Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
17/03171
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:380
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging van een ambtenaar in functie door in diens tegenwoordigheid een jas te dragen met daarop de tekst A.C.A.B., art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Vermelding A.C.A.B. op jas verdachte beledigend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3114 m.b.t. opzettelijke belediging d.m.v. dragen van jack met opschrift A.C.A.B. Hof is ervan uitgegaan dat afkorting A.C.A.B., overeenkomstig opvatting van in bewezenverklaring genoemde verbalisanten, een afkorting is van ‘All Cops Are Bastards’ en dat verdachte die betekenis kende. Daartoe heeft Hof o.m. overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat verdachte die betekenis niet kende, waarbij Hof in aanmerking heeft genomen weigering van verdachte iets te verklaren over mogelijk andere betekenis van deze letters, die op door verdachte gedragen jas waren aangebracht. Verder heeft Hof geoordeeld dat verdachte deze verbalisanten opzettelijk heeft beledigd door zich gekleed in die jas, met daarop afkorting A.C.A.B. voor een ieder goed zichtbaar, te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, te weten tijdens het kraken van een woning, waarbij Hof in aanmerking heeft genomen dat verdachte zich aan ter plaatse gekomen verbalisanten als voorman van groep krakers heeft opgeworpen door verbalisanten te benaderen en ongevraagd aan te spreken. ‘s Hofs oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/729
JIN 2019/109 met annotatie van Oort, C. van
NBSTRAF 2019/204
SR-Updates.nl 2019-0117
TPWS 2019/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03171

Datum 11 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2017, nummer 23/000094-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, mede in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, inhoudende dat “A.C.A.B.” niet steeds “All Cops Are Bastards” betekent en dat de vermelding “A.C.A.B.” op de jas van de verdachte niet beledigend was.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 25 juli 2015 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd door daar toen opzettelijk beledigend zichtbaar voor voornoemde ambtenaren een jas te dragen met daarop de tekst “A.C.A.B.”
(= All Cops Are Bastards).”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015168318-4 van 25 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Verdachte: Nn Ad410000 O 150725 1740

Op 25 juli 2015 bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten van politie Eenheid Amsterdam, ons in uniform gekleed en met de algemene surveillance belast op de openbare weg Admiraal de Ruijterweg te Amsterdam. Op de Admiraal de Ruijterweg zagen wij ter hoogte van perceel 503 ongeveer tien personen staan. Wij zagen dat één persoon in de groep een werkjas met roodkleurige schouders van de PTT Post droeg. Wij zagen dat het perceel Admiraal de Ruijterweg 503 leeg stond. Wij kregen daardoor het vermoeden dat de groep personen voornemens was het genoemde perceel te kraken of dat het al gekraakt was.

Wij liepen op de groep af. Wij zagen dat de persoon met de werkjas met roodkleurige schouders van de PTT Post uit de groep stapte en op ons af kwam gelopen. Ongevraagd en in de Nederlandse taal verklaarde hij aan ons: “Ik ben de woordvoerder. Ik ben degene die praat.”

Op het moment dat de persoon op ons af kwam lopen en de hierboven gesproken woorden aan ons verklaarde zag ik, eerste verbalisant, dat er op de linkerzijde van zijn jas, ter hoogte van zijn jaszak, met zwartkleurige letters A.C.A.B. stond. Ik zag dat deze letters met zwartkleurige stift of marker op de jas waren aangebracht. Ik zag dat deze letters openlijk en voor iedereen goed zichtbaar waren. Het is mij ambtshalve bekend dat deze letters niet standaard op een jas van de PTT Post horen te staan. Het is mij ambtshalve bekend dat de letters A.C.A.B. staan voor de Engelse uitdrukking “All Cop(per)s Are Bastards” hetgeen betekent “Alle politieagenten zijn klootzakken”.

Wij vroegen aan de persoon wat hij en de groep aan het doen waren alhier. Wij hoorden de persoon hierop aan ons verklaren: “Wij hebben dit pand net gekraakt.”

Op 25 juli 2015 hebben wij de persoon als verdachte van belediging aangehouden.

Noot verbalisant: Door mij, eerste verbalisant, zijn een tweetal foto’s gemaakt van de PTT Post jast die de verdachte droeg tijdens zijn aanhouding. Hierbij zijn de letters A.C.A.B. geschreven op de linkerjaszak duidelijk te zien. Deze foto’s zijn door mij als bijlage 1 en 2 bij dit proces-verbaal gevoegd.

2. Een proces-verbaal van zaakoverzicht met nummer 2015168318 van 26 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang, zakelijk weergegeven:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1988

Registratienummer: 2015168318

Pleegdatum: 25 juli 2015

Plaats delict: Admiraal de Ruijterweg ter hoogte van nummer 503 te Amsterdam

Aanhouding verdachte: zaterdag 25 juli 2015 17:25 uur.

Bijlage: Pv aanhouding [verdachte] (2015168318-2)

3. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2015168318-2 van 25 juli 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 25 juli 2015 omstreeks 17:25 uur, hielden wij op de locatie Admiraal de Ruijterweg ter hoogte van nummer 503 te Amsterdam, als verdachte aan:

Achternaam: Nn ad41000 O 150725 1740

4. De eigen waarneming van het hof betreffende kopieën van een tweetal fotoprints die als bijlage zijn gevoegd bij het onder 1 opgenomen proces-verbaal van bevindingen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

Op de eerste foto is een jas te zien. Op het oranje schouderstuk staat het woord ‘post’. Dit doet denken aan het uniform van een postbesteller. Schuin op een zak, op de rand van de buitenkant van de jaszak, staan vier letters ‘A.C.A.B’; deze lijken er met een zwarte stift of pen op te zijn geschreven. De tweede foto laat een duidelijker beeld zien van de buitenkant van de zakinzet met daarop de letters ‘A.C.A.B’.”

2.2.3

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak voorts het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Primair omdat de letters “A.C.A.B.” niet zonder meer beledigend zijn en subsidiair omdat het opzet van de verdachte op de belediging van de verbalisanten heeft ontbroken.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft op de Admiraal de Ruijterweg in Amsterdam een jas gedragen met daarop de letters “A.C.A.B.”. Deze letters zijn met een stift/maker aangebracht op de jas die de verdachte droeg en waren voor een ieder goed zichtbaar. De verdachte heeft deze jas gedragen terwijl hij samen met anderen bezig was een woning te kraken. De letters “ACAB” vormen volgens de verbalisanten een afkorting van ‘All Cops Are Bastards’.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zich gekleed in een jas met daarop voor een ieder zichtbaar het opschrift “A.C.A.B.” te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, te weten tijdens het kraken van een woning, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij die politieagenten zou beledigen. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte zich aan de ter plaatse gekomen politieambtenaren als voorman van de groep heeft opgeworpen door op hen af te lopen en hen ongevraagd aan te spreken. Derhalve acht het hof bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het beledigen van politieambtenaren.

Daarbij betrekt het hof dat er in het onderhavige geval geen enkele aanwijzing is dat de verdachte de beledigende betekenis van de term “A.C.A.B.” niet kende, mede gelet op zijn weigering te verklaren over welke betekenis de letters anders zouden kunnen hebben gehad.

(...)

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Door de raadsvrouw is een beroep gedaan op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 10 EVRM.

Dit verweer treft naar het oordeel van het hof geen doel nu de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM is begrensd door artikel 266 Sr. De letters op de jas van de verdachte hebben een beledigend karakter en zijn onnodig grievend zodat de door art. 266 Sr geboden bescherming daartegen kan worden aangemerkt als noodzakelijk in een democratische samenleving en aan de verdachte geen rechtvaardigingsgrond toekomt ex artikel 10 EVRM.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”

2.3

De volgende bepalingen zijn van belang:

- art. 266 Sr:

“1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.”

- art. 267 Sr:

“De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:

1. het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling;

2. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

3. het hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat.”

2.4

In een eerdere zaak waarin het dragen van een jack met het opschrift “A.C.A.B.” aan de orde was, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, rov. 2.5):

“De klacht van het middel stelt de vraag aan de orde of het dragen van het jack met het opschrift A.C.A.B., welke afkorting naar het Hof heeft vastgesteld de, ook aan de verdachte bekende, betekenis “All Cops Are Bastards” heeft en naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen wereldwijd en ook in Nederland in diskrediet te brengen, kan worden aangemerkt als opzettelijke belediging aan de individuele politiefunctionaris (...) in zijn tegenwoordigheid aangedaan als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in zo een geval het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op belediging van de individuele politiefunctionaris is gericht, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zal, indien de beledigende uitlating of feitelijkheid, zoals hier, betrekking heeft op een categorie mensen in een bepaalde hoedanigheid, de enkele omstandigheid dat deze uitlating of feitelijkheid wordt waargenomen door een persoon die tot deze categorie behoort, niet voldoende zijn om te kunnen aannemen dat het opzet van de verdachte op belediging van die specifieke persoon is gericht.”

2.5

Het Hof is ervan uitgegaan dat de afkorting “A.C.A.B.”, overeenkomstig de opvatting van de in de bewezenverklaring genoemde verbalisanten, een afkorting is van “All Cops Are Bastards” en dat de verdachte die betekenis kende. Daartoe heeft het Hof onder meer overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte die betekenis niet kende, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen de weigering van de verdachte iets te verklaren over een mogelijk andere betekenis van deze letters, die op de door de verdachte gedragen jas waren aangebracht. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte deze verbalisanten opzettelijk heeft beledigd door zich gekleed in die jas, met daarop de afkorting “A.C.A.B.” voor een ieder goed zichtbaar, te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, te weten tijdens het kraken van een woning, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zich aan de ter plaatse gekomen verbalisanten als voorman van de groep krakers heeft opgeworpen door de verbalisanten te benaderen en ongevraagd aan te spreken. Deze oordelen van het Hof geven - ook in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.

2.6

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019.