Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1027

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
19/04983
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:361
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op hond (Maltezer Leeuwtje) onder derde, waarna strafzaak is geseponeerd en hond in bewaring is gegeven aan dochter van klaagster. Oordeel Rb dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op hond kan worden aangemerkt begrijpelijk? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Redenering Rb dat hond al langere tijd bij bewaarster verbleef, door haar werd verzorgd en zij derhalve als rechthebbende kan worden aangemerkt, snijdt in de eerste plaats juridisch geen hout en doet ook geen recht aan door klaagster geschetst scenario dat bewaarster slechts op hond paste als zij werkte en dat zij geen recht had hond te behouden. Dat OvJ kennelijk op enig moment, nog in afwachting van beslissing in strafzaak, van oordeel was dat bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt en daarom voorlopige teruggave heeft gelast aan bewaarster, geeft bewaarster evenmin eigendomsrecht op hond. Bovendien is OvJ tijdens raadkamerbehandeling teruggekomen op eerder standpunt. Daar komt nog bij dat beslagene eveneens tijdens raadkamerbehandeling heeft verklaard dat hond aan klaagster toebehoort. Waarom Rb scenario van klaagster als onaannemelijk terzijde heeft geschoven valt in beschikking evenmin te lezen. Enkele overweging van Rb dat feit dat klaagster destijds hond heeft gekocht en kosten heeft moeten maken voor behandelingen bij dierenarts er niet aan afdoet dat bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt, is daarvoor niet toereikend. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04983 B

Datum 9 juni 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2019, nummer RK 19/1088, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft L.C.J. Sars, advocaat te Helmond, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op de inbeslaggenomen hond kan worden aangemerkt.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020.