Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:973

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/04292
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:889, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:259
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 68 Sr en 313 Sv, wijziging tll. Toevoeging subsidiair feit, nl. opzet- of schuldheling van gebaksvorkjes gestolen uit woning gelegen te A (art. 416.1. resp. 417bis.1 Sr), aan oorspronkelijk tlgd., nl. medeplegen diefstal van voorwerpen, waaronder gebaksvorkjes, in/uit woning gelegen te A, gedurende voor nachtrust bestemde tijd, d.m.v. braak, verbreking en/of inklimming (art. 310 jo. 311 Sr). HR herhaalt ECLI:NL:HR:2011:BM9102 m.b.t. maatstaf voor de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit'. Het Hof heeft de vordering wijziging tll. ten onrechte toegewezen. De delictsomschrijving van diefstal en die van (opzet-/schuld)heling strekken tot bescherming van het vermogen van de rechthebbende. Echter is gekwalificeerde diefstal tlgd. en houden de tlgd. strafverzwarende omstandigheden tevens verband met de bescherming van andere belangen, o.a. bescherming van de huisvrede. Bewezenverklaring daarvan leidt o.g.v. art. 311.2 Sr tot een aanmerkelijk hoger strafmaximum dan dat van art. 310 Sr. I.v.m. de strafverhogende omstandigheden onder art. 311.1 onder 3o-5o Sr gelden ook specifieke eisen m.b.t. tijd, plaats en wijze van uitvoering van de diefstal. Het verschil in de juridische aard van de aan verdachte in de tll. en de vordering wijziging tll. verweten feiten alsook tussen de daarin omschreven gedragingen is i.c. dermate groot dat geen sprake is van "hetzelfde feit" a.b.i. art. 68 Sr. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1505
RvdW 2019/752
NBSTRAF 2019/220
SR-Updates.nl 2019-0124
TPWS 2019/87
JIN 2019/129 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/04292

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2017, nummer 20/002028-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.

2.2.1.

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 14 februari 2015, omstreeks 01:30 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), heeft weggenomen een huistelefoon en/of een portemonnee en/of 40 euro en/of 12 gebaksvorkjes en/of sieraden (trouwring en/of kettingen en/of dasspelen en/of gouden bedeltjes en/of manchetknopen en/of oorbellen) en/of 12 lepeltjes en/of een bestekdoos met inhoud en/of 11 kristallen onderzetters en/of 6 blikjes bier (Heineken) en/of sleutels, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming."

2.2.2.

Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt gewijzigd, aldus dat daaraan subsidiair wordt toegevoegd dat:

"hij op of omstreeks 14 februari 2015 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, 8 gebaksvorkjes (welke waren weggenomen uit de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van die goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof."

2.2.3.

Het Hof heeft deze vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt dienaangaande het volgende in:

"De advocaat-generaal is van oordeel dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd en legt de noodzakelijk geoordeelde wijziging schriftelijk aan het hof over en vordert dat die wijziging zal worden toegelaten.

De raadsman verzet zich tegen de onderhavige wijziging van de tenlastelegging nu er naar zijn mening een substantieel verschil zit tussen de delictsomschrijvingen van enerzijds diefstal met braak en anderzijds heling.

(...)

Het hof wijst, gehoord verdachte en de raadsman, de vordering (...) toe nu de tenlastelegging naar het oordeel van het hof hetzelfde feitencomplex betreft."

2.3.

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Art. 310 Sr:

"Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

- Art. 311 Sr:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

(...)

3°. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

4°. diefstal door twee of meer verenigde personen;

5°. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;

(...)

2. Indien de onder 3° omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in onder 4° en 5° vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd."

- Art. 416, eerste lid aanhef en onder a, Sr:

"Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

- Art. 417bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr:

"Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

2.4.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter in de situatie waarop

art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr. Bij de toepassing van art. 68 Sr en 313 Sv moet aan de hand van dezelfde maatstaf worden beoordeeld of sprake is van 'hetzelfde feit' (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102).

2.5.

De aan de verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging omschreven als - kort gezegd - diefstal van diverse voorwerpen, waaronder twaalf gebaksvorkjes, door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door middel van braak, verbreking en/of inklimming, op of omstreeks 14 februari 2015 omstreeks 01.30 uur te [woonplaats] in/uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] . De tenlastelegging is aldus toegesneden op art. 310 Sr in verbinding met art. 311 Sr. De vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegesneden op - kort gezegd - opzet- dan wel schuldheling, als bedoeld in art. 416, eerste lid, Sr respectievelijk art. 417bis, eerste lid, Sr, van acht gebaksvorkjes, op of omstreeks 14 februari 2015 te [woonplaats] in elk geval in Nederland.

2.6.

De delictsomschrijving van diefstal in art. 310 Sr strekt evenals de delictsomschrijving van (opzet- dan wel schuld)heling in de kern tot bescherming van het vermogen van de rechthebbende. In het onderhavige geval ziet de tenlastelegging evenwel op gekwalificeerde diefstal, waarbij de tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheden tevens verband houden met de bescherming van andere belangen, waaronder de bescherming van de huisvrede, en de bewezenverklaring van die omstandigheden op grond van art. 311, tweede lid, Sr leidt tot een aanmerkelijk hoger strafmaximum dan dat van art. 310 Sr. In verband met de strafverhogende omstandigheden van art. 311, eerste lid aanhef en onder 3º-5º, Sr gelden ook specifieke eisen met betrekking tot tijd, plaats en wijze van uitvoering van de diefstal. Mede gelet daarop is het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte in de tenlastelegging en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging verweten feiten als ook tussen de daarin omschreven gedragingen dermate groot dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging daarom ten onrechte toegewezen.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, waaronder begrepen de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.