het ziet op het onder 1 ten laste gelegde. Het gaat om huurkoop en dat betekent dat het paard [naam] nog altijd van mij is. Het is huur ‘komma’ koop. De familie [van aangeefster] moest per maand aan mij betalen. Het paard zou pas hun eigendom worden als het volledige bedrag was betaald en daar schortte het aan. Dat is niet gebeurd, dat staat ook in het vonnis. Ik blijf dus de eigenaar bij huurkoop.”

2.3.1

Artikel 321 Sr luidt:

“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

2.3.2

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 321 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘toebehorende aan’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de term ‘toebehoort’ in dat artikel.

2.4.1

Het hof heeft vastgesteld dat de civiele kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij onherroepelijk arrest van 27 mei 2014 voor recht heeft verklaard dat de rechtsverhouding tussen de verdachte en aangeefster met betrekking tot het paard [naam] huurkoop is en dat de aangeefster na betaling van 48 maandelijkse termijnen eigenaresse zou zijn van het paard. Het heeft voorts vastgesteld dat voornoemd gerechtshof de verdachte heeft veroordeeld het paard aan de aangeefster terug te geven, maar dat de verdachte het paard niet heeft teruggegeven en het bij zich heeft gehouden. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het paard heeft beschikt en het zich aldus wederrechtelijk heeft toegeëigend.

2.4.2

In deze beslissing ligt het oordeel van het hof besloten dat de verdachte - zoals zij ter terechtzitting in hoger beroep ook had gesteld - in de bewezenverklaarde periode nog wel de eigenaresse was van het paard, maar dat het paard haar desondanks niet langer ‘toebehoorde’ in de zin van artikel 321 Sr. Dat oordeel is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de enkele omstandigheid dat de verdachte op grond van de veroordeling tot nakoming van de huurkoopovereenkomst gehouden was het paard aan de huurkoper af te geven, niet meebrengt dat het paard in deze zin aan de huurkoper ‘toebehoorde’.

2.5

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel voor het overige geen bespreking.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2020.