Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1003

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
18/02522
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:1190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-1711
Viditax (FutD), 05-06-2020
V-N Vandaag 2020/1551
V-N 2020/29.37.1
NTFR 2020/1773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/02522

Datum 5 juni 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCI√čN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 mei 2018, nrs. BK-17/00787 tot en met BK-17/00789, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/521 tot en met SGR 17/223) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken 25 september 2016 tot en met 24 december 2016, 18 september 2016 tot en met 17 december 2016 en 2 oktober 2016 tot en met 1 januari 2017.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat het middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.