Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1014

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
19/03603
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Artikel 225, lid 1, aanhef en letter a, Gemeentewet, Verordening parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Tilburg, onjuiste informatie gemeente in parkeerapp, HR 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1473
FutD 2020-1703 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 05-06-2020
NTFR 2020/1758 met annotatie van mr. P.L. Cheung
V-N 2020/27.30 met annotatie van Redactie
NLF 2020/1388 met annotatie van Olga Menger
Belastingblad 2020/303 met annotatie van J.A. MONSMA
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/03603

Datum 5 juni 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2019, nr. 18/00115, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 17/5067) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Tilburg heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door T. Barkhuysen en M.T. Spuijbroek, advocaten te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 januari 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:51).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 75,30, bestaande uit € 14,30 parkeerbelasting en € 61 kosten van naheffing, ter zake van parkeren op een parkeerplaats aan de Utrechtsestraat in Tilburg.

2.1.2

Ten tijde van het belastbare feit waren de parkeerplaatsen in de Utrechtsestraat in de Verordening parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Tilburg (hierna: de Verordening) aangewezen als parkeerplaatsen voor betaald parkeren waarbij alleen geparkeerd mag worden met een geldige parkeervergunning of met een dagticket. Een bord dat zichtbaar was bij het inrijden van de straat bevatte informatie in deze zin.

2.1.3

Belanghebbende heeft door middel van een door hem gebruikte parkeerapp € 2,20 aan parkeerbelasting voor een uur voldaan, in plaats van € 16,50 voor een dagticket.

2.1.4

De omstandigheid dat de parkeerapp van belanghebbende niet de hiervoor in 2.1.2 vermelde juiste tariefinformatie aanwees, berust in dit geval op een fout in de uitwisseling van informatie tussen de gemeente Tilburg en het bedrijf waarmee de gemeente Tilburg een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon.

2.2.1

Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.

2.2.2

Een fout in een parkeerapp, waardoor een parkeerrecht onjuist wordt geregistreerd, komt gelet op artikel 9 van de in 2.1.4 genoemde overeenkomst in beginsel voor risico van de heffingsambtenaar. Zowel bij betaling via een parkeerapp als fysiek bij de parkeerapparatuur rust op de parkeerder een feitelijke onderzoeksplicht welk parkeertarief verschuldigd is voor de door hem gekozen parkeerlocatie. Door uit te gaan van de parkeerapp en voorbij te gaan aan de informatie op de borden ter plaatse waarop is aangegeven dat alleen met een dagticket kan worden geparkeerd, is belanghebbende tekort geschoten in het nakomen van de op hem rustende onderzoeksplicht. Hij had de digitale informatie verkregen vanuit de app dienen te controleren met de feitelijke situatie. Nalaten van een controle met de feitelijke situatie komt in dit geval voor zijn risico.

2.2.3

Een parkeerder is niet verplicht gebruik te maken van een parkeerapp om parkeergeld te betalen. Hij kan ook nog steeds betalen bij de parkeerautomaat. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat hij geen nadelen mag ondervinden van gebruik van techniek door de overheid, slaagt dit betoog dan ook niet, omdat het hier een situatie betreft waarin hij er zelf voor heeft gekozen om een techniek, in dit geval de parkeerapp, te gebruiken, aldus het Hof.

2.3

De middelen betogen, samengevat weergegeven, dat het Hof de reikwijdte heeft miskend van de op belanghebbende rustende onderzoeksplicht in een geval waarin de gemeente het gebruik van de parkeerapp mogelijk maakt en een fout in de parkeerapp voor risico van de heffingsambtenaar komt. Met het eerste en het tweede middel wordt opgekomen tegen de hiervoor in 2.2.2 vermelde oordelen en met het derde middel tegen het hiervoor in 2.2.3 vermelde oordeel van het Hof.

2.4.1

Artikel 225, lid 1, aanhef en letter a, Gemeentewet houdt in, voor zover hier van belang, dat parkeerbelasting kan worden geheven op een bij de belastingverordening te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Dat en wanneer in de Utrechtsestraat in Tilburg voor het parkeren betaald diende te worden en welk tarief gold, diende voldoende duidelijk te zijn, evenals de wijze waarop kon worden betaald (vgl. HR 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126).

2.4.2

De Verordening biedt aan belanghebbende de keuze tussen betalen door middel van gebruik van een parkeerapp of een parkeerautomaat (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal, onderdelen 4.3 en 4.4). De Verordening maakt tussen die beide wijzen van betaling verder geen onderscheid. Voor elk van deze wijzen van betaling dient dan ook voldoende duidelijk te zijn welk tarief gold voor het parkeren in de Utrechtsestraat. Voor zover het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof op een andere rechtsopvatting berust, klaagt het derde middel hierover terecht.

2.4.3.

In cassatie staat vast dat belanghebbende bij het betalen door middel van de parkeerapp onjuiste gegevens omtrent de verschuldigde parkeerbelasting te zien kreeg. Daarmee staat ook vast dat de gemeente Tilburg niet heeft voldaan aan haar hiervoor in 2.4.1 omschreven informatieplicht ten aanzien van deze wijze van betaling. Aangezien de Verordening aan belanghebbende de keuze biedt tussen betaling door middel van een parkeerapp of een parkeerautomaat en tussen die wijzen van betaling geen onderscheid maakt, kan aan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat hij is afgegaan op de tariefinformatie in de parkeerapp zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen. Het andersluidende oordeel van het Hof is onjuist. Ook de eerste twee middelen slagen.

2.5

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De naheffingsaanslag zal worden vernietigd.

3 Proceskosten

Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Tilburg zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg en de naheffingsaanslag parkeerbelasting,

- draagt het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Tilburg op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128,

- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 126 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 46,

- veroordeelt het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Tilburg in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.544 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.