Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1032

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
18/03088
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:1691
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:392
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mensenhandel t.a.v. minderjarige (art. 273f.1.5 Sr) en onttrekken van minderjarige aan gezag (art. 279.1 Sr) door 17-jarig meisje, dat in gesloten instelling voor jeugdpsychiatrie verblijft, op te halen bij die instelling, mee naar huis te nemen, bij hem te laten logeren en te helpen bij werk in prostitutie. 1. Heeft moeder van aangeefster verklaring afgelegd zonder dat zij als getuige was beëdigd? 2. Wetenschap minderjarigheid bij mensenhandel. Is minderjarigheid in art. 273f.1.5 Sr geobjectiveerd? 3. Wetenschap minderjarigheid bij onttrekken van minderjarige aan gezag. Is minderjarigheid in art. 279.1 Sr geobjectiveerd?

Ad 1. Moeder van aangeefster heeft niet ttz. als getuige verklaring afgelegd maar tevoren aan dossier toegevoegde en aan p-v ttz. gehechte slachtofferverklaring voorgelezen i.h.k.v. uitoefening van spreekrecht van aangeefster a.b.i. art. 51e Sv. Wet stelt niet eis dat dit spreekrecht slechts na beëdiging kan worden uitgeoefend. Omstandigheid dat hof, bij zijn vaststellingen omtrent toestand van aangeefster i.h.k.v. beoordeling van getuigenverzoek, ook aandacht heeft gegeven aan inhoud van deze door moeder voorgelezen verklaring, maakt dat niet anders, nu uit p-v tz. in h.b. blijkt dat hof niet meer dan zeer gering gewicht aan die verklaring heeft toegekend (vgl. ECLI:NL:HR:2014:1695).

Ad 2. Voor veroordeling t.z.v. in art. 273f.1.5 Sr omschreven misdrijf is niet vereist dat komt vast te staan dat opzet van verdachte zich mede heeft uitgestrekt tot in delictsomschrijving genoemde leeftijd van slachtoffer (vgl. m.b.t. art. 250ter.1.3 (oud) Sr, voorganger van deze bepaling, ECLI:NL:HR:2002:AD5235).

Ad 3. Minderjarigheid in art. 279.1 Sr is niet geobjectiveerd, zodat opzet t.a.v. dit bestanddeel moet worden bewezen. Uit b.m. kan echter niet z.m. worden afgeleid dat verdachte op 13-8-2015 opzettelijk minderjarige aangeefster heeft onttrokken aan wettig over haar gestelde gezag en/of aan opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over haar uitoefende, door haar op te halen en mee te nemen naar zijn huis en haar buiten invloedsfeer van haar ouders en/of zorginstelling te brengen. Bewezenverklaring is onvoldoende met redenen omkleed. Daarbij is van belang dat uit bewijsvoering wel kan blijken dat verdachte bewezenverklaard ophalen en meenemen van aangeefster een dag eerder (op 12-8-2015) heeft verricht maar niet dat verdachte (eerder dan op 13-8-2015) door mededeling van aangeefster of anderszins ervan op de hoogte kwam dat haar leeftijd niet 18 maar 17 jaren was.

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0210
NJB 2020/1656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03088

Datum 16 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2018, nummer 22/003106-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting een verklaring heeft afgelegd zonder dat zij als getuige was beëdigd.

2.2

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei en 27 juni 2018 heeft de raadsman van de verdachte daar het verzoek gedaan tot het horen van [slachtoffer] als getuige. Dit proces-verbaal houdt in dat verband onder meer in:

“De voorzitter deelt mede dat het hof geen beslissing neemt alvorens de verdachte vandaag ter zitting te hebben gehoord.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

- (...)

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2018 van de raadsheer-commissaris met als bijlage een brief van de (beleids)psychiater [betrokkene 3] van GGNet De Meent te Warnsveld d.d. 10 januari 2018;

- (...)

- een schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 27 mei 2018 van [slachtoffer] en [betrokkene 4], moeder van [slachtoffer];

(...)

De moeder van [slachtoffer] leest de aan het hof overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 27 mei 2018 ter zitting voor.

De verdachte deelt mede niet te willen reageren op de slachtofferverklaring.

(...)

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat, gelet op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2018 van de raadsheer-commissaris, de daaraan ten grondslag liggende brief d.d. 10 januari 2018 van de (beleids)psychiater [betrokkene 3] van GGNet De Meent te Warnsveld en de verklaring van de moeder van de getuige [slachtoffer] ter zitting in hoger beroep, het verzoek tot het horen van de getuige [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris dan wel ter zitting in hoger beroep wordt afgewezen. Het hof is van oordeel dat de gezondheid van de getuige door het afleggen van een verklaring bij de raadsheer‑commissaris dan wel ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht. Het voorkomen van dit gevaar weegt zwaarder dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen ondervragen.”

2.3

De klacht mist feitelijke grondslag nu zij steunt op de opvatting dat de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting als getuige een verklaring heeft afgelegd. De moeder van [slachtoffer] heeft de tevoren aan het dossier toegevoegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte slachtofferverklaring van 27 mei 2018 echter voorgelezen in het kader van de uitoefening van het in artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering bedoelde spreekrecht van [slachtoffer]. De wet stelt niet de eis dat dit spreekrecht slechts na beëdiging kan worden uitgeoefend. De klacht faalt dus. De omstandigheid dat het hof, bij zijn vaststellingen omtrent de toestand van [slachtoffer] in het kader van de beoordeling van het getuigenverzoek, ook aandacht heeft gegeven aan de inhoud van deze door de moeder voorgelezen verklaring, maakt dat niet anders, nu uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal blijkt dat het hof niet meer dan zeer gering gewicht aan die verklaring heeft toegekend (vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1695).

2.4

Voorts bevat het cassatiemiddel klachten over de bewijsvoering van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, in het bijzonder dat uit die bewijsvoering de bekendheid van de verdachte met de minderjarigheid van [slachtoffer] niet kan worden afgeleid.

2.5.1

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

“1:

hij in de periode van 1 augustus 2015 tot 13 augustus 2015 te Capelle aan den IJssel en/of [plaats],

[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997), heeft vervoerd en overgebracht en gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en

ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

immers heeft hij

- op verschillende manieren (onder meer via WhatsApp en e-mail) contact gelegd en onderhouden met die [slachtoffer], en

- die [slachtoffer] opgehaald bij [A], zorginstelling [B] en meegenomen naar zijn, verdachtes, woning, en haar aldaar gehuisvest en opgenomen, en

- die [slachtoffer] een (werk)telefoon en kleding verschaft, en

- foto’s van die [slachtoffer] gemaakt en

- aan die [slachtoffer] advies gegeven over het werken in de prostitutie en

- met die [slachtoffer] besproken tegen welke tarieven en

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] naar een afspraak zou brengen en in de buurt zou blijven

2:

hij, op 13 augustus 2015 in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (te weten het gezag dat haar ouders hadden) en/of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende (te weten instelling [A], zorginstelling [B]), immers heeft hij, verdachte toen en daar die [slachtoffer] opgehaald en meegenomen naar zijn huis en die [slachtoffer] zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van haar ouders en/of [A], zorginstelling [B] gebracht, dat de uitoefening van het gezag door die ouders en/of [A], zorginstelling [B] onmogelijk was geworden.”

2.5.2

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

1.

De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 juni 2017 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik woon aan de [a-straat 1] te [postcode] [plaats]. Op 13 augustus 2015 is [slachtoffer] door de politie uit mijn woning gehaald. Ik heb [slachtoffer] op 12 augustus 2015 opgehaald bij de slagbomen van het IJsselland ziekenhuis in Capelle aan den IJssel. Ik heb haar meegenomen naar mijn woning.

[slachtoffer] had gereageerd op mijn advertentie op de site [internetsite] waar ik woonruimte aanbood. [slachtoffer] moest mij betalen voor de woonruimte en voor benzinekosten. Het eerste contact met [slachtoffer] was twee weken voordat ik haar ophaalde. Dat ging via de e-mail en de WhatsApp berichtenservice. [slachtoffer] heeft op 13 augustus 2015 tegen mij gezegd dat zij 17 jaar oud was. Ook vertelde zij die dag dat zij bij een GGZ-instelling was weggelopen. Dit was op de dag dat de politie aan de deur kwam. De politie stapte binnen net op het moment dat [slachtoffer] en ik de woning zouden verlaten om naar een klant in Gouda te gaan. Ik zou als chauffeur optreden. [slachtoffer] zou seksuele handelingen tegen betaling verrichten. Ik heb [slachtoffer] een zilverkleurige Nokia geleend. Zij heeft tegen mij gezegd dat zij die telefoon zou gebruiken voor de sekscontacten. Ik vond dat goed. Ik heb [slachtoffer] “tips en tricks” gegeven over het werken in de prostitutie. Zij wilde weten welk geldbedrag zij zou moeten vragen voor de door haar verrichte seksuele handelingen bij klanten. Zij vroeg: ‘wat zou jij vragen?’ Ik zei dan bijvoorbeeld € 135,-. Verder heb ik haar geholpen om een tekst voor de advertentie te maken voor de sekssite op internet. Ik heb foto’s van [slachtoffer] gemaakt waarop zij in lingerie poseerde. Zij wilde die foto’s gebruiken voor haar advertentie. Zij is met klanten in contact gekomen via de advertentie op [internetsite].

2.

De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat ik contact had met [slachtoffer] via e-mailberichten en WhatsAppberichten. Ik heb haar destijds opgehaald. De [A] en het IJsselland ziekenhuis liggen tegenover elkaar. Ik heb haar buiten de slagbomen van de [A] te Capelle aan den IJssel opgehaald.

Ik was in die tijd geobsedeerd door de prostitutiewereld. Dat wereldje trok mij aan. Ik interesseerde mij enorm voor de dames in de prostitutie. Het fascineerde mij. Ik verhuurde daarom aan deze dames woonruimte.

Voorafgaand aan onze ontmoeting hadden wij gedurende veertien dagen regelmatig contact.

Ik heb haar opgepikt en meegenomen naar mijn woning in [plaats]. Wij hebben over het huren van een woonruimte bij mij gepraat. De huurprijs was onderdeel van het gesprek.

Het klopt dat ik foto’s van haar heb gemaakt. Zij heeft gereageerd op diverse oproepen van mannen. Zij kon dan foto’s meesturen.

De telefoon die [slachtoffer] gebruikte was van mij.

Het klopt dat zij een seksafspraak had met een man in Gouda. Ik zou haar daar naartoe brengen. Gouda was de eerste keer. We hebben afgesproken dat ik in de buurt zou blijven. Het klopt dat zij zou betalen voor de woonruimte en de benzinekosten.

[slachtoffer] heeft op mijn laptop een e-mailadres aangemaakt. Zij is op de normale computer verder gegaan.

Ik heb [slachtoffer] “tips en tricks” gegeven omdat zij mij om advies vroeg.

Het ophalen moest stiekem gebeuren. Zij was bang dat zij betrapt zou worden door haar ouders.

[slachtoffer] heeft mij verteld dat zij de prostitutie in wilde.

Het klopt dat er kleding in mijn huis lag. [slachtoffer] heeft kleding uit die stapel gehaald. Zij had mijn toestemming daarvoor.

U houdt mij uit mijn politieverklaring (pagina 277 van het dossier) voor dat ik heb verklaard dat ik tegen [slachtoffer] heb gezegd: “Doe het veilig, hou de tijd in de gaten.”

Dat zou kunnen.

3.

Een proces-verbaal zaaksdossier zaak Ohio d.d. 6 juli 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2015294483. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 3):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op woensdag 12 augustus 2015 werd door behandel- en expertisecentrum [A] in Capelle aan de IJssel aangifte gedaan van vermissing van een minderjarig en met een rechterlijke machtiging intern in die instantie verblijvend meisje genaamd [slachtoffer]. Uit onderzoek van de politie bleek dat haar vermoedelijke verblijfplaats zou zijn in de woning van een man genaamd [verdachte] aan de [a-straat 1] in [plaats].

4.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 november 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 1510271100.GET. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 77 e.v.):

als de op 27 oktober 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik verblijf op de [C] in Capelle aan den IJssel. Dat is een besloten jeugdpsychiatrie inrichting. Ik zit daar met een Rechterlijke Machtiging. Op 12 augustus 2015 ben ik weggelopen. Ik heb [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) leren kennen op [internetsite]. We hebben contact gehad en bij het IJsselland ziekenhuis hebben we afgesproken. Ik zette mijn fiets in zijn auto en samen reden we weg naar zijn huis in [plaats]. Via de laptop gingen wij werk zoeken voor mij in de prostitutie en dat deden we via [internetsite]. Ik heb gereageerd op advertenties die waren geplaatst door andere mensen die om seks vroegen en daarvoor zouden betalen. [verdachte] heeft vervolgens geholpen berichten te verzenden naar deze advertenties. Dat ging via de mail. [verdachte] heeft toen foto’s van me gemaakt. Ik droeg hierbij alleen een BH en een onderbroek. Deze foto’s werden gemaakt omdat de mensen die de advertenties hadden geplaatst daarom vroegen. De foto’s zijn op de computer gezet en verzonden naar de mensen die daarom vroegen. In totaal waren het zes foto’s. Ze zijn verzonden naar twee mensen. Er werd gereageerd op de foto’s en er werden afspraken gemaakt over wanneer, hoe en waar.

Dit heeft zich allemaal op 12 augustus 2015 afgespeeld. De avond daarna heb ik een afspraak gemaakt. Afgesproken was dat ik de klant zou bezoeken. [verdachte] zou mij afzetten en in de omgeving blijven ter bescherming en als ik klaar was zou [verdachte] mij weer ophalen en terug gaan naar zijn woning. Ik zou de telefoon dan één keer laten overgaan en als ik het geld had. Met de klant was afgesproken dat er gebeft zou worden en verder ook seks zou hebben.

[verdachte] en ik hadden afgesproken dat ik uit de opbrengsten van de prostitutie 300 euro per maand zou betalen voor huur en eten. Ik zou ook de benzinekosten betalen voor het rijden van en naar de klanten en één keer in de maand zou ik de boodschappen betalen. Deze afspraak was gemaakt op de eerste dag dat ik daar was.

De volgende dag zei ik tegen [verdachte] dat ik 17 jaar oud was.

Ik ben op 12 augustus 2015 weggelopen bij de instelling. Daarvoor heb ik [verdachte] ontmoet op de site [internetsite]. Ik was een advertentie van [verdachte] tegengekomen op de site waarin hij aangaf dat hij aan kamerverhuur deed.

[verdachte] was op de hoogte dat ik ongeoorloofd weg zou lopen bij de instelling. Dat heb ik hem verteld. Ik heb [verdachte] verteld dat ik bij mijn ouders zat en dat ik onder Rechterlijke Machtiging was geplaatst. Maar [verdachte] had kunnen weten dat ik in de [A] zat, want daar hadden we afgesproken.

In de e-mail vertelde ik [verdachte] dat ik wilde weglopen. Ik vroeg ook wat ik aan huur moest betalen.

Het klopt dat, toen uw collega’s mij aantroffen in de woning van [verdachte], ik op het punt stond om naar een klant te gaan in Gouda. Het adres staat in de e-mail van [e-mailadres]. Dit e‑mailadres heb ik aangemaakt bij [verdachte] thuis. [verdachte] hielp met de e-mail formuleren, maar ik typte het bericht. Er was afgesproken voor 180 of 200 euro voor een uur. Ik moest zeggen dat ik 18 jaar oud was. Dat had ik ook zo afgesproken met [verdachte].

[verdachte] heeft mij ook dameskleding gegeven.

[verdachte] heeft mij een Nokia telefoon gegeven voor het werk in de prostitutie. [verdachte] en ik hebben samen een simkaart gehaald bij de Mediamarkt in Rotterdam. [verdachte] heeft betaald voor dit kaartje.

[verdachte] wist dat ik met een Rechterlijke Machtiging was geplaatst. Ik heb [verdachte] uitgelegd wat dat inhoudt.

Ten aanzien van feit 2:

5.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 1509231400.AGV. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 66 e.v.):

als de op 23 september 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Mijn dochter [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1997, is 17 jaar oud.

Zij zit in een besloten instelling. Zij is minderjarig en heeft een Rechterlijke Machtiging. Ze is daar opgehaald door een man.

[slachtoffer] is in (de [A] in) Capelle aan den IJssel terechtgekomen. De naam van de afdeling is De [C], dit is een onderdeel van [B]. Ze zit aan de [b-straat 1] in Capelle aan den IJssel. We kregen een telefoontje van de instelling, dat [slachtoffer] niet terug was gekomen van boodschappen doen. Er werd melding gedaan bij de politie. Dit was op 12 augustus 2015. [slachtoffer] is die nacht van 12 op 13 augustus 2015 niet teruggekomen in Capelle aan den IJssel.

6.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 1508141130.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 15 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Naar aanleiding van de melding van de [A] betreffende de vermissing van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1997, heb ik, verbalisant [verbalisant 1], een nader onderzoek ingesteld naar de vermoedelijke verblijfplaats van [slachtoffer] die sinds 12 augustus 2015 omstreeks 14:00 uur vermist bleek te zijn.

Ik heb contact gezocht met de [A] en ter plaatse, op 13 augustus 2015 omstreeks 17:15 uur, gesproken met de behandelend psychiater [betrokkene 2]. [betrokkene 2] verklaarde dat [slachtoffer] met de telefoon van een medepatiënte contact had gelegd met diverse mannen en dat in deze telefoon een WhatsApp gesprek zat met een persoon genaamd “[verdachte]”. Uit de WhatsApp contactenlijst bleek dat aan het contact “[verdachte]” een 06-nummer zichtbaar was, zijnde: 06‑10359418. Uit onderzoek binnen het bedrijfsprocessensysteem BVH bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld was aan een persoon genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959, wonende op het adres [a-straat 1] te [plaats].

Op 13 augustus 2015 ging ik, verbalisant, samen met politiemedewerker [verbalisant 2] en twee geüniformeerde collega’s naar voornoemd adres. [verdachte] opende omstreeks 19:20 uur de deur en gaf toestemming, na het tonen van de machtiging, om de woning te betreden. [slachtoffer] zat in de tuin.

7.

Een geschrift, zijnde een beschikking van de rechtbank Rotterdam, team familie 2, d.d. 1 mei 2015, met betrekking tot [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], verblijvende bij [A], [B] afdeling de [C] Capelle aan den IJssel, voor zover inhoudende:

Daarom wordt op grond van de BOPZ als volgt beslist.

De beslissing:

Verleent voorlopige machtiging om [slachtoffer] voornoemd, in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven tot uiterlijk 1 november 2015.”

2.6.1

Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde wist dat [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, geldt het volgende.

2.6.2

De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(...)

5°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.”

2.6.3

Voor een veroordeling ter zake van het in artikel 273f lid 1, aanhef en onder 5°, Sr omschreven misdrijf is niet vereist dat komt vast te staan dat het opzet van de verdachte zich mede heeft uitgestrekt tot de in die delictsomschrijving genoemde leeftijd van het slachtoffer (vgl. met betrekking tot artikel 250ter lid 1, onder 3°, (oud) Sr, de voorganger van deze bepaling, HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235). Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

2.7.1

De tenlastelegging onder 2 is toegesneden op artikel 279 lid 1 Sr. Deze bepaling luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”

2.7.2

Voor zover het cassatiemiddel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde feit, slaagt het, in aanmerking genomen dat de minderjarigheid in artikel 279 lid 1 Sr niet is geobjectiveerd, zodat het opzet ten aanzien van dit bestanddeel moet worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte op 13 augustus 2015 opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over haar uitoefende, door (kort gezegd) haar op te halen en mee te nemen naar zijn huis en haar buiten de invloedsfeer van haar ouders en/of de zorginstelling te brengen. De bewezenverklaring is onvoldoende met redenen omkleed. In dat verband is nog van belang dat uit de bewijsvoering wel kan blijken dat de verdachte het bewezenverklaarde ophalen en meenemen van [slachtoffer] een dag eerder, op 12 augustus 2015, heeft verricht, maar niet dat de verdachte - eerder dan op 13 augustus 2015 - door een mededeling van [slachtoffer] of anderszins ervan op de hoogte kwam dat haar leeftijd niet achttien maar zeventien jaren was.

2.8

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020.