Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:967

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/03609
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:393
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:6431, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

In vereniging plegen van twee diefstallen. Bewezenverklaarde medeplegen toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:1315, ECLI:NL:HR:2016:1323 en ECLI:NL:HR:2016:1319. Het oordeel van het Hof dat de in aanmerking genomen f&o in onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof, dat is uitgegaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te gaan plegen, heeft vastgesteld dat verdachte met dat doel een auto heeft geleend en tezamen met drie medeverdachten in die auto vanuit Den Haag naar Friesland is gereden, dat zij telkens in elkaars gezelschap hebben verkeerd en dat verdachte na de gepleegde inbraken tezamen met de drie medeverdachten in de auto, met daarin de buit van beide inbraken en inbrekerswerktuig dat bij één van de inbraken is gebruikt, is teruggereden naar Den Haag, en dat het Hof kennelijk in zijn oordeel heeft betrokken dat namens verdachte geen contra-indicaties m.b.t. het medeplegen zijn aangevoerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 17/03840 en 18/03746.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2019/264
RvdW 2019/754
TPWS 2019/82
SR-Updates.nl 2019-0272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03609

Datum 18 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 juli 2017, nummer 21/003165-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.P. Visser, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde ten aanzien van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“1 primair:

hij op 12 mei 2014 omstreeks 00.45 uur te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [a-straat 1] heeft weggenomen 2 laptops en een geldbedrag, toebehorende aan [A] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

2 primair:

hij op enig tijdstip in de periode van 11 mei 2014 (omstreeks 18.00 uur) tot en met 12 mei 2014 (omstreeks 21.00 uur) te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [b-straat 1] heeft weggenomen 1078 10 eurocent muntstukken toebehorende aan [B] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage op pagina 77 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde 1] :

Ik doe aangifte van diefstal uit de [A] , [a-straat 1] te [plaats 2] . Ik ben voorzitter van deze vereniging en zodoende gemachtigd tot het doen van aangifte. Op maandag 12 mei omstreeks 05:45 uur werd ik gebeld door de meldkamer van de politie dat er bij het verenigingsgebouw aan de [a-straat 1] te [plaats 2] een inbraak was ontdekt. Ik ben sleutelhouder, dus ik ben ter plaatse gegaan.

Er is door ons gekeken wat er is weggenomen. Uit de algemene ruimte uit de kassa missen wij ongeveer 100 euro. Uit een kastje in de massageruimte is een bedrag van ongeveer 900 euro weggenomen. Dit kastje is in zijn geheel van de muur gebroken en hierdoor heeft men de toegang tot deze kast verkregen. Een van de laptops is weggenomen uit de kast in de kantine. De andere laptop met sticker stond in de bestuurskamer achter een deurtje uit het zicht. De toegang werd verschaft door de ramen van een dubbel kozijn open te breken.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor aangever (als bijlage op pagina 78a van voornoemd proces-verbaal) d.d. 3 juli 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde 2] :

Het briefgeld is genoteerd na de laatste keer dat de kantine is gebruikt. Ik kan u zeggen dat het briefgeld uit briefjes van 5, 10 en 20 euro bestond en 1 briefje van 50. Het was volgens onze telling 18 x 20, 21 x 10 en 28 x 5 euro.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 79 van voornoemd proces-verbaal) d.d. 13 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde 2] :

Ik ben wedstrijdsecretaris van de [A] . Ik kan u zeggen dat de
2 computers die u heeft aangetroffen bij de [A] vandaan komen. Op 1 van de 2 staat zelfs [A] . De rolletjes met geld zijn vermoedelijk van ons. De tas met de Friese vlag er op herken ik ook alsmede het plastic bakje met kleingeld.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage op pagina 139 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 17 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde 3] :

Ik ben secretaris van [B] gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats 1] en gerechtigd tot het doen van aangifte. Afgelopen maandag 12 mei 2014 omstreeks 21.00 uur ontdekte personeel van [B] dat er was ingebroken in ons [B] . De geldwisselautomaat die daar aan de muur hangt was opengebroken. Bij onderzoek bleek dat de dader of daders zijn binnengekomen door een kunststof raam te forceren aan de zijkant van het [B] . Dat raam stond ook open. Het laatste tijdstip daarvoor waarop we weten dat nog niet ingebroken was, was zondagmiddag 10 mei om 18.00 uur. Uit de automaat bleek de opvangbak van 10 cent muntstukken leeggehaald te zijn. Ik schat dat daar ongeveer 1000 muntstukken in hebben gezeten ter waarde van 100,- euro.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 80 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op maandag 12 mei 2014 omstreeks 04.15 uur bevonden wij, verbalisanten, ons met burgersurveillance belast in een onopvallend dienstvoertuig voor de politieregio Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, op de Rijksweg A8, gemeente Zaanstad.

Alhier zagen wij, verbalisanten, een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, rijden komende vanuit de richting van de Rijksweg A7, rijdende in de richting van Amsterdam. Wij zagen dat er 4 mannen in het voertuig zaten. Hierop zijn wij achter het voertuig gaan rijden. Wij zagen dat het voertuig voorzien was van het kenteken [kenteken] en vervolgens hebben wij het kenteken nagetrokken middels de aan ons door de dienst verstrekte Blackberry. Hieruit kwam naar voren dat de tenaamgestelde van het voertuig een vrouw zou moeten zijn uit Den Haag. Gezien het feit dat er 4 mannelijke inzittenden in het voertuig zaten hebben wij dat voertuig een stopteken gegeven middels het transparant in het dienstvoertuig. Aan het stopteken werd voldaan op de Rijksweg A8 ter hoogte van hectometerpaal 2.0 in de gemeente Oostzaan.

Wij, verbalisanten, spraken de bestuurder van het voertuig aan en deze toonde ons, desgevraagd, zijn geldig rijbewijs. Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig bleek te zijn genaamd:

[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

Hierop vroegen wij, verbalisanten, de andere inzittenden of zij zich konden legitimeren. Wij zagen dat de inzittenden hun geldige legitimatiebewijzen pakten en deze aan ons toonden.

De bijrijder van het voertuig bleek te zijn genaamd:

[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

De inzittende welke achter de bestuurder zat in het voertuig bleek te zijn genaamd:

[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] .

De inzittende welke achter de bijrijder zat in het voertuig bleek te zijn genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] .

Hierop hebben wij, verbalisanten, alle inzittenden portofonisch nagevraagd via een centralist van de regionale meldkamer. De centralist gaf aan ons door dat de personen welke wij hadden bevraagd in meerdere regio’s voorkwamen en meerdere antecedenten op hun naam hadden staan. Hierop hebben wij aan de bestuurder gevraagd of wij in het voertuig mochten kijken. De bestuurder gaf aan dat [verdachte] verantwoordelijk zou zijn voor het voertuig omdat hij het voertuig zou hebben geleend van een vriendin. Hierop hebben wij aan [verdachte] gevraagd of wij in het voertuig mochten kijken en hierop werd bevestigend geantwoord. Wij hoorden [verdachte] namelijk antwoorden: “Ja, jullie mogen kijken”, (of woorden van gelijke strekking).

Hierop hebben wij, verbalisanten, de kofferbak van het voertuig geopend en zagen wij dat er een zwartkleurig breekijzer en een hoeslaken in lagen. Hierop hebben wij contact gezocht met de dienstdoende officier van dienst tevens hulpofficier van justitie [betrokkene 3] en aan hem de bevindingen voorgelegd. In overleg met [betrokkene 3] hebben wij de inzittenden van het voertuig omstreeks 04.25 uur aangehouden terzake artikel 2.44 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oostzaan. Wij deelden de verdachten mede dat zij niet tot antwoorden verplicht waren. Nadat de verdachten waren overgebracht ter voorgeleiding hoorden wij, verbalisanten, van [betrokkene 3] dat hij tijdens de voorgeleiding aan alle verdachten had gevraagd of er wederom in het voertuig mocht worden gekeken.

Hiervoor werd door alle vier de verdachten toestemming gegeven. Vervolgens hebben wij in het voertuig gekeken en zagen wij dat er een schroevendraaier onder de bijrijdersstoel lag, dat er een blauwkleurige plastic tas met losgeld achter de bestuurdersstoel lag, dat er een stoffen witkleurig tasje met losgeld, rolletjes muntgeld en een plastic doosje muntgeld in een vakje aan de achterzijde van de bestuurdersstoel zat en dat er twee laptops waarvan één in een daarvoor bestemde draagtas in de kofferbak lagen. Wij, verbalisanten, zagen dat er op de laptops wit/oranjekleurige stickers zaten van een [A] met de tekst
.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 88 van voornoemd proces-verbaal) d.d. 25 juni 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op maandag 12 mei 2014 omstreeks 05:45 uur was ik verbalisant in Sneek. Ik was belast met de noodhulp samen met collega [verbalisant] , hoofdagent van politie. Wij waren in uniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig. Omstreeks genoemde tijd kregen wij een melding van de Meldkamer Noord-Nederland. De meldkamer gaf ons door dat in politieregio Zaanstreek-Waterland een staandehouding was gedaan en daarbij diverse goederen waren aangetroffen waarvan het vermoeden was dat zij van diefstal afkomstig waren. Onder de goederen waren laptops en euromuntjes. Op een van de goederen zat een sticker waarop “ [A] ” stond. Het verzoek aan ons was om in [plaats 2] te onderzoeken of bij de [A] een inbraak was geweest. Wij zijn ter plaatse gegaan en op de locatie, [a-straat 1] te [plaats 2] bleek inderdaad een [A] te zitten. Wij zagen bij aankomst dat er een raam aan de kant van het parkeerterrein openstond. Bij nader onderzoek zagen wij dat het een uitzetraam betrof waar op het kozijn braaksporen te zien waren. Ik, verbalisant ben om het pand gelopen en trof nog een openstaande deur. Dat was gezien vanaf aankomst, achterzijde pand liggend bij een voetbalveld en toegang verschaffend aan de kantineruimte. Gezien het openstaande uitzetraam, deur en braaksporen was het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid duidelijk dat er ingebroken was.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 89 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 22 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op dinsdag 12 mei 2014, werd door [benadeelde 1] , namens de [A] , aangifte gedaan van inbraak bij de [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats 2] . Op dinsdag 12 mei 2014 tussen 00.30 uur en 01.00 uur werd op bovenstaand adres ingebroken. De inbraak werd vastgelegd met de bewakingscamera.

Op woensdag 21 mei 2014, heb ik verbalisant, de beelden bekeken en hiervan fotoprints gemaakt. Zie foto bijlage 2014049526-1. De tijdsaanduiding op de beelden lopen ongeveer 45 minuten achter op de werkelijke tijd.

Foto 1 en 2: datum/tijd 11-05-2014 23:55:15

Hier is de eerste persoon te zien die in de kantine loopt en vervolgens achter de bar verdwijnt.

Foto 3 en 4: datum/tijd 11-05-2014 23:55:21

Hier komt de tweede persoon in beeld die ook achter de bar verdwijnt.

Foto 5 en 6: datum/tijd 11-05-2014 23:56:17

Hier komt de derde persoon de kantine in lopen, die tevens achter de bar verdwijnt.

Foto 7: datum/tijd 11-05-2014 23:58:37

De personen zijn achter de bar bezig. Af en toe zie je het schijnsel van een lichtje (zaklantaarn).

Foto 8: datum/tijd 11-05-2014 23:58:44

Een van de personen komt weer achter de bar vandaan en haalt de beamer van het plafond af.

Foto 9 t/m 16: datum/tijd 12-05-2014 00:00:07

De personen komen achter de bar vandaan en forceren de deur naast de bar. Als de deur open is gaan zij deze ruimte in en doen de deur achter hun dicht.

Foto 17 t/m 20: datum/tijd 12-05-2014 00:06:06

De personen komen weer uit de ruimte en lopen de kantine weer in.

Vergelijking foto's/kleding verdachten met de beelden.

Zie foto [bijlage]

Naar aanleiding van de beelden heb ik verbalisant de beelden vergeleken met de foto’s die van de verdachten gemaakt waren na hun aanhouding. De kleuren op de beelden zijn niet de werkelijke kleuren. Dit komt door de nachtopname zonder verlichting.

Op de beelden was te zien dat een persoon reflecterende schoenen aan had. Op de beelden zag je dat de reflectie aan de voorzijde van de schoen en aan de achterzijde van de schoen zat. De schoenen die verdachte [medeverdachte 3] aan had bij zijn aanhouding hadden reflectie.

Op de beelden was te zien dat een persoon een jas droeg met op borsthoogte opvallende donkere vlakken. Aan de achterzijde een donkere dwarsstreep. Deze jas zou overeen kunnen komen met de jas die verdachte [medeverdachte 1] aan had bij zijn aanhouding.

Op de beelden was te zien dat een persoon de beamer weghaalde. De jas die deze persoon aanhad had een donkere dwarsstreep op de rugzijde en een opvallende band aan de onderzijde van de jas. Deze jas kan overeenkomen met de jas die verdachte [medeverdachte 2] aan had bij zijn aanhouding.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal betreffende een vergelijkend werktuigsporenonderzoek (als bijlage op pagina 129 e.v. van voornoemd proces-verbaal)
d.d. 18 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Betreffende: vergelijkend werktuigsporenonderzoek naar aanleiding van een inbraak in een [A] aan de [a-straat 1] te [plaats 2] omstreeks 12 mei 2015.

Op 14 mei 2014 ontving ik Harm Ham, brigadier van politie bij de Forensische Opsporing, gecertificeerd werktuigsporenonderzoeker van de afdeling sporenbeheer het volgende:

sporen:

- [1], drie afvormingen van werktuigsporen, nader te noemen:

- [1.1] gewaarmerkt met […] ,

- [1.2] gewaarmerkt met […] ,

- [1.3] gewaarmerkt met […] .

Deze werktuigsporen zijn veiliggesteld bij een opengebroken uitzetraam tijdens het sporenonderzoek bij genoemde inbraak.

werktuigen:

- [A], een schroevendraaier, gewaarmerkt met […] ,

- [B], een breekijzer, gewaarmerkt met […] .

Dit gereedschap werd aangetroffen in een auto tijdens de aanhouding van de verdachten.

Op 14 mei 2014 stelde ik een vergelijkend werktuigsporenonderzoek in waarbij het volgende is waargenomen, verricht en bevonden.

Ten behoeve van het onderzoek zijn van schroevendraaier [A] en de beitelzijde van breekijzer [B] proefindruksporen vervaardigd, die vervolgens zijn afgevormd.

Tevens zijn van het blad van [A] en de spijkertrekzijde van [B] replica’s vervaardigd.

Een replica is een kopie van een werktuig en geeft dezelfde karakteristieke kenmerken weer.

Ten gevolge van de beschadigingen en de slijpsporen in het blad van [A] en de spijkertrekzijde van [B] kunnen de afgevormde proefindruksporen en de replica’s als karakteristiek voor deze beide werktuigen worden beschouwd.

CONCLUSIES

Aan de hand van het werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat:

- de afgevormde indruksporen in [1.1] en [1.3] zijn veroorzaakt met schroevendraaier [A],

- het afgevormde indrukspoor [1.2] zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met breekijzer [B].

9. Een kennisgeving van inbeslagneming (als bijlage op pagina 3 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Inbeslagneming

Plaats : [c-straat 1] , [postcode] [plaats 3]

Datum en tijd : 12 mei 2014 te 06:00 uur

Beslagene

Achternaam : [medeverdachte 1]

Voornamen : [medeverdachte 1]

Volgnummer 1

Goednummer : PL1100-2014029117-232405

Categorie omschrijving : Geld

Object : Euro

Aantal/eenheid: : 1160 euro

Land : Nederland

Bijzonderheden : 9 x vijftig euro, 18 x twintig euro, 21 x tien euro, 28 x vijf euro

10. Een kennisgeving van inbeslagneming (als bijlage op pagina 17 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Inbeslagneming

Plaats : A8 ter hoogte van hectometerpaal 2.0 linker rijbaan,

Oostzaan

Datum en tijd : 12 mei 2014 te 06:48 uur

Beslagene

Achternaam : [medeverdachte 1]

Voornamen : [medeverdachte 1]

Volgnummer 1

Goednummer : PL1100-2014029117-232408

Categorie omschrijving : Geld

Object : Munten

Aantal : 1078

Land : Nederland

Bijzonderheden : 1078 x 0,10 eurocent, aangetroffen in Action boodschappentas

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor medeverdachte (als bijlage op pagina 119 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 3] :

We zijn afgelopen nacht naar een vriend gegaan in Leeuwarden. Dat was ongeveer om
22:00 uur.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor medeverdachte (als bijlage op pagina 108 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 1] :

We waren gisteravond op een feestje in Leeuwarden. Ik was daar met de jongens met wie ik ben aangehouden. Wij zijn de hele avond samen geweest.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van inverzekeringstelling (als bijlage op pagina 58 van voornoemd proces-verbaal) d.d. 12 mei 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte 2] :

We hadden een feestje in Leeuwarden.

14. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 mei 2015 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik bevond mij op 12 mei in de gemeente Zaanstad. Ik zat achterin in de auto. We reden van Leeuwarden naar Den Haag.”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

Aan de hand van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op maandag 12 mei 2012, omstreeks 04:15 uur, zagen verbalisanten een personenauto, met daarin vier mannen, rijden op de Rijksweg A8 in de gemeente Zaanstad. De auto kwam vanuit de richting van de Rijksweg A7 en reed in de richting van Amsterdam. De verbalisanten hebben het kenteken vervolgens nagetrokken. De auto bleek op naam te staan van een vrouw uit Den Haag. Dit was voor de verbalisanten aanleiding om de auto een stopteken te geven. De bestuurder van de personenauto voldeed aan dit stopteken op de Rijksweg A8 ter hoogte van hectometerpaal 2.0 in de gemeente Oostzaan.

De bestuurder toonde, daarnaar gevraagd, zijn rijbewijs. Hieruit bleek dat medeverdachte [medeverdachte 1] de bestuurder was van de auto. Ook de andere inzittenden hebben zich desgevraagd gelegitimeerd. De bijrijders in het voertuig bleken te zijn: verdachte [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De verbalisanten hebben de inzittenden via de portofoon bevraagd bij de centralist van de regionale meldkamer. De centralist gaf aan dat alle vier de personen meerdere antecedenten op naam hadden staan.

De verbalisanten hebben vervolgens aan de bestuurder, medeverdachte [medeverdachte 1] , gevraagd of ze in het voertuig mochten kijken. [medeverdachte 1] gaf aan dat verdachte verantwoordelijk was voor het voertuig omdat verdachte de auto zou hebben geleend van een vriendin. Hierop hebben verbalisanten aan verdachte gevraagd of zij in de auto mochten kijken. Verdachte heeft daar vervolgens toestemming voor gegeven.

De verbalisanten hebben daarop de kofferbak van de auto geopend. In de kofferbak zagen zij een breekijzer en een hoeslaken liggen. In overleg met de officier van justitie zijn verdachten vervolgens aangehouden ter zake van artikel 2.44 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oostzaan. Verdachten zijn ter voorgeleiding overgebracht naar het politiebureau. Tijdens de voorgeleiding is door alle vier verdachten toestemming gegeven om wederom in het voertuig te kijken.

Vervolgens hebben de verbalisanten opnieuw in de auto gekeken. Zij zagen dat onder de bijrijdersstoel een schroevendraaier lag en dat achter de bestuurdersstoel een blauwkleurige plastic tas met los geld lag. In een vakje aan de achterzijde van de bestuurdersstoel zaten een tasje met los geld, rolletjes muntgeld en een plastic doosje met muntgeld. In de kofferbak lagen twee laptops. Op de laptops zaten stickers van [A] . Door verbalisanten, die naar het [A] zijn gegaan, is geconstateerd dat er die nacht aldaar is ingebroken.

Medeverdachte [medeverdachte 1] had 1.160,- euro aan briefgeld bij zich ten tijde van de aanhouding. Dit briefgeld bestond uit 9 coupures van 50 euro, 18 coupures van 20 euro, 21 coupures van 10 euro en 28 coupures van 5 euro. In de blauwkleurige plastic tas (van de Action) zaten
1087 muntstukken van tien eurocent.

Door [benadeelde 1] , zijnde de voorzitter van [A] , is aangifte gedaan van de inbraak. Hieruit blijkt dat er ongeveer 100 euro uit de kassa is weggenomen en dat uit een kastje in de massageruimte ongeveer 900 euro is weggenomen. Ook zijn er twee laptops weggenomen. [benadeelde 2] , zijnde de wedstrijdsecretaris van [A] , heeft in aanvulling op de aangifte verklaard dat hij de witte stoffen tas heeft herkend alsmede het plastic bakje met kleingeld. Later heeft [benadeelde 2] nog gespecifieerd dat aan briefgeld is weggenomen:
1 coupure van 50 euro, 18 coupures van 20 euro, 21 coupures van 10 euro en 28 coupures van
5 euro.

In het [A] hangen vier camera’s, die de inbraak hebben vastgelegd. Een verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en geconstateerd dat de eerste persoon om ongeveer 00:45 uur (werkelijke tijd) op de beelden is te zien. In totaal ziet de verbalisant drie personen op de bewakingsbeelden. De verbalisant heeft de kleding die de personen op de beelden dragen, vergeleken met de kleding die de verdachten droegen ten tijde van hun aanhouding. Hij zag op de beelden een persoon die schoenen droeg met reflectie aan de voor- en achterzijde van de schoenen. Op de schoenen die medeverdachte [medeverdachte 3] droeg, zaten op de voor- en achterzijde reflecterende strepen. Ook was op de beelden te zien dat een persoon een jas droeg met op borsthoogte opvallende donkere vlekken en aan de achterzijde een donkere dwarsstreep. Deze jas zou overeen kunnen komen met de jas die medeverdachte [medeverdachte 1] droeg. De derde persoon droeg een jas met een donkere dwarsstreep op de rugzijde en een opvallende band aan de onderzijde van de jas. Deze jas zou overeen kunnen komen met de jas die medeverdachte [medeverdachte 2] aan had bij zijn aanhouding.

Uit een vergelijkend werktuigsporenonderzoek blijkt dat braaksporen die zijn aangetroffen bij het [A] zijn veroorzaakt met de schroevendraaier die in de auto van verdachten is aangetroffen. Andere sporen zijn zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het eveneens in de auto van verdachten aangetroffen breekijzer.

[benadeelde 3] heeft op 17 mei 2014 aangifte gedaan namens [B] in [plaats 1] .

Op maandag 12 mei 2014, rond 21:00 uur, heeft personeel ontdekt dat er was ingebroken in het [B] . De daders zijn binnengekomen door een kunststof raam te forceren. Volgens aangever is de inbraak gepleegd tussen 10 mei 2014 omstreeks 18:00 uur en 12 mei 2014 omstreeks 21:00 uur. De geldwisselautomaat was opengebroken. Uit de automaat zijn ongeveer 1000 muntstukken van tien eurocent weggenomen.

Verdachte heeft verklaard dat de vier inzittenden van de auto vanuit Den Haag naar Leeuwarden zijn gereden. Ze waren die avond op een feestje in Leeuwarden geweest. Hij wist niet wat er in de kofferbak lag en hij weet ook niets van de tassen van anderen. Hij heeft het geld in de auto niet gezien. Tijdens het feestje hebben meerdere mensen gebruik gemaakt van de auto om alcohol te halen. Hij heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat ze naar een feestje van een vriend in Leeuwarden zijn gegaan. De vriend zou [betrokkene 2] heten. Hij weet niet waar in Leeuwarden die [betrokkene 2] woont. Hij weet niets van wat er in de auto lag en hij weet ook niets van een inbraak. [medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] op de heenweg reed. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ze in Leeuwarden waren, op een feestje van iemand die [betrokkene 1] heet. Hij weet niet precies waar die [betrokkene 1] woont. Ze zijn de hele avond samen bij [betrokkene 1] geweest. Het geld dat hij bij zich had was van hemzelf. Ook hij weet niets van de spullen die zijn aangetroffen in de auto. Hij heeft voorts verklaard dat verdachte op de heenweg reed. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat ze een feestje hadden in Leeuwarden. Verder heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Alternatieve scenario

Het hof acht het door de verdachten geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. Verdachten hebben hun verklaringen op geen enkele wijze onderbouwd. Het had evenwel op de weg van verdachten gelegen om de vriend waarover zij spreken en/of andere aanwezigen op het feestje in Leeuwarden als getuige op te roepen, nu deze personen verdachten immers moeiteloos van een alibi hadden kunnen voorzien. Voorts noemen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een verschillende naam van de betreffende vriend en weet geen van de verdachten het adres van de vriend te noemen. De suggestie dat een andere persoon die op het feest aanwezig was tussen de bedrijven door met behulp van de geleende auto de beide inbraken zou moeten hebben gepleegd en vervolgens de (complete) buit in de auto zou hebben achtergelaten, acht het hof ongeloofwaardig en wordt door geen enkele feitelijkheid ondersteund.

Medeplegen

Door de raadsvrouw van verdachte is vrijspraak bepleit van het aan verdachte onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Daartoe is door de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de inbraken.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachten zijn drie-en-een-half uur nadat een inbraak in [plaats 2] is gepleegd, aangehouden op een snelweg in Noord-Holland, komende uit de richting van de afsluitdijk. Verdachten hebben verklaard dat zij die nacht in Friesland zijn geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij telkens in elkaars gezelschap hebben verkeerd. In de auto van verdachten is de buit aangetroffen van twee verschillende inbraken die gepleegd zijn in Friesland, te weten in [plaats 2] en in [plaats 1] . Het gaat om een zeer specifieke buit. Zo heeft één van de laptops een sticker van de [A] te [plaats 2] waar is ingebroken. Ook wordt in de auto een uitzonderlijk groot aantal, te weten 1087, tien eurocent muntstukken aangetroffen, terwijl bij de inbraak in [plaats 1] ongeveer 1000 muntstukken van 10 eurocent zijn buitgemaakt. [plaats 2] en [plaats 1] liggen op relatief korte afstand (ongeveer 20 kilometer) van elkaar. Daarnaast is ook het werktuig dat zeker (schroevendraaier) en zeer waarschijnlijk (breekijzer) bij de inbraak in [plaats 2] is gebruikt in de auto van verdachten aangetroffen. Uit de camerabeelden van de inbraak in [plaats 2] blijkt dat minst genomen drie personen binnen zijn geweest. De kleding van die drie personen vertoont - zeker in onderling verband beschouwd - opvallende overeenkomsten met de kleding van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rol van verdachte bestaat er (in ieder geval) in dat hij de bij de inbraken gebruikte auto heeft geleend van een vriendin. Minimaal twee van de vier verdachten hebben in de auto gereden. De buit van de beide inbraken is in deze auto aangetroffen, zodat het ervoor gehouden moet worden dat deze achter elkaar zijn gepleegd.

Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van bovenstaande feiten het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachten betrokken zijn geweest bij de inbraken in [plaats 2] en [plaats 1] . Derhalve acht het hof aannemelijk dat verdachte tezamen met drie anderen vanuit Den Haag naar Friesland is gereden om daar inbraken te plegen. Dat de wegnemingshandelingen in [plaats 2] mogelijk door drie van de vier personen zijn begaan, maakt dat niet anders. Na de gepleegde inbraken is verdachte samen met zijn medeverdachten in de auto, met daarin de buit, teruggereden naar Den Haag.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten in voldoende mate is komen vast te staan. Hoewel niet is uit te sluiten dat geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering ten tijde van (een deel van) de wegnemingshandelingen bij een van de twee inbraken, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof, ook als hij niet lijfelijk in het deel van het pand in [plaats 2] is geweest waar camerabeelden van zijn, in het geheel van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee verwerpt het hof het verweer van de raadsvrouw en acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.”

2.3.1

De vraag of aan de vereisten voor de kwalificatie medeplegen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. Ten aanzien van die procesopstelling is voor zaken als de onderhavige in
HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, onder meer het volgende overwogen:

“4.2.1. Bij de beoordeling van het middel moet mede het volgende worden betrokken. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.

4.2.2.

Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

4.2.3.

In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.”

2.3.2

Hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven, kan ook van belang zijn in een geval als het onderhavige waarin weliswaar met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan (zoals wel het geval was in HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1319).

2.4

Het Hof heeft in de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Het oordeel van het Hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededaders, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof, dat is uitgegaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te gaan plegen, heeft vastgesteld dat de verdachte met dat doel een auto heeft geleend en tezamen met drie medeverdachten in die auto vanuit Den Haag naar Friesland is gereden, dat zij telkens in elkaars gezelschap hebben verkeerd en dat de verdachte na de gepleegde inbraken tezamen met de drie medeverdachten in de auto, met daarin de buit van beide inbraken en inbrekerswerktuig dat bij één van de inbraken is gebruikt, is teruggereden naar Den Haag, en dat het Hof kennelijk in zijn oordeel heeft betrokken dat namens de verdachte geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen zijn aangevoerd.

2.5

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.