Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:979

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/04990
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:661
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed (art. 8.2 WVW 1994) en besturen van motorrijtuig zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Hof heeft verdachte t.z.v. misdrijf en overtreding veroordeeld tot 1 (bijkomende) straf (geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, en 6 maanden ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk). Voldoet strafoplegging aan art. 62 Sr? Hof had voor bewezenverklaarde feiten 2 afzonderlijke straffen moeten opleggen i.p.v. 1. HR leest bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat Hof verdachte t.z.v. art. 8.2 WVW 1994 heeft veroordeeld tot geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en 6 maanden ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk, en t.z.v. art. 107.1 WVW 1994 tot geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Volgt verwerping. Vervolg op 14/04413 (niet gepubliceerd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/769
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/04990

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 september 2016, nummer 21/007261-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad verstaat dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden en voor het onder feit 2 bewezenverklaarde feit een geldboete van € 150, subsidiair drie dagen hechtenis, heeft opgelegd, dat de Hoge Raad het arrest vernietigt voor zover daarin als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 63 Sr niet is vermeld en dat de Hoge Raad dit verzuim herstelt, met verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de strafoplegging. Het voert daartoe aan dat het Hof heeft nagelaten ingevolge art. 62 Sr aan te geven welke straf is opgelegd voor de bewezenverklaarde overtreding van art. 107 Wegenverkeerswet 1994.

2.2.

Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 tot en met 2.4 had het Hof ingevolge art. 62 Sr voor de bewezenverklaarde feiten twee afzonderlijke straffen moeten opleggen in plaats van één.

2.3.

De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde heeft veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Het middel kan dus niet tot cassatie kan leiden.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.