Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:90

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/02331
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1313
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv bij verstek na veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. Aanhoudingsverzoek raadsvrouwe per e-mail met mededeling dat zij zich stelt als advocaat en dat zij de stukken bij vorige advocaat heeft opgevraagd door Hof afgewezen op de grond dat verzoek niet is gemotiveerd. Hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouwe voorafgaand aan de tz. zonder enige motivering dat verzoek heeft gedaan, terwijl verdachte noch raadsvrouwe ttz. zijn verschenen om redenen op te geven voor aanhouding. Daarin ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat door of namens verdachte niet is vermeld waarop het aanhoudingsverzoek steunt, zodat het verzoek moet worden afgewezen. Dat oordeel is - ook in het licht van het e-mailbericht - niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG (anders): E-mail kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat raadsvrouwe aanhouding verzoekt omdat zij nog geen stukken heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2019/66
RvdW 2019/188
NBSTRAF 2019/58
TPWS 2019/33
SR-Updates.nl 2019-0144
NbSr 2019/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02331

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 april 2017, nummer 23/002803-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2017 houdt in dat de verdachte en diens raadsvrouwe aldaar niet zijn verschenen. Het houdt voorts, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren heeft begrepen dat er een stelbrief van 14 april 2017 bestaat waarin tevens een aanhoudingsverzoek is gedaan. De voorzitter deelt mee dat aan dat verzoek geen nadere gegevens ten grondslag zijn gelegd. De oudste raadsheer deelt mee dat het gaat om een e-mailbericht van de griffie, waarbij een e-mailbericht van de raadsvrouw van 14 april 2017, gericht aan de griffie, is doorgestuurd.

De oudste raadsheer leest bedoeld e-mailbericht voor.

De voorzitter deelt mee dat het hof kennis heeft genomen van voornoemd e-mailbericht, dat het hof op voorhand geen beslissing heeft genomen op het aanhoudingsverzoek, en dat de raadsvrouw vandaag niet is verschenen.

(...)

Het hof onderbreekt, bij monde van de voorzitter, het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de oudste raadsheer mee dat de raadsvrouw in haar e-mailbericht te kennen heeft gegeven dat zij de stukken bij mr. Reehuis, de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, heeft opgevraagd.

De voorzitter deelt mee dat:

- het hof constateert dat de raadsvrouw van de verdachte op 14 april 2017 een e-mailbericht aan de griffie van dit hof heeft gestuurd waarin zij zich stelt als raadsvrouw en waarin zij tevens - zonder enige motivering - om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft verzocht;

- hij van de griffier heeft begrepen dat de raadsvrouw gisteren de griffie heeft gebeld en gevraagd heeft of het hof al een beslissing had genomen op het aanhoudingsverzoek, waarop aan de raadsvrouw namens het hof is meegedeeld dat vandaag een beslissing zou worden genomen op het aanhoudingsverzoek en het aan haar was om wel of niet ter terechtzitting van heden te verschijnen;

- de dagvaarding voor de terechtzitting van heden aan de verdachte in persoon is betekend;

- noch de verdachte noch de raadsvrouw vandaag zijn verschenen om redenen op te geven waarom de behandeling zou moeten worden aangehouden;

- gelet op het aanhoudingsprotocol ervan uit mag worden gegaan dat als een advocaat een zaak overneemt, deze op de dag van de behandeling beschikbaar is.

De voorzitter deelt mee dat gelet op het ontbreken van enige motivering het hof geen aanleiding ziet de zaak vandaag niet te behandelen."

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de gronden dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.

2.2.3.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich onder meer een e-mailbericht van 14 april 2017 van de raadsvrouwe van de verdachte aan 'Administratie straf (Hof Amsterdam)', inhoudende:

"Onderwerp: stelbrief inzake [verdachte] parketnummer 23-002803-16/1e K

(...)

Tot mij heeft zich gewend [verdachte] met het verzoek hem bij te staan in de procedure bij uw hof.

Hierbij stel ik mij in de zaak van [verdachte]. Ik heb mevrouw Reehuis inmiddels ook een e-mail gestuurd waarin ik haar vraag om het dossier over te nemen.

Ik verzoek voorts uitstel voor de behandeling ter zitting op 21 april 2017."

2.3.

Het Hof heeft het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouwe van de verdachte voorafgaande aan de terechtzitting zonder enige motivering dat verzoek heeft gedaan, terwijl de verdachte noch diens raadsvrouwe ter terechtzitting zijn verschenen om redenen op te geven voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat door of namens de verdachte niet is vermeld waarop het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak steunt, zodat het verzoek moet worden afgewezen. Dat oordeel is - ook in het licht van de inhoud van het hiervoor onder 2.2.3 weergegeven
e-mailbericht - niet onbegrijpelijk.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.