Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:908

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
17/04657
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:291
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:3919, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling ex-partner, art. 302.1 Sr. Ondervragingsrecht getuige, art. 6.3.d EVRM. Aangeefster is voorafgaand aan verhoor door Rh-C overleden, terwijl het Hof haar bij politie afgelegde verklaring tot het bewijs heeft gebruikt. Vindt betrokkenheid verdachte in voldoende mate steun in andere b.m.? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. ondervragingsrecht en vraag wanneer bewezenverklaring in beslissende mate steunt op verklaring van een niet door verdediging ondervraagde getuige. Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verklaring van aangeefster bruikbaar is voor het bewijs, nu de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op die verklaring is gebaseerd maar in voldoende mate steun vindt in andere b.m. en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van aangeefster die door de verdachte zijn betwist. In het licht van de inhoud van de door het Hof gebezigde b.m., - i.h.b. medische informatie m.b.t. aangeefster van huisarts, relaas van 2 verbalisanten en verklaringen van getuige en verdachte - geeft dat oordeel niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1444
NJ 2019/256
RvdW 2019/727
JIN 2019/110 met annotatie van Oort, C. van
NBSTRAF 2019/205
SR-Updates.nl 2019-0120
TPWS 2019/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/04657

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 september 2017, nummer 20/003502-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.M. Houben, advocaat te Wessem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof in de zaak met parketnummer 04/850147-12 de verklaring van de aangeefster [slachtoffer] ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd, aangezien de verdediging [slachtoffer] ten gevolge van haar overlijden niet als getuige heeft kunnen horen en haar verklaring cruciaal is voor de bewijsvoering.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is in de in het middel bedoelde zaak bewezenverklaard dat:

"hij op 27 oktober 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met zijn knieën bovenop genoemde [slachtoffer] is gaan zitten terwijl genoemde [slachtoffer] op een bed lag en met kracht een sjaal rondom de nek van genoemde [slachtoffer] heeft aangedraaid waardoor voornoemde [slachtoffer] moeilijk adem kon halen en de afvoer van het bloed uit het hoofd werd afgesloten en een hand op de mond en neus van genoemde [slachtoffer] heeft gedrukt waardoor voornoemde [slachtoffer] geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2.

De bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt, zijn weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal onder 7. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"A.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte vrij zal spreken (...). Ter onderbouwing van dit standpunt is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het recht van de verdediging om getuigen à charge te (doen) ondervragen als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM is geschonden, nu aangeefster [slachtoffer] door haar overlijden niet meer als getuige kan worden gehoord. Nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest aangeefster [slachtoffer] te ondervragen dient de in de aangifte door haar afgelegde verklaring te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor niet langer is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De verklaring van [slachtoffer] is bovendien aan te merken als onbetrouwbaar, aldus de verdediging.

(...)

B.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof de navolgende feiten en omstandigheden af. Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 27 oktober 2011 door verdachte is meegesleurd naar zijn woning aan de [a-straat 1] te Roermond en dat zij - eenmaal in de woning - door verdachte is meegetrokken naar de slaapkamer op de bovenverdieping van die woning en over het bed heen is gesleept. Hierbij kwam [slachtoffer] op haar rug te liggen. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat verdachte bovenop haar is gaan zitten en de sjaal - die zij om haar nek droeg - heeft aangedraaid, waardoor zij weinig lucht kreeg. Op een gegeven moment heeft verdachte haar sjaal losgelaten, waarna hij zijn vlakke hand over de mond en neus van [slachtoffer] legde. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij hierdoor helemaal geen lucht meer kreeg en dat verdachte, toen zij schreeuwde, zijn vlakke hand nog harder over haar mond en neus drukte. Vervolgens heeft verdachte de sjaal van [slachtoffer] wederom vastgepakt. [slachtoffer] hoorde dat verdachte zei "je was van mij en je blijft van mij", waarna verdachte haar op enig moment losliet. Op diezelfde dag, 27 oktober 2011, heeft [betrokkene] (huisarts te Venlo) letsel bij [slachtoffer] geconstateerd. Dit letsel bestond uit lange rode strepen in de nek en petechiën rond de ogen en op beide oogleden. Aan de binnenzijde van de onderste oogleden was links en rechts bovendien een tweetal rode vaatjes/strepen te zien. Volgens voornoemde huisarts ontstaan petechiën in het algemeen door drukverhoging in de vaten, bijvoorbeeld doordat bij verwurging wel de afvoer maar niet de toevoer van bloed wordt afgesloten. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben het vorenomschreven letsel eveneens waargenomen. Tot slot heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij op 27 oktober 2011 een heftige ruzie met [slachtoffer] heeft gehad in zijn woning aan de [a-straat ] te Roermond en dat [slachtoffer] destijds een sjaal droeg.

Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 oktober 2011 verwurgingshandelingen heeft verricht bij aangeefster [slachtoffer] .

C.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] wegens schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM dan wel wegens de onbetrouwbaarheid van deze verklaring, overweegt het hof als volgt.

Aangeefster [slachtoffer] heeft op 29 oktober 2011 aangifte tegen verdachte gedaan en heeft in dat kader tegenover de politie een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Op 15 maart 2012 heeft [slachtoffer] geprobeerd haar aangifte in te trekken, waarbij zij heeft opgemerkt dat hetgeen zij in haar aangifte heeft verklaard wel degelijk is gebeurd. Op 3 april 2012 heeft [slachtoffer] wederom te kennen gegeven dat zij haar aangifte wilde intrekken. Hierbij is zij niet inhoudelijk teruggekomen op haar eerder afgelegde belastende verklaring. Blijkens een emailbericht heeft de poortraadsheer van dit hof op 12 februari 2016 aan de verdediging laten weten dat het verzoek om (onder andere) [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris als getuige te laten horen was toegewezen. Echter, voordat dit getuigenverhoor heeft plaatsgevonden is [slachtoffer] - blijkens een akte van overlijden - op 12 oktober 2016 overleden.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdediging haar ondervragingsrecht door het overlijden van [slachtoffer] niet heeft kunnen uitoefenen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat dit niet resulteert in een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM. Zo is de verklaring van aangeefster [slachtoffer] niet het enige of beslissende bewijs in de onderhavige zaak. De verklaring van [slachtoffer] vindt immers steun in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de constatering van het letsel door een huisarts en twee verbalisanten, in de getuigenverklaring van [getuige 1] en in de verklaring van verdachte, voor zover die inhoudt dat hij en [slachtoffer] op 27 oktober 2011 een heftige ruzie hebben gehad in zijn woning aan de [a-straat ] in Roermond. Bovendien is het nadeel dat de verdachte ondervindt van het niet als getuige kunnen (doen) horen van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd. Deze compensatie heeft in de eerste plaats plaatsgevonden door [getuige 2] - op verzoek van de verdediging - als getuige te horen bij de raadsheer-commissaris. In de tweede plaats is de belastende verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig voorgehouden en heeft de verdediging de gelegenheid gekregen (de betrouwbaarheid van) deze verklaring ter discussie te stellen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de verklaring van aangeefster [slachtoffer] om die reden van het bewijs uit te sluiten.

Voorts overweegt het hof dat [slachtoffer] - hoewel zij heeft geprobeerd haar aangifte in te trekken - niet inhoudelijk is teruggekomen op haar de verdachte belastende, bij de politie afgelegde verklaring. Nu de verklaring van [slachtoffer] bovendien in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, heeft het hof geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen. Het hof zal haar verklaring dan ook bezigen tot het bewijs."

2.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, het volgende overwogen:

"3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging."

2.4.

Het Hof heeft in de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van [slachtoffer] bruikbaar is voor het bewijs, nu de betrokkenheid van de verdachte niet in beslissende mate op die verklaring is gebaseerd maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van [slachtoffer] die door de verdachte zijn betwist. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en in het licht waarvan de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, die door het Hof in zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen zakelijk is weergegeven - in het bijzonder de medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] van de huisarts [betrokkene] (bewijsmiddel 2), het relaas van de verbalisanten

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel 3) en de verklaringen van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 4) en de verdachte (bewijsmiddel 5) - geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019.