Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
19/00843
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:362, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Geneeskundige verklaring, art. 16 lid 1 Wet Bopz. Toelaatbaarheid elektronische ondertekening. Aan elektronische handtekening te stellen eisen. Overeenkomstige toepassing art. 3:15a BW. Verplichting ambtshalve te onderzoeken of handtekening door geneesheer-directeur zelf is geplaatst? Zelfde benadering bij voorlopige machtiging (art. 4 en art. 5 lid 1 Wet Bopz).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1441
RvdW 2019/710
TvPP 2019, afl. 4, p. 120
GZR-Updates.nl 2019-0164
JIN 2019/132 met annotatie van Hament, J.
JGZ 2019/28 met annotatie van Jong, J.J. de
JBPR 2019/46 met annotatie van Wiersma, H.W.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00843

Datum 14 juni 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET

AMSTERDAM,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Betrokkene heeft tegen de beschikking in de zaak 658136/FA RK 18.7696 van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene was opgenomen, die betrokkene kort daarvoor met het oog op de hiervoor genoemde machtiging heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Op de geneeskundige verklaring staat naast de handtekening van de geneesheer-directeur vermeld: “Digitaal ondertekend door [de geneesheer-directeur]. Datum: 2018.11.23 10:19:53 +01’00’”.

(iii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat, de behandelend psychiater en de groepsbegeleider. De advocaat van betrokkene heeft primair betwist dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens. Subsidiair heeft de advocaat van betrokkene verzocht het verzoek aan te houden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een voorwaardelijke machtiging aan te vragen. Meer subsidiair heeft de advocaat van betrokkene betwist dat sprake is van het in de geneeskundige verklaring omschreven gevaar. Uiterst subsidiair heeft de advocaat van betrokkene verzocht om de duur van de machtiging te beperken tot zes maanden.

2.2

De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend en daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“De rechtbank is, gelet op de inhoud van de geneeskundige verklaring en de toelichting ter zitting daarop van de behandelend arts en anders dan de raadsman in zijn primaire en meer subsidiaire verweer heeft bepleit, van oordeel dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens, te weten een schizo-affectieve stoornis, ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en dat deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, welk gevaar (…) niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank is, gelet op het verhandelde ter zitting, van oordeel dat bij betrokkene geen sprake is van een consistente bereidheid tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op vrijwillige basis.”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel II van het middel klaagt dat de rechtbank de geneeskundige verklaring ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken, nu deze elektronisch is ondertekend en daarmee niet voldoet aan de op grond van art. 16 lid 1 Wet Bopz aan een geneeskundige verklaring te stellen eisen. Niet kan immers worden nagegaan of de elektronische handtekening daadwerkelijk van de desbetreffende geneesheer-directeur afkomstig is, terwijl bovendien een wettelijk voorschrift dat het gebruik van een bepaald type elektronische handtekening voor het ondertekenen van een geneeskundige verklaring voorschrijft ontbreekt. De rechtbank had dit ambtshalve moeten vaststellen en mede gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van een gestempelde handtekening van de geneesheer-directeur geen genoegen mogen nemen met de digitale handtekening onder deze geneeskundige verklaring, aldus de klacht.

3.1.2

Ingevolge art. 16 lid 1 Wet Bopz moet bij een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf een verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene is opgenomen. Volgens vaste rechtspraak moet aan deze verklaring de eis worden gesteld dat zij door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend, zodat blijkt van zijn instemming met en aanvaarding van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring.1

3.1.3

Op welke wijze(n) een geneesheer-directeur de geneeskundige verklaring kan ondertekenen is niet geregeld in de Wet Bopz of een van de daarop berustende besluiten en regelingen. De Wet Bopz en de bijbehorende besluiten en regelingen voorzien daarmee niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor een geneesheer-directeur om de geneeskundige verklaring elektronisch te ondertekenen, maar sluiten deze mogelijkheid evenmin uitdrukkelijk uit.

3.1.4

Art. 3:15a BW bepaalt onder welke omstandigheden een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis gaat deze bepaling uit van het bestaan van een algemene norm, inhoudende dat een elektronische handtekening steeds dan als juridisch gelijkwaardig aan een handgeschreven handtekening dient te worden beschouwd indien deze, gelet op alle omstandigheden van het geval, met een voldoende mate van betrouwbaarheid dezelfde functies vervult als een handgeschreven handtekening. Naar de bedoeling van de wetgever beoogt zij een grote mate van flexibiliteit voor de rechter te bieden, die nodig is in verband met de veelheid aan situaties waarin elektronische handtekeningen in het maatschappelijk verkeer zullen worden gebruikt.2

3.1.5

In art. 3:15a BW wordt – in navolging van een Europese verordening3 (hierna: de eIDAS-Verordening) – een onderscheid gemaakt tussen een gekwalificeerde elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening en een andere elektronische handtekening. Voor de definities van deze begrippen verwijst art. 3:15a BW naar de eIDAS-Verordening.

Van een ‘elektronische handtekening’ is sprake bij ‘gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen’ (art. 3, onder 10, eIDAS-Verordening). Een ‘geavanceerde elektronische handtekening’ is een elektronische handtekening die voldoet aan de eisen gesteld in art. 26 eIDAS-Verordening (art. 3, onder 11, eIDAS-Verordening). Art. 26 eIDAS-Verordening eist dat de geavanceerde elektronische handtekening (a) op unieke wijze aan de ondertekenaar is verbonden, (b) het mogelijk maakt de ondertekenaar te identificeren, (c) tot stand komt met gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die de ondertekenaar, met een hoog vertrouwensniveau, onder zijn uitsluitende controle kan gebruiken en (d) op zodanige wijze met de daarmee ondertekende gegevens is verbonden dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord. Een ‘gekwalificeerde elektronische handtekening’ is een geavanceerde elektronische handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen (art. 3, onder 12, eIDAS-Verordening).

Op grond van art. 3:15a BW heeft een gekwalificeerde elektronische handtekening altijd dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening,4 terwijl dit voor de geavanceerde elektronische handtekening en de andere elektronische handtekening alleen het geval is indien de methode voor ondertekening die gebruikt is, voldoende betrouwbaar is gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval.

3.1.6

Art. 3:15a BW vindt op grond van art. 3:15c BW buiten het vermogensrecht overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. De memorie van toelichting vermeldt dat overeenkomstige toepassing buiten het privaatrecht niet is uitgesloten.5

3.1.7

De aard van de geneeskundige verklaring – waaronder begrepen de rol die deze speelt in de procedure op grond van art. 16 lid 1 Wet Bopz – verzet zich niet tegen overeenkomstige toepassing van art. 3:15a BW.

Het doel waarvoor een geneeskundige verklaring in een procedure op grond van art. 16 lid 1 Wet Bopz wordt gebruikt brengt mee dat een elektronische handtekening onder een geneeskundige verklaring een geavanceerde of een gekwalificeerde elektronische handtekening moet zijn is als bedoeld in art. 3:15a BW. Het vereiste dat de geneesheer-directeur de geneeskundige verklaring zelf ondertekent en de daaraan ten grondslag liggende ratio (zie hiervoor in 3.1.2), brengen immers mee dat de elektronische handtekening met zodanige waarborgen moet zijn omkleed dat (i) alleen de geneesheer-directeur zelf de elektronische handtekening kan zetten en (ii) elke wijziging in de geneeskundige verklaring na ondertekening moet kunnen worden achterhaald. Omdat zowel de geavanceerde elektronische handtekening als de gekwalificeerde elektronische handtekening aan deze eisen voldoet, bieden zij vergelijkbare waarborgen als een handgeschreven handtekening. Dat geldt niet voor een gestempelde handtekening zoals aan de orde was in de door het onderdeel aangehaalde beschikking HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1418. Een gestempelde handtekening kan immers worden gezet door iedereen die beschikt over de stempel.

3.1.8

Uit het voorgaande volgt dat voor de toepassing van art. 16 lid 1 Wet Bopz een geavanceerde en een gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen hebben als een handgeschreven handtekening.

3.1.9

De rechtbank behoeft niet ambtshalve te onderzoeken of de handtekening op de geneeskundige verklaring door de geneesheer-directeur zelf is geplaatst. Dit geldt zowel bij een handgeschreven handtekening als bij een elektronische handtekening. Indien een daarop gericht verweer is gevoerd, dient de rechter dat onderzoek te verrichten en daarvan in zijn motivering blijk te geven.

Indien het een elektronische handtekening betreft en onderzoek uitwijst dat het niet gaat om een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening als hiervoor in 3.1.7 bedoeld, staat het de rechter vrij de geneeskundige verklaring niettemin in aanmerking te nemen indien hij op andere wijze heeft kunnen vaststellen dat die verklaring door de geneesheer-directeur zelf is ondertekend.

3.1.10

Opmerking verdient dat het hiervoor in 3.1.7-3.1.9 overwogene ook geldt voor de toepassing van art. 5 lid 1 Wet Bopz, met dien verstande dat het bij een verzoek als bedoeld in art. 4 Wet Bopz gaat om de handtekening van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die de betrokkene met het oog op de geneeskundige verklaring kort te voren heeft onderzocht.

3.1.11

Van de zijde van betrokkene is ten overstaan van de rechtbank geen verweer gevoerd over de (wijze van) ondertekening van de geneeskundige verklaring. Daarom behoefde de rechtbank in dit geval niet te onderzoeken of de elektronische handtekening daadwerkelijk afkomstig is van de geneesheer-directeur. Onderdeel II faalt.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 juni 2019.

1 Zie onder meer HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:635, rov. 3.3.4, HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3536, rov. 3.3 (in het kader van art. 5 lid 1 Wet Bopz) en HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1418, rov. 3.1

2 Kamerstukken II 2000/01, 27743, nr. 3, p. 4.

3 Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257, p. 73).

4 Kamerstukken II 2015/16, 34413, nr. 3, p. 27-28.

5 Zie Kamerstukken II 2015/16, 34413, nr. 3, p. 64 en Kamerstukken II 2000/01, 27743, nr. 3, p. 11.