Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1018

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
17/05554
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:569
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Medeplegen van gewoontewitwassen door grote geldbedragen verstopt in gemalen kip/kiprollade vanuit Nederland naar o.m. Aruba te transporteren. Voor zijn bijdrage ontving de verdachte een percentage van het getransporteerde geld als commissie. Middelen over o.m. 1. oordeel hof m.b.t. geloofwaardigheid verklaring verdachte en 2. het ten onrechte door het hof niet bevelen dat tijd die door veroordeelde in detentie in buitenland is doorgebracht a.g.v. uitleveringsverzoek in mindering moet worden gebracht bij tul opgelegde gevangenisstraf (art. 1:62.1 Sr Aruba). HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03677 PA, 19/01810A en 19/01811PA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05554 A

Datum 9 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, CuraƧao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 31 juli 2017, nummer H 172/2016, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan wegens de in cassatie gemaakte inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020.