Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:904

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/05166
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:658
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2850, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Laster, art. 262.1 Sr, meermalen gepleegd. Bewezenverklaring, i.h.b. dat verdachte “wist” dat de uitlatingen i.s.m. de waarheid waren, naar de eis der wet met redenen omkleed? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:3498, i.h.b. dat blijkens de wetsgeschiedenis van art. 262 Sr het bestanddeel 'wetende dat' hier een bijzondere, beperkte betekenis van daadwerkelijke wetenschap heeft, waarvoor voorwaardelijk opzet niet toereikend is. Uit de bewijsvoering kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte “wist” dat de uitlatingen (aangeefster is werkzaam als prostituee) i.s.m. de waarheid waren. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1502
RvdW 2019/771
NBSTRAF 2019/223
SR-Updates.nl 2019-0123
TPWS 2019/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/05166

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2017, nummer 22/003164-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - wat betreft de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-220336-13 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-220336-13 tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien uit de door het Hof gebruikte bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte "wist" dat de in de bewezenverklaring genoemde uitlatingen in strijd met de waarheid waren.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"Zaak met parketnummer 10-220336-13:

hij in de periode van 08 maart tot en met 22 april 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, hetgeen is geschied door middel van het verspreiden van geschriften,

immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel:

- met vermelding van advertenties op <www.speurders.nl> aan de medebewoners van de [a-straat] schriftelijk medegedeeld: "er bevind zich in onze flat, een vrouw met 2 kleine kinderen die aan priveontvangst (prostitutie) doet op [a-straat 1] [slachtoffer] " en "u kunt meleden bij de verhuurder en/of voogd, als u wilt dat de kinderen veilig en goed opgroeien";

en

- met vermelding van advertenties op www.speurders.nl, aan [betrokkene 1] van Woonstad Rotterdam en [betrokkene 2] , gezinsvoogd bij het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg (schriftelijk, via email) medegedeeld: "bij deze wil ik doorgeven dat degene die op dit adres woont, [slachtoffer] / [a-straat 1] / [postcode] /rotterdam ijsselmonde aan priveontvangst (mannen ontvangen tegen' betaling/prostitutie) doet",

terwijl verdachte wist dat deze ten laste gelegde feiten in strijd met de waarheid waren."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 7, waaronder bewijsmiddelen 7 en 8 die luiden:

"7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 juli 2013 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL1710 2013114241-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in
- zakelijk weergegeven - (blz. 29 t/m 31):

als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

Er is tegen u aangifte gedaan van belediging door uw ex, [slachtoffer]

Eind maart, begin april 2013, zag ik dat er een voor mij onbekend 06-nummer in de telefoon van mijn oudste dochter stond. Zij zei mij dat dit een nummer van mijn ex was. Ik heb later dit 06-nummer via Google op internet opgezocht. Ik kwam toen op de site van speurders.nl en zag dat dit 06-nummer aan een seksadvertentie was gekoppeld. Ik heb een print gemaakt van deze advertentie en ben naar mijn ex gegaan. Ik heb besloten om dit mailtje (het hof begrijpt: het hieronder, onder 8 opgenomen e-mailbericht van 9 april 2013) rond te sturen.

Opmerking: verdachte overhandigde een kopie van een mail gericht aan [betrokkene 2] , waarin hij melding maakt van het feit dat zijn ex een seksadvertentie had gezet en hij zich zorgen maakte daarover voor zijn kinderen.

Ik lees je nu de inhoud voor van een aantal mails, welke zijn gestuurd naar Woonstad. Wat kun je daarover zeggen? Dat klopt, deze mails heb ik gestuurd. In de mail van 20 april 2013 zeg ik dat er een onderzoek tegen mijn ex loopt door de politie, belastingdienst en uitkeringsinstantie.

U toont mij een mail aan Woonstad. Dit betrof een kopie van de advertentie, op speurders.nl.

8. Een geschrift, zijnde een print van een e-mailbericht d.d. 9 april 2013, 09.09 uur van [verdachte] aan [betrokkene 2] . Dit geschrift is gevoegd als bijlage bij het onder 7 opgenomen proces-verbaal d.d. 9 juli 2013. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32):

[slachtoffer] staat op speurders.nl met een seksadvertentie. Ze gebruikt hierbij een ander 06-nummer, ze ontvangt mannen bij haar thuis om geld. Hier moet snel actie worden ondernomen, want dit is zeer gevaarlijk voor [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ."

2.2.3.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "laster, meermalen gepleegd".

2.3.1.

Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 262, eerste lid, Sr. Het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip 'wist' moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als toekomt aan het begrip 'wetende' in die bepaling.

2.3.2.

Art. 262, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

2.3.3.

Hoewel de wetgever met de uitdrukking 'wetende dat' in algemene zin een omschrijving geeft van het bestanddeel 'opzet' en in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt aangenomen dat het bestanddeel 'wetende dat' in het algemeen opzet in voorwaardelijke vorm omvat, geeft de wetsgeschiedenis van art. 262 Sr aanleiding anders te oordelen over de betekenis van 'wetende dat' in die bepaling, omdat blijkens die wetsgeschiedenis het bestanddeel 'wetende dat' hier een bijzondere, beperkte betekenis van daadwerkelijke wetenschap heeft, waarvoor voorwaardelijk opzet niet toereikend is (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL: HR:2014:3498).

2.4.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte "wist" dat de in de bewezenverklaring genoemde uitlatingen - kort gezegd inhoudende dat de aangeefster werkzaam is als prostituee - in strijd met de waarheid waren, niet zonder meer uit de door het Hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 10-220336-13 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.